EG-hulp maakt boterbergen niet kleiner

BRUSSEL, 17 SEPT. De grote hoeveelheden voedsel die de Europese Gemeenschap aan Oosteuropese landen levert in het kader van de voedsel- en noodhulp hebben nauwelijks enige invloed op de voorraden aan landbouwprodukten die in pakhuizen en silo's in de EG liggen opgeslagen.

De substantiële 250 miljoen ecu (575 miljoen gulden) aan voedselhulp die de EG voor 1991 voor de Sovjet-Unie heeft uitgetrokken wordt bijvoorbeeld besteed aan 108.000 ton verschillende landbouwprodukten, maar op de omvang van de interventievoorraden van de EG heeft dat vrijwel geen invloed.

Aan Albanië beloofde de EG dit jaar 50.000 ton te leveren, een hoeveelheid die waarschijnlijk zal worden verdubbeld. Maar dan nog zullen de pakhuizen overvol blijven. De woordvoerder van landbouwcommissaris MacSharry illustreerde dat gisteren met de volgende getallen: aan granen heeft de EG een reserve van 18 miljoen ton, aan rundvlees 800.000 ton, aan olijfolie 44.000 ton, aan boter 390.000 ton, aan melkpoeder 500.000 ton en aan tabak 106.000 ton.

De enorme voorraden zijn het gevolg van de al tientallen jaren bestaande EG-politiek om landbouwprodukten waarvan overschotten bestaan op te kopen om op die manier de markt in evenwicht te houden en het inzakken van de marktprijs te voorkomen. De prijs waarvoor de EG landbouwprodukten koopt is vast en geldt als garantieprijs: als de marktprijs onder dat niveau zakt, dan kunnen produkten ter interventie worden aangeboden.

Soms leiden Oosteuropese verzoeken om specifieke produkten, waarvoor geen interventie bestaat, zoals suiker en kaas, tot misverstanden: zo kreeg Roemenië onlangs de keuze uit zes verschillende soorten kaas, maar de Roemenen zeiden alleen Cheddar, feta, Gouda en Edammer te willen hebben, produkten waarvan geen interventievoorraden bestaan. Uiteindelijk gingen de Roemenen akkoord met het aanbod van 1200 ton feta, maar dat moest dan wel feta van koeiemelk zijn.