Optimistisch Planbureau tevreden met begrotingsbeleid van Kok; Dalende investeringen blijven internationaal op hoog niveau

De Nederlandse overheid zit gevangen in een vicieuze cirkel. Minister Kok van financiën, die overigens het nut van de overheid in het algemeen onderstreept, twijfelt niet aan de noodzaak om het financieringstekort in 1992 verder te reduceren. Helaas remt elke gulden die hij ombuigt de economie, die de komende maanden toch al onder druk staat, nog verder af. Met alle gevolgen voor het overheidstekort en de collectieve lastendruk, kortom, voor de integriteit van het kabinet.

Directeur Zalm van het Centraal Planbureau spreekt in de jongste Macro Economische Verkenning onomwonden van een “pro-cyclisch begrotingsbeleid”. Toen de economie in 1989 en 1990 groeide en bloeide bleef een forsere reductie van het financieringstekort, alle retoriek ten spijt, achterwege. Maar nu er sprake is van conjuncturele tegenwind blijven de normen van het regeerakkoord gehandhaafd, met alle pijn vandien. Een keuze die Zalm overigens best kan waarderen: hij spreekt over “een hele prestatie” en “een imposante inspanning”.

Nederland keert dit jaar en volgend jaar terug naar de “duale economie”; de cijfers van het Planbureau spreken duidelijke taal. De produktiegroei van de bedrijven - bijna 5 procent in 1990, amper 2 procent in 1991 en 1992 - steunt volgend jaar bijna geheel op de uitvoer. Voor zover de consumptie nog iets stijgt is dit louter omdat de gezinnen interen op hun spaargeld. Voor de investeringen tekent zich echter een duidelijke daling af.

De overheidsbezuinigingen, gevoegd bij de beperkte reële loonstijging waarmee het Planbureau rekent, hebben tot gevolg dat de groei van het reëel nationaal inkomen - in 1989 en 1990 nog 4,6 procent - dit jaar met de helft terugvalt en volgend jaar opnieuw halveert tot amper 1 procent.

Het Planbureau wil deze “somberheid” echter onmiddellijk “relativeren”. Door de oriëntatie van de uitvoer op Duitsland en een sterk stimulerend Nederlands begrotingsbeleid in 1989 en 1990 (de laatste jaren van het kabinet Lubbers-II) kwam de groei van de Nederlandse economie de afgelopen twee jaar uit boven het EG-gemiddelde. De terugval in Nederland is, nu de Duitse invoergroei afneemt en de Nederlandse overheid de budgettaire teugels aanhaalt, “onvermijdelijk”. Overigens komt de Nederlandse groei pas in 1992 onder het EG-peil.

Bovendien noemt het Planbureau structurele en conjuncturele redenen voor optimisme. De groei van de uitvoer, die in de tweede helft van dit jaar terugvalt tot nog geen 2 procent op jaarbasis (tegen ruim 5 procent in de eerste helft), kan zich reeds in de eerste helft van 1992 herstellen tot 6 procent. Dit als gevolg van een verbeterde prijsconcurrentiepositie op andere markten dan Duitsland. Dank zij deze export-locomotief zou na de jaarwisseling 1992-1993 ook de binnenlandse economie kunnen opleven.

Maar ook structureel is er grond voor optimisme. De strijd tegen arbeidsongeschiktheid en ziekteverzuim kan het aantal inactieven en de collectieve lastendruk doen dalen. De grotere fiscale stimulans voor werkenden, plus het niet geheel compenseren van de uitkeringen voor de inflatie, kunnen de positie op de arbeidsmarkt van in het bijzonder de lagere inkomensgroepen verbeteren.

Tenslotte, voegt het Planbureau hier aan toe, biedt het huidige investeringsniveau “goede vooruitzichten voor een hervatting van een hoger tempo van economische groei”. Want, ook al mogen de investeringen dan volgend jaar dalen, het niveau blijft “zowel in historisch als in internationaal perspectief op een hoog niveau”. Overigens investeert het Nederlandse bedrijfsleven veel en veel meer in het buitenland dan andersom: in 1989 ging 167 miljard naar elders en kwam 105 miljard terug. Dit hoewel het rendement op de uitgaande investeringen duidelijk lager is dan dat op de inkomende (9,3 procent tegen 12,1 procent).

