Kabinetsvoorstellen WAO en Ziektewet

De WAO- en Ziektewetvoorstellen van het kabinet zijn:

Een werknemer moet elke keer dat hij zich ziek meldt 1 vakantiedag inleveren, maar krijgt nooit minder dan vier weken vakantie. De werkgever moet de lasten van de eerste zes weken verzuim van een zieke werknemer voor eigen rekening nemen. Heeft een werkgever minder dan 15 werknemers in dienst, dan geldt een maximum van drie weken. Het loon dat een zieke werknemer krijgt, wordt met ingang van de nieuwe CAO's verlaagd van 100 naar 70 procent. Werkgevers en werknemers kunnen aanvullingen overeenkomen. Een volledig arbeidsongeschikte krijgt na de Ziektewet een WAO-uitkering van een jaar, die 70 procent van zijn laatst verdiende loon bedraagt. Of hij na dat ene jaar nog recht heeft op deze WAO-uitkering van 70 procent, hangt af van het aantal gewerkte jaren. Hij moet meer dan 15 jaar hebben gewerkt om voor langer dan 1 jaar recht te krijgen op een WAO-uitkering van 70 procent. Deze duurt maximaal vijf jaar. Na afloop van de "WAO-uitkering' krijgt de arbeidsongeschikte recht op een blijvende invaliditeitsuitkering waarvan de hoogte afhankelijk wordt van het laatst verdiende loon en het aantal gewerkte jaren. Deze berekeningssystematiek gaat uit van de AAW-uitkering (minimumniveau). Daar bovenop krijgt de arbeidsongeschikte voor elk jaar dat hij vanaf zijn 18de jaar heeft gewerkt 1,75 procent van het verschil tussen het laatst verdiende loon en het minimumloon. Voor werknemers én arbeidsongeschikten die op 1 juli 1992 vijftig jaar of ouder zijn verandert er niets. Alle huidige arbeidsongeschikten die op 1 juli 1992 jonger dan vijftig jaar zijn, vallen onder een overgangsregime. Voor de duur van hun WAO-uitkering van 70 procent gaat wel de nieuwe regel gelden en is hun arbeidsverleden dus bepalend. Na afloop wordt hun uitkering bevroren. In guldens blijft de uitkering daardoor gelijk, totdat het bedrag zit op het niveau van het nieuwe systeem.