Bolivianen op de vlucht moeten in dit land wel zingen

Concert: Boliviaanse groep Yatiyana, opening van de serie Musica Americana. Gehoord: Soeterijn theater, Amsterdam. Herhalingen: 3-10 Utrecht; 4-10 Rotterdam.

Malagueeeeeeeeeeeeenha, zong half Nederland in de jaren '55-'56 in navolging van het trio Los Paraguayos. Het liedje verleidde niet alleen het publiek tot meezingen, ook collegae-vocalisten stortten zich erop. De Duitse zangeres Catherine Valente zong zich er mee naar een eerste plaats in de populariteitspoll van het toenmalige muziekblad Tuney Tunes, de muzikale parafraseur Tobi Rix (en zijn 'toeteriks') vernederlandste het met succes tot Malle vent ja (kom maar bij Rosa, heb jij zo'n last van die kliera di diera?).

Pas in 1970 drong Latijns-Amerika opnieuw tot de Nederlandse tophitlijsten door met El Condor pasa van Los Incas. Hoewel de Simon & Garfunkel-versie van dit weemoedige liedje nog veel hoger scoorde, leek de Nederlandse smaak de Zuidamerikaanse muziek toch weer even goed gezind. De door door Barclay uitgebrachte lp La Flute Indienne deed het in elk geval heel goed tussen Melanie en Shocking Blue.

Toch, een aantal rages daargelaten, de mambo vroeger en meer recentelijk de tango nuevo, drong de Spaansamerikaanse muziek hier nooit echt door. Voor de concertzaal werd ze meestal niet serieus genoeg geacht, voor de tophitlijst was ze juist niet glad genoeg. En als het al 'Spaans' moest zijn, dan wilde men toeristische troost van Julio Iglesias: honderd miljoen verkochte exemplaren van zestig lp's in vijf talen zijn er het bewijs van.

In navolging van Vredenburg gaat ook het Tropeninstituut nu iets doen aan het enorme Latijnsamerikaanse aanbod tussen populaire en klassieke muziek in. De daartoe opgezette serie Musica Americana begon zondag met een optreden van de Boliviaanse groep Yatiyana, dat in twee delen uiteen viel. Voor de pauze lag de nadruk op de stedelijke muziek die vaak gecomponeerd is en dus wat meer 'sophisticated' klinkt. De gitaar en de mandoline-achtige charango spelen een grote rol, de ritmiek is soms heel subtiel, de taal voor de liedjes is Spaans.

Na de pauze zongen de Yatiyana in hun oorspronkelijke talen: het Aymara en Quechua. De leden van de groep zijn van Indiaanse afkomst, net als 65 procent van hun landgenoten. De gitaar blijft in zijn standaard staan, trommels en fluiten gaan van hand tot hand, de muziek is recht-toe-recht-aan zoals dat hoort op bruiloften en partijen, waar ook ter wereld. Titels als Carnaval de Oruro en Fiesta Aymara spreken voor zichzelf, Jacha Uru betekent 'de Grote Dag',zoals de leider in heel verstaanbaar Nederlands meedeelt.

Is die 'Grote Dag' misschien die van El Regresso, de terugkeer naar huis, zoals de leider in even verstaanbaar Nederlands weet uit te leggen? De leden van Yatiyani spelen niet voor niets op Nederlandse pleinen en straten. Ze zijn gevlucht uit Bolivia (27 keer Nederland, nauwelijks zes miljoen inwoners) het armste en meest geperverteerde land van het subcontinent, berucht om zijn staatsgrepen en niet minder om zijn cocaine. Is het wellicht daarom dat de door Yatiyana zelfvervaardigde pansfluiten, ook in het vrolijk bedoelde repertoire zo hartverscheurend schreien?