Brandbrieven

Zeven Nederlandse industriëlen baarden gisteren opzien met een brief waarin zij kabinet en Kamer vragen de voorgenomen verhoging van de milieuheffing op brandstoffen op te schorten. Die brief was niet bijzonder; dat ondernemers zich persoonlijk rechtstreeks mengen in een politieke discussie is dat wèl.

Individuele ondernemers laten het ventileren van hun mening graag over aan branche- en werkgeversorganisaties en aan informele contacten met de politiek.

De brief van gisteren bevatte de kritiek van zeven grote industriële energieverbruikers op de voorgenomen drastische verhoging van de heffing op brandstoffen en op de gedeeltelijke besteding ervan aan de financiering van het overheidstekort. Dat zijn twee trendbreuken, stellen ze. In de eerste plaats met het beleid dat gezonde - "energie-intensieve' - economische sectoren in Nederland wil stimuleren. Daarvoor zijn internationaal concurrerende energieprijzen nodig. En in de tweede plaats met het tot nog toe gevoerde milieubeleid, waarbij vervuilers betalen voor de milieuschade die ze veroorzaken. Een milieuheffing aanwenden voor andere dan milieudoelstellingen vinden de ondernemers oneigenlijk.

Die kritiek werd eerder al luid en duidelijk geuit door organisaties van chemiebedrijven (VNCI) en grootverbruikers van energie (SIGE). Wat bewoog de bazen van Shell Nederland, Hoechst Holland, Dow Benelux, DSM, Hoogovens, Akzo en KNP dan toch hun handtekening onder de "brandbrief' te zetten? Niets anders dan hun overtuiging dat de persoonlijke reactie van gepijnigde topondernemers meer gewicht in de schaal zou leggen dan de obligate reacties van belangenorganisaties.

De vergelijking dringt zich op met een eerdere brandbrief van topondernemers. In 1976 stuurden ze regering en parlement een open brief waarin ze smeekten om een andere koers. De welvaart van Nederland stond op het spel, schreven ze, en hun vertrouwen in de overheid was ernstig geschokt. De PvdA regeerde en de discussie over personeelraden en de vermogensaanwasdeling - verdeling van "overwinst' onder werknemers - woedde toen volop. Het was de tijd dat de economische verbeelding aan de macht leek te komen en de sociaaldemocraten de dirigistische economische ideeën ontwikkelden die in 1981 uitmondden in een verkiezingsprogramma met Centrale Ontwikkelingsplannen en gemeenschapsbedrijven.

Maar de brief van de ondernemers vond weerklank. VAD, centrale ontwikkelingsplannen en gemeenschapsbedrijven zijn er nooit gekomen.

Nu de PvdA weer in de regering zit, lijken opnieuw parallellen te trekken met 1976. Toch is de situatie bepaald anders. De PvdA gelooft weer in de werking van de markt en in een terughoudende overheid, wat de partij in ondernemerskringen minder omstreden maakt. En de huidige problematiek is beperkter dan het totale (sociaal-)economische beleid dat toen ter discussie stond. Waar de briefschrijvers van 1976 (Amrobank, Unilever, Akzo, Nationale-Nederlanden, Philips, VMF-Stork, RSV, Estel en Shell Groep) echt konden spreken voor het bedrijfsleven, daar zijn de briefschrijvers van nu "slechts' vertegenwoordigers van de chemie en enkele andere energieverslinders.

Nog een verschil met vijftien jaar geleden is dat de ondernemers toen de problemen slechts signaleerden en oplossingen aandroegen, terwijl ze deze keer expliciet dreigen met verschuiving van investeringen naar het buitenland en lagere uitgaven aan milieuzorg. Kennelijk hebben de hedendaagse "captains of industry' minder vertrouwen in het effect van de persoonlijke brandbrief dan hun voorgangers.