Hardnekkig verzet president Kenia tegen democratisering

NAIROBI, 17 SEPT. “De Kenianen kunnen trots op zichzelf zijn, zij hebben het meer-partijenstelsel afgewezen. Het meer-partijenstelsel is overal in Afrika mislukt.” De Keniase president Daniël arap Moi klinkt zelfverzekerd wanneer hij de grote mensenmenigte toespreekt, arrogant bijna. Moi gaf de bevolking nooit de keuze zich uit te spreken over het gewenste politieke bestel, maar feliciteert de Kenianen nu toch dat zij zijn standpunt hebben geaccepteerd.

De Keniase president verbood vorig jaar iedere openbare discussie over het meer-partijenstelsel en zette enkele prominente voorstanders van dit systeem zonder vorm van proces een jaar in de cel. Veiligheidstroepen schoten vorig jaar met scherp op betogers die pleitten tegen de huidige één-partijstaat. Voor een door de illegale oppositie geplande bijeenkomst begin volgende maand werd geen toestemming gegeven door Moi. “De organisatoren willen jongeren bhang (marihuana) voeren waarna dezen op 5 oktober tegen de regering zullen demonstreren”, gaf de president als reden voor dit verbod.

Het geduld van de illegale oppositie raakt op. “Confrontatie is bijna onvermijdelijk geworden”, zegt oppositieleider Raila Odinga. “Als je tegen een dove man praat, blijft je geen andere keuze. Moi verstaat geen andere taal. Let op, in oktober zullen we een andere taal gaan spreken. Misschien gaat het de kant uit van Madagascar.”

Met groeiend zelfvertrouwen spreekt de Keniase oppositie. De honderdduizenden demonstranten die vrijwel dagelijks in Madagascar de straat optrekken, het naderende einde van de eens zo onaantastbaar lijkende Zaïrese leider Mobutu, de voortdurende vernedering van Kaunda door de Zambiaanse oppositie, alle tekenen in Afrika geven de oppositie hoop dat door de democratiseringsgolf elders ook de Keniaanse politieke elite onder druk zal komen te staan. Moi blijft echter hardnekkig weigeren om een pluriform democratisch bestel in te voeren. Kenia loopt niet in de pas met de ontwikkelingen elders op het continent.

Radicalisme is geen kenmerk van Kenia's recente geschiedenis. De Mau Mau, de verzetsbeweging van “illegale” Kikuyu-boeren in de jaren vijftig in de vruchtbare “blanke” hooglanden was de laatste poging tot revolutie. Enkele jaren voor de onafhankelijkheid in 1963 kregen de Britse kolonisten deze opstand onder controle. Daarna vervulde de nieuwe Afrikaanse elite onder president Kenyatta en vervolgens onder Moi de rol van stabiliserende factor. Radicale elementen werden ingekapseld door de politieke en zakelijke elite. Alleen in bijzondere omstandigheden hoefde het instrument van moord of detentie te worden toegepast op volhardende tegenstanders. Kenia was een van de stabielste staten van Afrika en lieveling van het Westen.

Het kost de oppositie moeite om dit positieve aanzien van Kenia te doorbreken en de politieke revolutie op gang te helpen brengen. “Het ligt aan de Britten”, zegt ex-parlementslid en nu opposant Martin Shikuku. “De Britten houden Moi in het zadel.”

Londen stelt zich mild op als het om de schending van de rechten van de mens in Kenia gaat. Dit in contrast tot de Verenigde Staten en Amnesty International. De Amerikaanse ambassadeur in Nairobi en het Congres in Washington nemen iedere politieke detentie in Kenia onmiddellijk waar en protesteren. De EG neemt evenals Londen een terughoudende houding aan. In een onlangs geschreven opvallend intern rapport ondersteunen de EG-landen Moi's argument dat Kenia nog niet “rijp” is voor een meer-partijendemocratie.

Het ontbreekt de oppositie aan een goede organisatie. “In Zambia mocht de oppositie gebruik maken van de organisatie van de vakbonden, die altijd onafhankelijk waren gebleven van de overheid. Daarom loopt Zambia voor in het democratiseringsproces”, analyseert Raila Odinga. “In Kenia kunnen wij de vakbonden niet gebruiken, ze zijn handlangers van de staat. Daarom werken wij samen met de kerken.”

