Schoon milieu maakt het leven duurder; De energieheffing, groot of klein, komt er, zo luidt het voornemen van het kabinet

De milieuheffing rukt op. Net als de retourpremie. In Noorwegen bestaat al statiegeld voor sneeuwscooters en in Oostenrijk voor TL-buizen. Nederland heeft een heffing in onderzoek die gloeilampen ten minste tweemaal zo duur zal maken. In de EG wordt de prijs van energie de komende jaren misschien wel verdubbeld. In elk geval in Nederland worden gas en elektriciteit met ingang van 1993 een stuk prijziger.

Een schoon milieu maakt het leven duurder, daaraan valt niet te ontkomen. Tenminste, dat vindt regering zelf. In het vandaag gepubliceerde Milieuprogramma 1992-1995 noemt minister Alders het “onvermijdelijk” dat het uitvoeren van het milieubeleid “een aanzienlijke reële lastenstijging tot gevolg zal hebben”. Of daarmee de inkomensverhoudingen in Nederland ongewijzigd blijven, is niet zeker, maar “onderwerp van nadere studie”. Alders formuleert het voorzichtig: “Uitgangspunt voor het beleid van de regering is dat met het milieubeleid niet moet worden gestreefd naar wijziging van de inkomensverdeling.”

De thematiek die verbonden is aan het "koopkrachtplaatje' is onontkoombaar het debat over het milieu binnengedrongen. Vooralsnog geldt voor het huidige kabinet volgens de minister van milieubeheer dat de doelstelling van een “rechtvaardige inkomensverdeling op minstens gelijkwaardige wijze moet worden afgewogen tegen het realiseren van een duurzame ontwikkeling”. Maar memorabel in dit verband is de uitspraak die het PvdA-congres begin dit jaar heeft gedaan in een periode dat ieders aandacht - ook van dat congres - voornamelijk naar de Golfoorlog uitging. Een schoon milieu gaat boven inkomen, dat was de kern van de boodschap.

Kabinet en parlement zullen het komend jaar proberen de symbiose te vinden tussen "Stevens' en "Wolfson'. De eerste hoogleraar was voorzitter van een commissie die medio 1991 aanbevelingen deed voor belastingvereenvoudiging, de tweede leidt een stuurgroep die eind dit jaar een rapport zal uitbrengen over de energieheffing en de fiscale gevolgen daarvan. Zo'n heffing, een onderdeel van wat een "ecotax' kan worden, wordt in 1993 ingevoerd. Omvang en reikwijdte hangen af van de overeenstemming die in de EG wordt bereikt. Maar de heffing komt er, klein of groot, zo luidt het voornemen van het kabinet.

De opbrengst moet worden teruggegeven aan de burger om te voorkomen dat de collectieve lastendruk, de optelsom van belastingen en premies, toeneemt. Het kabinet heeft al besloten de baten van de energieheffing te gebruiken voor verlaging van de arbeidskosten. Dat zou bijvoorbeeld kunnen via een vermindering van de loonbelasting of de sociale premies. Zo bereikt het kabinet dat milieubelastende activiteiten duurder worden en arbeid goedkoper.

De energieheffing hoeft dus geen louter negatieve effecten op de werkgelegenheid te hebben. Maar bedrijven die veel energie verslinden zullen extra nadelen ondervinden van de hogere tarieven. Hoogovens heeft al bij voorbaat geprotesteerd. Ook hoeft de ene burger in theorie het duurder worden van brandstof en elektriciteit niet sterker in zijn portemonnee te voelen dan de ander; iedereen heeft zijn energieverbruik tot op zekere hoogte zelf in de hand. Maar hoe zit het in de praktijk precies met dat grote gezin van die éénverdiener in een slecht geïsoleerde woning versus tweeverdieners zonder kinderen maar met dubbel glas? “Mutaties voor individuele Nederlanders zijn niet altijd te vermijden”, zegt minister Kok van financiën. Met andere woorden: de een gaat er op vooruit, de ander achteruit.

