Remmend op weg naar de Grote Verandering

Ruim drie weken geleden zag het er naar uit dat de koningin vandaag iets uit eigen werk zou moeten voorlezen. Haar ministers zaten dramatisch dicht bij een laatste carpoolritje naar Huis ten Bosch. Na een moeizame Tussenbalans in februari, een bleek voorjaar en een doorwaakte zomer, was de rek er uit, menselijk en politiek.

Schatkistbewaarder, vice-premier en partijleider Wim Kok was - na de vakantie-opstand in zijn achterban - met pijn en moeite bereid het geretoucheerde WAO- en Ziektewet-plan te verdedigen. Maar ook nog eens de koppeling afschaffen, dat ging hem te ver. Adverteerde zijn PvdA in maart niet voor de provinciale verkiezingen met een glimmend rode aardbeienvlaai, en daaronder de tekst: “Salarissen, uitkeringen en AOW worden niet meer bevroren of verlaagd. Als de lonen in de bedrijven stijgen, stijgen ze mee.” Dat was “Gewoon een kwestie van eerlijk delen”.

Niemand weet precies welk wonder het kabinet die maandag heeft gered. Kok zat klem, het CDA eiste ontkoppeling. En nu, bij de aanbieding van de plannen voor 1992 verzekeren ministers van uiteenlopende achtergrond en psychologie: “Het kabinet is hier versterkt uit tevoorschijn gekomen”, “Het beleid gaat vruchten afwerpen”, en “We krijgen het huis eindelijk op orde”.

Kan het waar zijn? Wat is het nieuwe optimisme waard? Komt De Grote Verandering dan toch op gang?

De CDA-ministers hadden op maandag 26 augustus het gevoel: we hebben onze collega's van de PvdA nu meer dan een jaar college economie gegeven, en intussen hun liefhebberijen ontzien, we moeten nu maar eens aan het werk - de koppeling is on-Europees en onbetaalbaar, die kunnen we niet langer voor onze rekening nemen.

Gedreven door overtuiging of uitputting, in die impasse presteerde premier Lubbers wat hij zichzelf zelden toestaat. Hij liep emotioneel leeg. Om het vervolgens heel presidentieel aan Kok en CDA-collega De Vries (Sociale Zaken) over te laten de brokken op te vegen. Als zij een technisch aanvaardbare oplossing konden vinden die én de koppeling zou afschaffen én de PvdA-belofte van koopkracht-behoud voor de laagst betaalden moreel zou redden, dan was het goed. Zo niet, dan was het afgelopen.

De volgende ochtend ging de vlag uit. Het CDA betaalde een forse prijs voor vrede: afschaffing van de inflatie-correctie voor '92 en daarna. Een nivellerende maatregel waar de hoogste ambtelijke economen verenigd in de Centrale Economische Commissie 15 augustus nog fel tegen hadden gewaarschuwd. De prijs-loonspiraal zou er door worden aangewakkerd; investeerders zouden Nederland opnieuw zien als een fiscaal onbetrouwbaar land. Het mocht niet baten. De PvdA haalde er meer dan een miljard mee op voor de overeengekomen namaak-koppeling en rekende al doende af met onderdelen van de operatie-Oort die gunstig waren voor de hogere inkomens.

Het kabinetsverhaal voor het grote publiek was van een ontroerende goedertierenheid: de minimumloner ging er in ontkoppelde toestand zes gulden per maand op vooruit, weliswaar afhankelijk van allerlei mitsen en tenzij's, maar toch. “Een dag later waren die zes gulden bij wijze van spreken al weer zoek”, grinnikt een betrokkene. Dat gaf niet, de eer was gered.

Politiek op de kortst mogelijke baan. Moet zo'n kabinet Nederland rijp maken voor de eenentwintigste eeuw en Europa? Het antwoord bij de huidige leiding van CDA is ja. De noodzakelijke verbouwingen zijn te ingrijpend om zonder de PvdA uit te voeren. Kok vindt ook dat het niet zonder PvdA kan. Dus dat treft.

De politieke kaart van Europa ziet er slordig uit voor Kok. Het Zweedse model is geschiedenis, de sociaal-democratie is er naar huis gestuurd. In Duitsland bezwijkt de CDU eerder aan zichzelf dan aan de socialistische oppositie. Mitterrand en Cresson vechten voor hun politieke leven. In Engeland wankelt Labours leider door een chronisch gebrek aan succes. En in Nederland regeert de PvdA mee om te doen waar CDA en VVD kennelijk niet toe komen.

