Mini-stelsel voor sociale zekerheid

Er is een openbare discussie nodig over de grondslagen van de verzorgingsstaat, hebben wij gezegd. De onbestuurbaarheid van de publieke sector, zeker in een tijd van geringe economische groei, dwingt tot een diepgaande bezinning. De elkaar opvolgende bezuinigingsrondes veroorzaken onrust en toenemende sociale spanningen. Geen wonder, want de mensen die op uitkeringen zijn aangewezen voelen zich bedreigd in hun rechtszekerheid en bestaanszekerheid. Vooral daarom moet er helderheid worden verschaft over de mogelijke perspectieven van de sociale zekerheid.

Als platform voor de discussie denk ik eerder aan het politieke niveau dan aan het geformaliseerde overleg in de Sociaal-Economische Raad. Misschien dat de nota sociale zekerheid die minister De Vries in zijn begroting aankondigt een gerede aanleiding biedt.

Het gesprek tussen het kabinet en de drie vakcentrales heeft het meningsverschil over de WAO-operaties niet kunnen overbruggen, integendeel, de sfeer lijkt nog meer te zijn verziekt. Deze ontmoeting was het voorbeeld hoe een praktische discussie niet moet worden gevoerd. De partijen wantrouwden elkaars bedoelingen en twijfelden aan de waarachtigheid van de toezeggingen die over en weer werden gedaan.

De vakcentrales beschouwden het aanbod van het kabinet om een eind aan de bevriezing van de WAO-uitkeringen te maken wanneer het aantal arbeidsongeschikten tot een niveau van 1989 daalt, terecht als een loos gebaar. Ieder weet immers dat deze doelstelling voor 1994 onhaalbaar is, zelfs met de draconische maatregelen die het kabinet voorstelt.

Van zijn kant weigert het kabinet het tegenvoorstel van de vakbeweging serieus te nemen. Dit hield in de verantwoordelijkheid voor de ziektewet en de WAO ten dele naar het bedrijfsleven over te hevelen. Het gesprek had veel weg van een zwarte pietenspel. Het kabinet verwachtte dat de vakcentrales in ruil voor de toezegging die geen concessie mocht heten, bij voorbaat akkoord zouden gaan met een ingreep in de uitkeringsrechten als zou blijken dat het volumebeleid onvoldoende resultaten oplevert. De vakbeweging wordt daardoor voor de onmogelijke taak geplaatst het bewijs te leveren dat alleen met preventieve maatregelen het aantal WAO'ers zo snel kan worden teruggedrongen dat prijsmaatregelen niet meer nodig zijn.

Dit is een manier van onderhandelen die met zekerheid tot mislukking leidt. Van de vakbeweging kan niet meer worden beweerd dat ze zich ingraaft in stellingen om zich tegen iedere aanslag op de sociale zekerheid te verzetten. Er komen ideeën op tafel, zoals het plan van de Industriebond FNV om ziektewet en WAO samen te voegen in een regeling die beter beheersbaar is dan de bestaande, afzonderlijke arrangementen.

De plannen van het kabinet hebben in elk geval de verdienste dat zij een discussie los maken die de creativiteit van de tegenstanders aanscherpt.

Ik houd het niet voor ondenkbaar dat we naar een stelsel gaan waarin alleen nog het basisniveau van de sociale uitkeringen via publieke middelen wordt gegarandeerd. Zo'n systeem waarin ruimte ontstaat voor vrije maatschappelijke en individuele keuzes zou het centrale gespreksonderwerp moeten zijn.

Ik ben er nog niet van overtuigd dat onze samenleving de voorkeur geeft aan zo een mini-stelsel. De discussie die daarover moet worden gevoerd zal zich daarom niet moeten beperken tot de financiële houdbaarheid en de inkomensgevolgen. Het zal ook moeten gaan over de normatieve uitgangspunten. Het debat over de WAO heeft immers duidelijk gemaakt dat een eenzijdige ingreep in opgebouwde, niet verkregen, uitkeringsrechten als een schending van de rechtsgronden wordt gevoeld.

De discussie zal alleen tot een redelijke uitkomst kunnen leiden als de deelnemers afzien van pogingen elkaar te manipuleren en in een hoek te drijven. Er kan alleen iets van worden verwacht als de partijen elkaars argumenten serieus nemen. Dat vereist openheid en bereidheid om afstand te doen van verouderde argumenten en retoriek.