Berekeningen wijzen uit dat een verdubbeling van de energietarieven zo ongeveer nodig is om de consument tot zuiniger verbruik aan te zetten - en daar was het om begonnen. Dat is niet eenvoudig, omdat economische groei en stijging van energieverbruik gewoonlijk hand-in-hand gaan. Terugdringing van de uitstoot van CO2(kooldioxide) is zonder verminderd energieverbruik niet mogelijk. CO2-emissies worden beschouwd als de voornaamste oorzaak van het broeikaseffect, de opwarming van de aarde en de stijging van de zeespiegel. Op grond van eigen voornemens en internationale afspraken moeten zeker de EG-landen hun CO2-emissies aanpakken.

Nederland mag als EG-voorzitter in december proberen in een vergadering van de ministers voor milieu en energie tot een gemeenschappelijk beleid te komen. Komt er een Europese heffing op energie, dan zal deze hoger kunnen zijn dan wanneer Nederland in 1993 op de solotoer gaat. Een Europese heffing zal zich uitstrekken over alle energieverbruik - dus ook benzine bijvoorbeeld - en die heffing zal gelden voor zowel groot- als kleinverbruikers. Tenminste, dat wil het Nederlandse kabinet. De positie van energie-intensieve bedrijven die op wereldschaal moeten concurreren, zal daarbij speciale aandacht krijgen. Op een of andere manier moeten voor die bedrijven de nadelen van de heffing worden beperkt.

Voert Nederland op eigen houtje de heffing in, dan geldt zij wellicht alleen voor kleinverbruikers van elektriciteit, aardgas en huisbrandolie. Volgens een variant die Wolfson c.s. in studie hebben, vallen bedrijven er dan buiten, evenals motorbrandstoffen met het oog op de "grenseffecten'. Tussen een volledige EG-heffing of een puur Nederlandse aanslag zijn tal van varianten denkbaar. De tariefsverhogingen zullen hoe dan ook fors zijn. Op het ministerie van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer wordt, wanneer er louter sprake zal zijn van een Nederlandse heffing, gedacht aan een prijsverhoging van 50 procent die met ingang van 1993 stapsgewijs zou moeten worden ingevoerd.

Het ligt voor de hand dat de "regulerende heffingen' - waarvan de energieheffing een voorbeeld is - een grotere rol in het miliebeleid gaan spelen. Ze voldoen aan het principe "de vervuiler betaalt'. Dat wil zeggen: de burger of het bedrijf kan met zijn eigen gedrag rechtstreeks de kosten beïnvloeden. Door bijvoorbeeld zuinig met energie om te gaan. Daarin onderscheiden regulerende heffingen zich van bestemmingsheffingen (zoals de reinigingsrechten) die door de overheid worden gebruikt om milieumaatregelen (zoals het verwerken van afval) te betalen.

Regulerende heffingen zijn bedoeld om bepaald gedrag te stimuleren of juist te ontmoedigen. Als Nederland een heffing legt op gloeilampen, is dat om het gebruik van spaarlampen te bevorderen. Denemarken heft een toeslag van 33 procent op de prijs van wegwerpservies om de aanschaf daarvan te ontmoedigen. Zo zijn er tal van voorbeelden. In Nederland gaat de discussie nu vooral over energie, maar intussen is ook een studie gaande naar een verhoging van de drinkwatertarieven.

Toch lijken regulerende heffingen als die op energie niet zonder risico voor het milieubeleid. Houdt een kabinet zich ook in de toekomst aan de belofte dat de meeropbrengst voor lastenverlichting wordt gebruikt? Of wordt de ecotax een middel om begrotingstekorten te dekken?. Betekent, met andere woorden, zuinig energieverbruik vervolgens een tegenvaller voor de schatkist? “Je zult een bepaalde opbrengst moeten calculeren”, zegt minister Alders “en daar niet bovenuitgaan. Zoals je ook van een bepaalde besparing op het verbruik moet uitgaan. Een van de vragen aan Wolfson is: hoe doe je dat allemaal?”

Het antwoord volgt nog dit jaar.