Troonrede in teken van terugslag; Groei fors minder, meer werkloosheid

DEN HAAG, 17 SEPT. De Nederlandse economie krijgt dit jaar en in ieder geval in de eerste helft van volgend jaar te maken met een terugslag. De produktiegroei van bedrijven halveert en de groei van het nationaal inkomen valt nog sterker terug. De werkloosheid zou volgend jaar zelfs weer stijgen.

Dit blijkt uit de Troonrede die koningin Beatrix vanmiddag in de Ridderzaal uitsprak en uit de Rijksbegroting 1992 die vice-premier Kok daarna aanbood aan de Tweede Kamer.

Premier Lubbers zei in een toelichting op de Troonrede dat deze “in het teken van een zekere terugslag” staat. “Het wordt aanzienlijk moeilijker dan we gewend waren.” Hij vindt dat het kabinet ernaar moet blijven streven het “ritme van jaarlijks 100.000 mensen meer aan de slag” vast te houden. Doordat steeds meer mensen in deeltijd werken zou dit betekenen dat er 50.000 arbeidsplaatsen extra moeten worden gecreëerd.

De werkgelegenheid bij de overheid daalt volgens het Centraal Planbureau volgend jaar met tienduizend arbeidsjaren van 731.000 naar 721.000; volgens de Miljoenennota daalt de werkgelegenheid bij het Rijk met ruim tweeduizend arbeidsjaren tot 149.500. De werkgelegenheid in het bedrijfsleven blijft volgens ramingen van het Planbureau volgend jaar stabiel (4,3 miljoen arbeidsjaren).

Om de werkgelegenheid te stimuleren doet de regering een klemmend beroep op werkgevers en werknemers de lonen te matigen. Dat beroep wordt ondersteund met een belastingverlichting, met name voor de lagere inkomens.

De verhouding tussen het aantal werkenden en zij die een uitkering ontvangen is volgens de Troonrede “uit het lood”. Daarom moet het ziekteverzuim en de arbeidsongeschiktheid worden teruggedrongen. Een strengere aanpak en op termijn lagere uitkeringen - in het bijzonder voor jongere arbeidsongeschikten - staan daarbij centraal.

Lubbers maakt zich ondanks de problemen in de PvdA geen zorgen over de stabiliteit van de coalitie. “De kans dat het kabinet de rit uitzit is groot.”

De Rijksbegroting overschrijdt volgend jaar voor het eerst de grens van tweehonderd miljard gulden. Het kabinet heeft, om het financieringstekort binnen de grenzen van het regeerakkoord te houden, voor 10,3 miljard gulden moeten "ombuigen'.

Werkgevers en werknemers hebben negatief gereageerd op het kabinetsbeleid voor 1992. De vakcentrales FNV, CNV en MHP spreken van “een absoluut dieptepunt”. Het kabinet heeft met de ingrepen in de WAO en de Ziektewet “het sociaal-economische klimaat verziekt”. De werkgeversorganisaties VNO en NCW menen dat het beleid van het kabinet leidt tot een stijging van de belasting- en premiedruk (collectieve lasten) en een verslechtering van de economische groei en werkgelegenheid.

De regeringspartijen PvdA en CDA steunen het kabinetsbeleid in hoofdlijnen. Ze maken echter beide bezwaar tegen de verhoging van het lesgeld voor kinderen boven de leerplichtige leeftijd (vanaf 16 jaar en ouder). De oppositiepartijen richten hun kritiek onder meer op het afschaffen van de fiscale inflatiecorrectie (VVD) en op het aantasten van WAO-uitkeringen (D66).