Hollands paternalisme past niet in Joegoslavië

Elf weken burgeroorlog in Joegoslavië: duizend mensen zijn gedood, duizenden gewond, tweehonderdduizend mensen op de vlucht geslagen. Tientallen dorpen zijn vernield. Gemeenschappen die generaties en zelfs eeuwen vreedzaam naast elkaar hebben geleefd zijn verstoord en gescheiden door een muur van haat. Families zijn uiteengereten. Tweehonderd kerken en kloosters zijn verwoest. De economie is ingestort.

En het geweld breidt zich uit, van Kroatië naar de volgende brandhaard, Bosnië, naar Belgrado, waar de eerste terroristische aanslagen dit weekeinde zijn gepleegd in de vorm van zes autobommen. Het conflict krijgt ook een internationale dimensie: Hongarije moet machteloos toezien hoe vrijwel dagelijks de Joegoslavische luchtmacht het Hongaarse luchtruim schendt, moest maandag een grenspost sluiten omdat de Serviërs met hun artilleriegeschut Hongaars gebied troffen en ziet dagelijks meer vluchtelingen komen om wie de wereldgemeenschap zich pas zal bekommeren als de Hongaren het zelf niet meer redden.

De maskers zijn gevallen: in de oorlog heeft het Joegoslavische Volksleger nu eindelijk overduidelijk partij gekozen voor de Servische milities. Het is op zich niets nieuws: het federale leger heeft vanaf het begin, al vóór de Kroaten eind juni hun onafhankelijkheid uitriepen, de Serviërs gesteund. Maar heel lang hebben legercommandanten de buitenwereld nog zand in de ogen kunnen strooien met geruststellende mededelingen dat het er hen alleen maar om te doen was de vechtende partijen te scheiden. Ook dat is nu voorbij. Wie vanaf oorlogsschepen dorpen onder vuur neemt, scheidt geen partijen. Wie binnen twee dagen duizend granaten op een bewoonde stad afvuurt, scheidt geen partijen. Wie wekenlang een dorp als Kostajnica bombardeert, scheidt ook geen partijen (toen zondag Kostajnica na de verdrijving van de Kroaten werd "schoongemaakt' - een militair eufemisme, afkomstig van het persbureau Tanjug - werden er honderd lijken van Kroaten aangetroffen). En wie uitdrukkelijke opdrachten van het politieke opperbevel negeert door door te blijven vechten, scheidt al evenmin partijen. Integendeel: het optreden van het Volksleger, de luchtmacht en de marine is erop gericht zoveel mogelijk Kroaten van zo'n groot mogelijke lap Kroatische grond te verdrijven - niets meer en niets minder. Tenslotte, als er straks een door Servië gedomineerd rest-Joegoslavië ontstaat naast een geamputeerd onafhankelijk Kroatië, heeft het Volksleger alleen maar belang bij een zo groot mogelijk Groot-Servië en een zo klein mogelijk Kroatië.

Zo is de strijd in Kroatië ontaard in een ordinaire oorlog met middeleeuwse dimensies (afgezien van het aantal slachtoffers, dat in de middeleeuwen vaak tamelijk beperkt bleef): roofridders trekken tegen elkaar op, de één niet beter dan de ander, zonder mededogen ten aanzien van het menselijk leed in eigen of andermans gelederen. Een drama zonder helden. Op één na misschien: Henri Wijnaendts, de EG-ambassadeur die met moed, doodsverachting en een bewonderenswaardig optimisme fronten blijft afreizen om de lokale krijgsheren tot vrede te bekeren. Een tragische held, want die krijgsheren, trots en ijdel zoals het middeleeuwse roofridders betaamt, weigeren mee te doen als op de officiële wapenstilstandsovereenkomst niet staat vermeld dat ze president van het Autonome Gebied Zus of de Onafhankelijke Provincie Zo zijn, en slaan, als ze wél tekenen, weer aan het schieten zodra Wijnaendts zijn hielen heeft gelicht.

De EG blijft intussen achter de feiten aanhollen. Ze heeft dat al gedaan sinds ze op het onzalige idee kwam zich actief te gaan bemoeien met de Joegoslavische kwestie en op Brioni een akkoord tot stand bracht waarin ze er van uit bleef gaan dat Joegoslavië kon worden gered: als de Kroaten en de Slovenen hun onafhankelijkheid maar even opschortten, zou er aan de onderhandelingstafel wel even een leuke oplossing kunnen worden uitgedacht. Daarmee ging de EG toen al voorbij aan feiten - het feit bijvoorbeeld dat de Joegoslavische leiders al twee jaar zonder enig resultaat aan die onderhandelingstafel hadden gebivakkeerd en het feit dat er voor Kroatië en vooral Slovenië, aangevallen als het was door het federale leger, toen al geen weg terug meer bestond.

Zelfs duizend doden, tweehonderdduizend vluchtelingen, tientallen verwoeste dorpen en een door veel Kroatisch-Servische onverzoenlijkheid gedomineerde openingszitting van de EG-conferentie later, lijkt minister Van den Broek nog altijd te geloven in de illusie Joegoslavië. Er komt, zo zei hij zaterdag, geen erkenning van Kroatië en Slovenië. En hij liet daar nog een paar vriendelijke vermaningen op volgen: de Kroaten moesten vooral het leger met rust laten en de omsingeling van die kazernes opgeven. En het leger moest zo sportief zijn de Kroaten met rust te laten. En terwijl Van den Broek dat zei regende het mortiergranaten op Osijek en vluchtten in Zagreb burgers de schuilkelders in.