De Partij van de Arbeid wilde graag regeren. Nu zit de Rooie Familie verscheurd en verwilderd bijeen in een uitgewoonde, typisch Nederlandse actiepartij. Namens de bevriende vakbeweging bitst Karin Adelmund dat het tijd wordt voor een echte sociaal-democratische PvdA, “geen bestuurderspartij maar een principe-partij”.

Dat leek veel overzichtelijker, een bevriende principe-partij. Ook toen die weer in de regering kwam. De koppeling werd weer ingevoerd. Pronk terug op Ontwikkelingssamenwerking. Er zou "Ander Beleid' komen. En toen ging het langzaam mis. Koks groei in een klein jaar naar het beleid van deze Prinsjesdag heeft bijna niemand gevolgd. Hij heeft hard gewerkt, veel getwijfeld en te weinig verteld. Ook de fractie in de Tweede Kamer zat tot in deze zomer op het oude spoor.

Vandaag is zichtbaar dat de vakbeweging Kok niet kan en wil volgen. Het halve land ligt stil uit protest tegen de plannen waar de PvdA-leider zijn politieke lot aan heeft verbonden. Het voortbestaan van Kok en het kabinet berust bij vaak uiterst eenzijdig bevolkte PvdA-afdelingen in het land. Lubbers, medegijzelaar van een congres dat het zijne niet is, noemt dit staatsrechtelijk monstrum voor het gemak "democratisch' en "helemaal niet ontwrichtend'. Hij wil nog even verder met het karwei.

Maar de rot zit diep bij de PvdA. Kok verft over een vermolmd kozijn. Nieuw Links is nog niet uitgewerkt. Op voorspraak van een aantal nu gearriveerde PvdA-bestuurders overtuigde de partij zichzelf in de jaren '70 van de onfeilbaarheid van het eigen denken. Dat gebeurde ongeacht het onderwerp en onder gelijktijdige afschaffing van de grondregel van de democratie: wie geen meerderheid heeft, moet compromissen sluiten, en wie dat wel heeft moet rekening houden met de minderheid.

De gevolgen zijn bekend. De christendemocratie bloeide versneld op. De PvdA regeerde maar weinig en zag haar moeizaam bevochten strijdpunten in een zee van tranen eindigen. Belangrijkste democratische troost: geen partij heeft haar eigen tekortkomingen zo meedogenloos geanalyseerd als de Partij van de Arbeid.

En is zo hardleers. Mentale restanten uit die jaren leven voort. Er is te lang eenzijdig geëist en beloofd. De Deelraden in Amsterdam zijn een typisch project uit de school van het dwangmatig participatie-optimisme - in de praktijk bieden zij vooral dure werkgelegenheid aan politici van beperkte uitstraling. De mythe van het wethouders-socialisme verschaft in diverse grote steden nog steeds een alibi voor bestuurders met een gebrek aan zelfrelativering. Drees zou niet tevreden zijn.

Niet alleen de PvdA heeft moeite de tekenen des tijds in verband te brengen met het eigen gedachtengoed. In het voorjaar waren de volgelingen van Lubbers en Brinkman heel ondeugend door meer ontwikkelingshulp te eisen dan de CDA-leiding nodig vond. Meestal is het daar zo stil dat de top zich er voor excuseert. Dan laat men maar weer eens een rapport schrijven over het politieke vacuüm in de eigen partij.

De geoefende bestuurders van het CDA willen, ondanks alles, niet voor niets met de sociaal-democraten doorregeren. De eeuwige andere coalitie-partner, de VVD, was in 1989 regeermoe en heeft sindsdien niet uitgeblonken door sterk tegenspel. Pas de laatste tijd worden oppositionele thema's wat fundamenteler verkend. Fractievoorzitter Bolkestein sneed in Luzern (waarom niet in Amsterdam?) de aanpassing van allochtonen in Nederland aan. Hij wil een nationaal debat en het ziet er naar uit dat hij het krijgt.

De VVD is sinds haar oprichting minder een ideologische of bestuurlijke factor van belang in Nederland geweest dan het huidige wereldsucces van het liberalisme zou doen vermoeden. De partij aarzelde tussen conservatisme en vrijzinnig liberale aanvechtingen, soms uitgedaagd door D66, dan weer ingedommeld achter een paar eigen bewindslieden.

In dit politiek driestromenland zijn weinig monumenten van het VVD-liberalisme te vinden. De inrichting van het onderwijs, het nu imploderende omroepbestel, de manier waarop de gezondheidszorg is geregeld, het naoorlogse sociale verzekeringsparadijs, de VVD werkte mee aan opzet, verfijning, althans instandhouding van deze arrangementen met hun hang naar private verdeling van publieke middelen.