Inmiddels leidt de groeiende uitvoer en de stagnerende invoer volgend jaar wèl tot een verdere stijging van het overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans. Dit nationale spaaroverschot neemt waarschijnlijk toe tot 25 miljard gulden, c.q. 5 procent van het nationale inkomen en méér dan het financieringstekort van het Rijk. Lubbers en Kok zouden dit spaargeld, opgepot bij de pensioenfondsen, graag voor binnenlandse investeringen willen gebruiken, maar het ontbreekt hen aan mogelijkheden daartoe.

De verdere sanering van de collectieve sector is voor een deel een doel op zich. De stijgende rentelasten (plus 2 miljard tot bijna 27 miljard gulden in 1982) verdringen andere, nuttiger uitgaven. En de druk van belastingen en premies, die overigens - tot veler verrassing - de afgelopen vijftien jaar nauwelijks is gestegen, is met 51,8 procent nog altijd hoog. Daarnaast hoopt het kabinet dat vasthouden aan de doelstellingen van het regeerakkoord een psychologisch effect heeft op ondernemers en hun investeringslust.

Dit voorjaar luidde president Duisenberg van De Nederlandsche Bank de alarmklok over het financieringstekort. Over de twaalf maanden tot en met april bereikte het tekort een top van liefst 6,7 procent van het nationale inkomen. Over de twaalf maanden tot en met juli was het weer gedaald tot 6,0 procent en volgens de Miljoenennota “was deze ontwikkeling iets gunstiger dan verwacht op basis van het normale patroon van uitgaven en ontvangsten en rekening houdend met incidentele factoren”.

Dus houdt minister Kok, ondanks de huidige laagconjunctuur, vast aan de doelstellingen van het regeerakkoord. Dus 4,75 procent van het nationaal inkomen in 1991 en 4,25 procent in 1992. Het Centraal Planbureau, dat voor 1991 nog met Financiën op één lijn zit, komt voor 1992 hoger uit: 4,4 procent. Waarbij wel mag worden bedacht dat ditzelfde Planbureau in april j.l. voor 1992 nog een tekort van 5,3 procent in het vooruitzicht stelde. Het Planbureau heeft die sombere prognose dus inmiddels ingeslikt.

Kok toont zich ook anderszins recht in de leer. Waar hij in 1991 nog het voorbeeld van zijn voorganger Ruding volgde en enthousiast gebruik maakte van kunstgrepen zoals kasverschuivingen, versnelde belastinginning, en de verkoop van staatsdeelnemingen, wil hij vanaf 1993 korte metten maken met die kwalijke gewoonte. Volgens Financiën zou het totaal aan zulke “incidentele posten” afnemen van 3,6 miljard gulden in 1991 tot 2,3 miljard in 1992 en wellicht nul in 1993.

Of dat lukt is natuurlijk een tweede. Het Planbureau merkt op dat vaak pas in de loop van het jaar de toevlucht tot dit soort praktijken wordt genomen. Voor 1992 staat al de verkoop van schoolgebouwen op het programma (opbrengst 0,6 miljard), terwijl ook het buiten de begroting laten van studieleningen - vroeger wel op de begroting maar sinds de mislukte verzelfstandiging niet meer - discutabel is.

Interessant is de Planbureau-analyse van de jaren tachtig. Modelmatig is onderzocht wat er economisch zou zijn gebeurd als de koppeling van lonen en uitkeringen na 1979 was gehandhaafd en het minimumloon niet was bevroren. De uitkomst is dat de totale werkgelegenheid in 1990 circa 150.000 personen lager was uitgekomen, bij een iets hogere belasting- en premiedruk en een iets lager overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans.

Daarnaast is onderzocht wat er gebeurd zou zijn als de lonen niet waren gematigd. Verondersteld werd daarbij dat het aandeel van de arbeid in het nationale inkomen (de arbeidsinkomensquote) tussen 1980 en 1990 niet was gedaald van 92 naar 79 procent, maar stabiel was gebleven. De werkgelegenheid valt nu 265.000 personen lager uit, bij een fors hogere collectieve lastendruk. Het overschot op de lopende rekening zou zijn verdwenen.

Hoewel het Planbureau voor 1992 rekent op loonmatiging en de overheid van plan is lonen en uitkeringen te ontkoppelen, verwacht het Planbureau daarvan pas op enige termijn gunstige effecten. In 1992 zou de werkgelegenheid, die in 1990 nog met 180.000 personen (104.000 arbeidsjaren) toenam en in 1991 waarschijnlijk met 90.000 personen (50.000 arbeidsjaren) groeit, nog slechts met 15.000 personen groeien. In arbeidsjaren uitgedrukt zou zelfs sprake zijn van een daling met 8.000.