De eenzame coalitie

EEN DEEL VAN HET raderwerk stond vanmiddag stil en onderwijl sprak de koningin in de Troonrede: 1992 wordt geen gemakkelijk jaar, internationaal, noch nationaal. Binnen in de Ridderzaal zaten een kabinet en een volksvertegenwoordiging waarvan het overgrote deel in 1989 te kennen gaf dat dit de coalitie was om de jaren negentig mee in te gaan. Buiten klonken de protesten van kiezers die zich niet meer herkenden in hun partij, van vakorganisaties die de begroting bestempelden als “absoluut dieptepunt” en van werkgeversorganisaties die de “vraatzucht” van de collectieve sector hekelden.

De eenzame coalitie zit al weer op de helft. Het oogstjaar moet beginnen, maar niemand heeft trek in de produkten die van het veld komen. De regering toont begrip. “Heel begrijpelijk is immers het verlangen nu niet lastig gevallen te worden met de zorg voor morgen. Heel begrijpelijk is eveneens het verzet tegen verandering van wetten, regelingen en voorzieningen als groepen burgers daarvan ook nadelen zullen ondervinden”, aldus de Troonrede. Maar de werkzaamheden gaan door, want de regering “wil en kan” niet anders “dan kiezen voor de toekomst”.

HET KABINET Lubbers-Kok trad twee jaar geleden aan en het land wachtte gespannen op het compromis tussen de verkiezingsleuzen "Verder met Lubbers' en "Tijd voor een ander beleid'. Het compromis bleek inertie te heten. Terwijl het kabinet beslissingen voor zich uitschoof, verslechterden de economische omstandigheden. De prijs wordt volgend jaar betaald: oplopende werkloosheid, afnemende werkgelegenheid, stijgende collectieve lasten, een inflatie die zich op een voor Nederlandse begrippen hoog niveau stabiliseert. Bij dit alles is één lichtpunt: het financieringstekort daalt volgens het afgesproken tijdschema naar 4,25 procent van het nationaal inkomen.

Van gebrek aan dadendrang kan het kabinet nu niet meer worden beticht - de Troonrede was in tijden niet zo lang - alleen, is het maatschappelijk draagvlak er nog voor te vinden? Trefwoorden in het voorgenomen beleid zijn vergroting van de arbeidsparticipatie, afslanking bij de overheid, decentralisatie, verschuiving van consumeren naar investeren en verdere vereenvoudiging van het belastingstelsel. Het zijn stuk voor stuk aanzetten voor de noodzakelijke “grote verandering” om Nederland een betekenisvolle positie in het integrerende Europa te geven.

ALS DE interne Europese markt inderdaad op 1 januari 1993 een feit zou worden, dan is de vandaag gepresenteerde begroting het Nederlandse entreebewijs. Een kaartje dat slechts recht geeft op een plaatsje op de tweede rang. De economische groei blijft achter bij het EG-gemiddelde, de (nog steeds toenemende) staatsschuld valt volgend jaar met ruim 72 procent van het nationaal inkomen uit de toon bij de straks geldende Europese norm van 60 procent, het aantal werkenden ten opzichte van het aantal niet-werkenden is in Europees opzicht schrikbarend hoog, terwijl de omvang van de collectieve sector tot de grootste van Europa behoort.

In dit licht bezien zijn de stappen die de regering wil doen om hierin verandering te brengen miniem. Op papier ligt er weliswaar een fors ombuigingspakket van ruim tien miljard gulden, maar zo zeker als het onderdeel lastenverzwaringen is, zo onzeker of "zacht' is het onderdeel bezuinigingen. De voorraad schijnoplossingen voor structurele bezuinigingen is blijkbaar nog steeds niet uitgeput, en sommige macro-veronderstellingen zoals de verwachte loonontwikkeling zijn weer zeer optimistisch getoonzet om de rekening kloppend te krijgen.

OP HET TERREIN van het activerend arbeidsmarktbeleid worden nu enkele voorzichtige initiatieven genomen. De ingrijpende voorstellen van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid ten aanzien van het minimumloon waren helaas een stap te ver, maar in elk geval is de boodschap van het rapport overgenomen. De beste basis voor een gezonde economie is immers een zo groot mogelijke actieve beroepsbevolking. Wat dat betreft valt er in Nederland nog heel wat te doen. Want hoewel de bevolking tussen 15 en 64 jaar de afgelopen twintig jaar met twee miljoen mensen toenam, is de werkgelegenheid nauwelijks gestegen. Terugkeer naar het niveau van 1970 zou bijna een miljoen volledige banen vergen en dan nog loopt Nederland achter bij Duitsland. Zo bezien is het enige concrete voorstel, te weten een verhoging van het arbeidskostenforfait (bovendien nog gefinancierd door de inflatiecorrectie gedeeltelijk af te schaffen) uiterst bescheiden. Loonmatiging komt als gevolg van lastenverzwaring onder druk te staan.

Zowel premier Lubbers als minister Kok (financiën) heeft er de afgelopen dagen op gewezen dat het verminderen van subsidies leidt tot een lastenverzwaring voor de burger. Slechts een belastingverlaging zou dat effect kunnen elimineren. Bij de afweging om geld uit te trekken voor het verlagen van het financieringstekort dan wel voor het verlagen van de belastingen, heeft het kabinet dit jaar terecht gekozen voor het eerste. Maar het is te betreuren dat de kans op belastingverlaging nu geheel dreigt te verdwijnen. Want de in het regeerakkoord afgesproken norm voor de collectieve lastendruk is geen optimum, maar een discutabel maximum.

DE PRESENTATIE van de begroting is dit keer nog wonderlijker verlopen dan voorgaande jaren. Allereerst was er de Tussenbalans die ten dele als een pre-begroting fungeerde. Vervolgens leidde de commotie rondom de WAO-plannen en de afschaffing van de koppeling tot het staatsrechtelijke novum dat de Tweede Kamer reeds begin september debatteerde over de formeel op de derde dinsdag van die maand te presenteren voorstellen. Het voordeel voor de regering is wel dat de Troonrede kon anticiperen op de reacties. Dat is dit jaar dan ook volop gedaan. Een gezamenlijke toekomst moet zijn gebaseerd op verbondenheid, zei koningin Beatrix vanmiddag.

De regering is met de WAO- en Ziektewet-voorstellen de Rubicon overgestoken. Het gaat om meer dan de voorstellen zelf; het betreft een noodzakelijke trendbreuk die veel verder gaat. Het is de aanzet voor een nieuwe kijk op de Nederlandse verzorgingsstaat, die zoals de vandaag gepresenteerde begroting weer eens aantoont, maar uiterst traag is aan te passen. Van belang is nu, wie er nog meer de oversteek maakt. De achterblijvers hebben zich heden gemanifesteerd. Lubbers en Kok staan vandaag tamelijk eenzaam aan de overkant. Van verbondenheid is niet veel te merken. Regeringen zijn er niet om applaus te ontvangen, wel om te motiveren. Die kans heeft het kabinet laten lopen. Nu volgt het omstreden oogstjaar en dan komt al weer het jaar waarbij de politiek in de ban is van nieuwe verkiezingen en de animo voor grote aanpassingen gering. De wereld verandert, Nederland hobbelt verder.