Vooral de protestanten nemen een steeds uitdagender houding aan tegenover de politieke heersers. Geestelijken als de anglicaanse aartsbisschop Manasses Kuria, bisschop Henry Okullu en de presbyteriaanse dominee Timothy Njoya prediken over verkiezingsfraude, corruptie, machtsmisbruik en repressie. Tot groeiende ergernis en vrees van de regering.

Van een hecht front tussen burgeroppositie en kerk is het niet gekomen. Samen met de oppositie zouden de kerken op een zondag eind juli een gebedsdag en processie organiseren voor vrede, democratie en rechtvaardigheid. Het politieke establishment dreigde met een confrontatie. “De geheime dienst kwam ons enkele dagen van tevoren vertellen dat er doden zouden vallen tijdens de illegale processie”, vertelt Raila Odinga. “Wij van de burgeroppositie zijn gewend geraakt aan dergelijke dreigementen. Toen de geheime agenten aartsbisschop Kuria intimideerden, hadden ze wel succes.” Kuria annuleerde de processie. Shikuku is nog steeds boos. “Kuria toonde zich een lafaard.” De meest recente poging van de oppositie om een voet tussen de deur te krijgen bij de regering is FORD, het Forum voor het Herstel van de Democratie. Eerdere pogingen van de oudgediende politicus en vader van Raila, Oginga Odinga, om een oppositiepartij te registreren, waren vastgelopen op de wet. Moi liet in 1982 de één-partijstaat vastleggen in de grondwet. FORD zal daarom proberen volgens de wet geen organisatie te zijn, het zal officieel niet meer dan negen leden tellen. “We gaan overal in het land onafhankelijke FORD-afdelingen oprichten met niet meer dan negen leden”, aldus Raila Odinga. Moi heeft inmiddels opdracht gegeven FORD te “vernietigen”. Met steeds meer durf uiten oppositieleiders zich, vooral tegen buitenlandse journalisten. Zij beschuldigen Moi persoonlijk van vermeend machtsmisbruik en corruptie. De onaantastbaarheid van een Keniase president maakte dergelijke kritiek tot voor kort absoluut ondenkbaar. De cultuur van zwijgzaamheid wordt doorbroken in Kenia.

De Keniase pers bericht op een geheel ander niveau dan de buitenlandse media over de rommelende machtsstrijd. Moi's integriteit wordt niet in twijfel getrokken. De president daagt Shikuku uit te verklaren hoe het ex-parlementslid enkele Mercedessen heeft kunnen verkrijgen. De volgende dag bijt de opvliegerige Shikuku van zich af: ik bezit helemaal geen Mercedessen. Een dergelijk antwoord is volgens de Keniase pers en parlementsleden ongepast. Men spreekt de president nooit tegen.

Steeds meer waarnemers twijfelen er aan of Moi over de flexibiliteit en wijs inzicht beschikt om democratische hervormingen te begeleiden. “Moi wordt ouder en zijn politieke slagaders verharden zich”, stelt een EG-rapport. De politieke kliek rondom Moi is te zelfzuchtig geraakt, meent Shikuku. “Ik spreek nog weleens met ex-collega's in de regering of de partij”, vertelt Shikuku. “Ze zeggen tegen me: ga door met je oppositie. Zelf durven ze hun mening niet te geven in het openbaar, want ze hebben leningen afgesloten bij de overheid. Het hoofdkwartier van corruptie in Kenia is het parlement.” Hoewel verdeeld kan de illegale oppositie vermoedelijk in de steden op steeds meer aanhang rekenen. Door de starre houding van de overheid groeit de sympathie voor de oppositie. Maar de oppositie mist nog stootkracht, voorlopig duurt de politieke impasse in Kenia voort. “Als de economische crisis zich verdiept, dán zal de bevolking in opstand komen”, is Shikuku's laatste hoop.

Foto: President arap Moi (hier tijdens de plechtigheden op 26 maart 1988 bij de aanvang van zijn derde vijfjarentermijn): “De Kenianen kunnen trots op zichzelf zijn, zij hebben het meer-partijenstelsel afgewezen”. (Foto AP)