De vermaningen van Van Den Broek deden denken aan de vader die vanuit de deuropening roept dat zijn koters vooral op de stoep moeten spelen terwijl die koters midden op straat met fietskettingen bejaarde voorbijgangers doodslaan: hij zat er met zijn oproepen een paar dimensies en een paar werelden naast. Hollands paternalisme en Hollandse naïviteit vanuit een verre leunstoel, terwijl elders de slachting gewoon doorging. No sports, die Joegoslaven.

Hans-Dietrich Genscher, de Duitse minister die al tijden dreigt de onafhankelijkheid van Kroatië en Slovenië te erkennen, is intussen geen roepende in de woestijn meer: ook Italië en België lijken zich te bekeren tot dat denkbeeld. Het werd tijd. Want de argumenten die vanaf het begin tegen zo'n erkenning werden aangevoerd - het fait accompli van een erkenning, het isoleren van een strijdende partij die nog aan de onderhandelingstafel kan worden genood, namelijk Servië - zijn uitgeput.

Praten heeft geen zin en heeft nooit veel zin gehad: er wordt al jaren gepraat en al dat gepraat heeft uiteindelijk alleen maar gediend als rookgordijn waarachter de Servische roofridder Milosevic eerst Kosovo en Vojvodina opslokte en vervolgens Kroatië en Slovenië zozeer van zich en zijn federatie vervreemdde dat ze uit arren moede voor de onafhankelijkheid kozen. De Joegoslavische leiders zijn aanhangers van het fait accompli, de Kroaten en Slovenen hebben hun onafhankelijkheidsverklaring als voldongen feit bedoeld, en de Serviërs en de federalen werken nog elke dag met het voldongen feit van wéér een stukje veroverd Kroatisch gebied.

Het zou daarom het beste zijn de paternalistische vermaningen achterwege te laten en zich aan te passen aan de regels van het spel dat de Joegoslaven zelf spelen, hoe navrant dat woord in de bloedige context ook is: als de EG - en in het kielzog van de EG een aantal andere landen die ertoe doen - de onafhankelijkheid van Kroatië en Slovenië erkent en daarmee de Serviërs en de federalen confronteert met een voldongen feit, kan er héél misschien voor de benarde Kroaten nog iets worden gedaan. Het zou van grote wijsheid getuigen als die stap kan worden gezet voordat de laatste Kroaat is afgeslacht en er niks meer te erkennen valt. Op langere termijn is die erkenning onontkoombaar - het zou de EG sieren ertoe over te gaan nu zo'n stap nog levens kan redden.

Kroatië en Slovenië dienen niet te worden erkend omdat het zulke prettige democratieën zijn naast het lelijke Servië: op de Kroatische en de Sloveense democratie is heel veel aan te merken en de Kroatische president Tudjman is bovendien in hoge mate mede-verantwoordelijk voor de escalatie van het conflict tot en met het huidige bloedvergieten. Maar Kroatië en Slovenië moeten worden erkend omdat dat wellicht een mogelijkheid biedt de spiraal van geweld en leed te doorbreken.

Ook het jongste denkbeeld - vredestroepen - is een gedachte uit een wereld die althans voorlopig erg ver ligt van die waarin de Joegoslavische warlords zich bewegen. Vredestroepen hebben alleen zin als ze worden geaccepteerd door alle partijen. De Serviërs hebben tot nu toe het idee van een internationale strijdmacht scherp afgewezen - en ze hebben daar ook, van hun standpunt gezien, alle reden voor: de Serviërs vechten liever door tot ze hebben wat ze willen hebben. En zolang de Serviërs die vredestroepen niet accepteren, zullen ze er niet komen. En zou iemand zo onverstandig zijn ze toch te sturen, dan zitten ze in Joegoslavië als vijanden van een vechtende partij en aldus als levende schietschijven voor lieden die dankzij Tito's idee van de volksdefensie een heel wat gedegener opleiding in guerrillatechnieken hebben gehad dan dienstplichtigen uit brave nette landen als Nederland, Denemarken of Frankrijk.

Het idee van de vredestroepen is de zoveelste ontkenning van de werkelijkheid. Joegoslavië is Balkan, en Balkan betekent regionalisme, lokale belangen en tradities, fragmentatie, verscheidenheid en in sommige delen van het gebied tribale versplintering. Nog maar een mensenleeftijd geleden bestond een miniland uit Albanië uit twintig of meer republiekjes en prinsdommetjes.

Het Joegoslavië van gisteren is allang dood. Joegoslavië heeft een nieuwe vorm aangenomen: er zijn twee afgescheiden republieken, en er is een rest die bestaat uit een Groot-Servië dat zijn kans schoon ziet en die niet laat lopen, een angstig Bosnië, een angstig Macedonië, een geterroriseerd Kosovo en een Montenegro dat met de Serviërs onder één hoedje speelt.

Dat zijn feiten. Dat ze onplezierig zijn is jammer, maar het blijven feiten. Als de EG zich dan echt met het voormalige Joegoslavië wil bemoeien, kan ze zich beter bij de feiten neerleggen dan een ordinaire burgeroorlog te blijven bezien vanuit haar eigen luxueuze Westerse fatsoen, inclusief de oude, naïeve illusies waar niemand in het strijdgebied nog boodschap aan heeft.

De burgeroorlog in Joegoslavië vergde al duizend doden en duizenden gewonden. Een nog veel groter aantal mensen, voor een groot deel Kroaten sloeg op de vlucht. een aantal van hen kleding uitgereikt in Osijek (foto Henk Langeveld)