Alleen waar socialisten en christendemocraten een minder sterk stempel zetten, zag het libertijnse element in de VVD kans aandacht te vragen voor grondrechten, rechtsbescherming en dergelijke meer belangeloze idealen. Maar bovenop de ondoorzichtige, op consensus gerichte procedures van christendemocraten en socialisten leidde de uitwerking van zulke liberale garanties tot verdere verkleving van het Nederlandse systeem.

D66 is niet medeplichtig aan Nederland. Dat maakt de partij zo populair. Nu opiniepeilingen de Democraten een groot aantal zetels toedenken, ervaren de twaalf Tweede-Kamerleden het als onredelijk dat aan hun woorden meer gewicht wordt toegekend dan toen zij werden gekozen. De schijn van macht zit hen dwars.

Een partij die het politieke bestel wilde opblazen en na vijfentwintig jaar nog bestaat, die veel aanhang en nauwelijks regeerervaring heeft, verdient een kans te laten zien dat haar analyse van 's lands vraagstukken bestuurlijke betekenis heeft. D66 kan niet tot in lengte van dagen worden gediskwalificeerd omdat de fractie wordt aangevoerd door de beste spreker in de Tweede Kamer.

De verwevenheid van belangengroepen en traditionele Kamerfracties is zo sterk dat uitwisselbaarheid en onzichtbaarheid optreden. Dat was gisteren nog te zien bij het 1001-ste debatje over de nationale omroep i.o. De gezichten op de "publieke' tribune waren de gezichten die eergisteren achter de tafel zaten. Alleen wie de personalia-rubriek bijhoudt kon weten wie welk belang diende.

In al die tientallen jaren waarin ordening, sturing en barmhartigheid via de overheid werden afgedwongen en geadministreerd, is een vergaande vervaging opgetreden van het publieke en het private domein. De "vrijwillige' omroepbijdrage is een belasting. Weinig burgers ervaren nog bewust het verschil tussen een particuliere verzekering, een werknemersverzekering, en een rijksregeling tegen onvoorziene noden.

Een zoveelste extra milieuheffing op brandstof is voor ondernemers gewoon een nieuwe belasting. Alles is versmolten. Tot vast recht of vaste (oplopende) verplichting. Politici hebben er belang bij daar zelf ook slordig mee om te gaan, dat vergroot hun speelruimte. Zie de greep van 500 miljoen in de kas van het pensioenfonds PGGM.

De Nederlandse staat heeft de risico's van het leven geabsorbeerd. De unieke stijging van de collectieve lasten ving men op door economische groei niet of ten dele uit te betalen. Nu we balanceren op de rand van recessie, het tekort en de rente hinderlijk zijn opgelopen er een minister van financiën zit met een soort calvinistische rechtlijnigheid, zwaait de stroperige vliegenstrip tegen de lamp. Het resultaat is maatschappelijke schroeilucht.

Het geheim is ontsnapt. Ineens moet alles en mag alles. Ondanks alle verhalen over terugtredende overheid, verraadt het centrum-linkse kabinet een onverholen hunkering naar de geleide loonpolitiek. Twee nieuwe koppelingen worden als vanzelfsprekend opgevoerd: die van huren en huurwaardeforfait, en de kostenverhoging voor reizigers per auto en per trein, bus of tram. Sociale optiek is hier de enige logica.

Oude versoberingscampagnes worden gevangen onder nieuwe namen: Grote Efficiency, Sociale Vernieuwing, Decentralisatie. Reorganisatie van de Rijksdienst, deregulering en allerlei afslankingsoperaties moesten het op den duur stellen zonder blijvende interesse van de politiek.

Nu het kabinet geld zoekt waar het kan, ligt dat anders. Dat helpt concentratie vinden, maar niet altijd maat houden. Nederland is te klein om echt te decentraliseren. Met vier provincies en 200 gemeentes zouden we toekunnen, maar intussen storten alle beschikbare bestuurslagen zich op de nieuwe kansen op invloed en geld. Minder geld, dat wel.

Privatisering is een rechts dus verboden begrip voor deze minister van financiën. In het verleden is privatisering met wisselende ernst toegepast. De motieven liepen uiteen. Bij de PTT was het grotendeels menens. Bij het Loodswezen pakt de bevrijding van de loodsen aanzienlijk duurder uit voor het rijk - de Tweede Kamer laat zich in deze kwestie al jaren bij de neus nemen.

