WAO-dossier op snijtafel bij Kleine Commissie

AMSTERDAM, 16 SEPT. “Arbeidstherapie” noemt de WAO'er zijn vrijetijdsbesteding die bestaat uit het beslissen over sociale uitkeringen van anderen. Wekelijks werkt hij in het kantoorgebouw van het Gemeenschappelijk Administratie Kantoor (GAK) in Amsterdam aan de uitvoering van sociale wetgeving in verband met werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid door dossiers van uitkeringsgerechtigden “op de snijtafel” te leggen.

Benoemd door de vakbonden velt hij samen met een vertegenwoordiger van de werkgevers ten behoeve van een bedrijfsvereniging oordelen over de toekenning van WAO-uitkeringen, rechtvaardigheid van boetes, toekenning of weigering van een bijdrage voor scholing om iemand voor de arbeidsmarkt geschikt te maken.

De WAO'er doet dit werk niet op basis van een opleiding, maar op basis van zijn ervaring als vakbondsbestuurder. Hij weet wat de vakbondsachterban van hem verwacht. Hij oordeelt op grond van dossiers. Wie tegen de beslissing wil protesteren kan naar de Raad van Beroep of verder naar de Centrale Raad van Beroep.

Alle bedrijfsverenigingen hebben zo'n “Kleine Commissie” met meestal een nog actieve vakbondsbestuurder en een actieve vertegenwoordiger van de werkgeversorganisaties die heel ziek en werkloos Nederland aan hun oog voorbij zien gaan. Lidmaatschap van een Kleine Commissie betekent veel macht maar weinig aanzien, want het werk van de uitvoerders van het laatste uitkeringsoordeel gebeurt in grote stilte. Vakbondsvertegenwoordigers dragen hun vergoeding van meestal 425 gulden per vergadering af aan de bond die ze heeft gestuurd. Werkgeversvertegenwoordigers dragen het geld af aan hun organisatie of aan het bedrijf waarvoor zij werken.

G. Zomer, sinds tien jaar arts bij de Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD), zegt dat een Kleine Commissie zelden bezwaar heeft tegen een advies om iemand volledig arbeidsongeschikt te verklaren (officieel heet dat “tachtig tot honderd procent”). De Kleine Commissies wijken wel dikwijls af van adviezen om voor iemand scholing te betalen opdat hij een betere positie op de arbeidsmarkt krijgt.

Een voorbeeld uit een GMD-praktijk: een 22-jarige vrouw werkte als draaier in een kunststoffenindustrie. Wegens allergie was ze gedwongen met dat werk te stoppen. Als werkvoorbereider zou ze weer een goede kans op de arbeidsmarkt hebben. Daarvoor was een opleiding van twee jaar nodig. Dat wees de Kleine Commissie af omdat dagopleidingen die de betrokken bedrijfsvereniging betaalt niet langer dan negen maanden mogen duren.

Bij de bedrijfsvereniging voor banken, verzekeringswezen, groothandel en vrije beroepen, waaronder een kwart van werkend Nederland ressorteert, zit in één van de Kleine Commissies namens de werkgevers J. Hogewoning, voormalig directeur sociale zaken van verzekeringsmaatschappij Delta Lloyd. Werkgeversorganisaties houden regelmatig contact met hun vertegenwoordigers bij bedrijfsverenigingen, omdat hun optreden niet moet afwijken van het totale beleid tegenover de vakbonden.

Pag 3:

Beoordeling WAO-gevallen leidt tot veel onenigheid

Als oud-bestuurder van de Unie BLHP vertegenwoordigt J.H. Wienen deze vakbond in de Kleine Commissie. Hij heeft meer het gevoel met Hogewoning een gepensioneerde werknemer tegenover zich te hebben dan een werkgever. Dat stemt overeen met de indruk van velen bij de uitvoeringsorganen van de sociale verzekeringswetten, dat de werkgevers op dit gebied vooral doen wat de vakbonden wensen. Ze zouden zo hopen op tegemoetkomendheid van de bonden op andere terreinen.

Meningsverschillen heeft deze Kleine Commissie vaak met de GMD. Dat is een organisatie die sinds de oprichting in 1967 een doorn in het oog van de bedrijfsverenigingen is geweest. Opheffing van de GMD, zoals staatssecretaris Ter Veld wil, ziet Wienen, die ook bestuurslid van zijn bedrijfsvereniging is, als een overwinning na vele jaren.

De GMD wordt weliswaar net als de bedrijfsverenigingen door de sociale partners bestuurd, maar stelt zich (met tevens Kroonleden in het bestuur) in de praktijk toch onafhankelijker op van de werkgevers- en werknemerspolitiek.