Daar ligt het begin en het einde in een parlementaire democratie. Als de politiek vertrouwen wil krijgen en houden, dan moeten leden van het parlement (dat geldt ook op provincie- en gemeenteniveau) hun volksdeel durven vertegenwoordigen. En vragen of zeggen wat zij op grond van hun ervaring, kennis of intuïtie nodig vinden. Zonder al te veel last van ruggespraak.

Wat er gebeurt als twee of drie specialisten namens het volk beslissen terwijl de rest van de Kamer suft, blijkt uit de recente behandeling van de troetelwetten van de PvdA-staatssecretarissen Wallage en Simons. Heel rustig ondanks de drukte. Want de "basisvorming' en de "basisverzekering' mochten van het CDA doorgaan. Lubbers moet zo kort voor WAO en Ziektewet geredeneerd hebben: “Je kunt ze toch niet alles afpakken”.

De plannen van Simons voor een verzekering tegen vrijwel alle geneeskundige risico's krijgen misschien nog het debat dat zij verdienen. Maar het is een pijnlijke aanwijzing over de gezondheid van het politieke bestel dat het VNO-voorzitter Rinnooy Kan is die daartoe de aanzet geeft. En niet het parlement.

Zoals meestal riepen de specialisten van de twee regeringsfracties en Simons elkaar gecodeerde boodschappen toe, die vooral bestemd waren voor hun cliëntèle in den lande. Principiële vragen over de zinnigheid van zo'n groot systeem, over de realiteitswaarde van de beloofde heilzame werking van nieuwe concurrentie op de "zorgmarkt', over de wenselijkheid van zoveel detaillering naderhand, klonken nauwelijks of werden weggewoven.

Nauwelijks minder tegen de Europese trend in waren en zijn de plannen voor de "basisvorming' in het middelbaar onderwijs. Vage noties over efficiency en misschien nagekomen emancipatiemotieven speelden bij de christendemocraten mee. Het bleef een enorme concessie aan het gezond verstand die het CDA heeft gedaan om een ander belangrijk probleem aan te kunnen pakken. Ook in de onderwijs-zaak was het parlementair debat gereduceerd tot het treffen van pseudo-technische regelingen. Terwijl het onderwerp iedereen aangaat, en de materiële en immateriële kosten van de voorziene samensmelting tot grote eenheidsscholen zo goed als onbesproken bleven.

Een van de belangrijkste projecten van deze periode, privatisering van de samenleving staat nog niet op de agenda. Er zit op korte termijn geen geld in. Politici zijn beducht voor doorbreking van de keten klandizie-bemiddelaar-staatskas zolang zij kans zien die kas te spekken uit de zak van de klant. Dat wonder lukt nog steeds omdat hier een vrij degelijk volk woont. Een volk dat op safe speelt en graag vertrouwt op de pijlers van de wederopbouw: het gelijkheidsbeginsel en de overlegverplichting.

Naarmate de politiek vaker moet opbiechten dat ook dat systeem niet meer geruisloos kan volhouden wat er eens aan werd toegevoegd, neemt de kans toe dat men zich er van afwendt. De vakbeweging doet alsof zij dat doet. Hoe lang vinden de werkgevers het overlegcircus waardevoller dan hun vrijheid?

Het lijkt of Lubbers en Kok de dreigende erosie hebben ingezien. Ondanks alle moeizaamheid en verschillen in temperament en instinct, hebben zij misschien wel voor het eerst grootscheepse renovaties van het naoorlogse bestel aangekondigd. Einddoel onbekend.

Voorlopig wordt de afgesproken reductie van het financieringstekort volgehouden, zij het met extreme kunstgrepen. Subsidies, de smeermiddelen van Nederland Harmonieland, worden steeds zwaarder getoetst op hun onmisbaarheid. De risico-vrijheid van vijfsterrenregelingen zoals WAO en Ziektewet gaat tot het verleden behoren. De nationale omroep, die laatste terp van de verzuiling, moet zich zelf redden. Ministeries moeten bewijzen wat ze waard zijn. De voorzitter van de nieuwe Adviesraad voor het Onderwijs doorbreekt zelfs het taboe op selectie: niet iedereen hoeft het zelfde te zijn.

Dat is bij elkaar meer dan in jaren vertoond is. Het is te weinig. In Europa kunnen we ons moeilijk handhaven als we niet toekomen aan een lager minimumloon, lagere en eenvoudiger belastingen en een overheidsschuld die niet jaarlijks 13 procent van onze uitgaven aan rente kost. Een paar aandachtspuntjes. En ter bemoediging: in 1989 stond Nederland 46 miljoen uur in de file (voor 975 miljoen gulden). Daar liggen we goed op schema.