De GMD werd opgericht toen bij de invoering van de WAO de Kamer vond dat naast de mening van de artsen van de bedrijfsverenigingen een tweede opinie over de arbeidsongeschiktheid nodig was. De verhouding tussen GMD en bedrijfsverenigingen is altijd slecht geweest. Zo zijn de bedrijfsverenigingen wettelijk verplicht om een cliënt die een uitkering ontvangt, binnen dertien weken bij de GMD te melden. Deze dienst zou op deze manier zo vroeg mogelijk kunnen bekijken welke mogelijkheden er zijn om te voorkomen dat iemand teveel van het werk vervreemdt.

Dat moet bevorderen dat de betrokkene zo snel mogelijk weer aan de slag kan. In de praktijk gebeurde die melding meestal pas na negen maanden, of zelfs pas na een jaar. Dat verslechterde de kansen op terugkeer op de arbeidsmarkt aanzienlijk. Sinds kort hebben de bedrijfsverenigingen toegezegd de meldingen uiterlijk na zes maanden ziekte te doen, nog altijd niet binnen de wettelijk vereiste termijn.

Artsen en arbeidsdeskundigen van de GMD geven de bedrijfsverenigingen adviezen over de mate waarin mensen arbeidsongeschikt moeten worden beschouwd, trachten WAO'ers weer aan het werk te helpen en adviseren ook over leef- en werkvoorzieningen voor gehandicapten.

Kleine Commissies zien een voorziening voor gehandicapten dikwijls niet zitten. Zomer vertelt het voorbeeld van een blinde jonge man met een WAO-uitkering. Om de blinde man te kunnen laten werken, waren computervoorzieningen nodig ter waarde van 25.000 gulden. De Kleine Commissie van de bedrijfsvereniging wees die aanvraag af omdat “die investering niet terugverdiend zou worden”.

Wienen krijgt met zijn commissie ongeveer 7500 gevallen per jaar voorgelegd die niet eenvoudig administratief afgedaan kunnen worden. Hij oordeelt of iemand een smoesje vertelt als hij verklaart bij een controle in verband met de ziektewet de huisbel niet te hebben gehoord, beslist of iemand verwijtbaar werkloos is en beoordeelt de WAO-uitkeringen. Hij schat dat hij bij dat laatste zo'n vijftig keer per jaar van het GMD-advies afwijkt.

Onenigheden met de GMD zijn er vooral sinds 1987. In dat jaar is de herziening van het sociale stelsel ingevoerd. Iemand die slechts voor een deel arbeidsongeschikt is en verder een beroep kan uitoefenen, ontvangt ook voor een deel een WAO-uitkering en voor het restant zolang hij niet werkt een werkloosheidsuitkering. Die werkloosheidsuitkering vermindert in de loop der jaren. De betrokkene is dus, zolang hij niet werkt, slechter af dan wanneer hij een volledige WAO-uitkering had.

Wienen vindt het soms belachelijk hoe de GMD door afstemming van iemands capaciteiten op functies die in een computersysteem opgenomen zijn, tot de conclusie kan komen dat er sprake is van gedeeltelijke werkloosheid naast arbeidsongeschiktheid.

Soms legt zijn commissie in een geval dat als niet reëel wordt gezien het GMD-advies naast zich neer. Ook komt het voor dat de Kleine Commissie weigert een WAO'er toestemming te geven om weer te werken, omdat hij op langere termijn nadelige gevolgen van dat werk zou ondervinden. De veronderstelling dat het bescherming van de werkende vakbondsleden tegen de concurrentie van een nieuwe arbeidskracht zou kunnen zijn - die boven zijn nieuwe loon eventueel een aanvulling ontvangt tot de hoogte van zijn WAO-uitkering, wijst Wienen verontwaardigd van de hand.

Bij de GMD heerst de indruk dat de Kleine Commissies niet voldoende iemands mogelijkheden kunnen overzien, omdat zij slechts inzicht hebben in de bedrijfstakken die onder één bedrijfsvereniging vallen.

Voor 1987 ging alles eenvoudiger. GMD-arts Zomer vertelt hoe hij in die tijd voor ongeveer tachtig procent van zijn cliënten een volledige WAO-uitkering adviseerde. Sinds de stelselherziening is dat percentage razendsnel gedaald: vorig jaar was het vijftig procent en in het eerste kwartaal van dit jaar 42 procent.

Dat betekent volgens Zomer niet dat de GMD-medewerkers jarenlang ten onrechte verklaard hebben dat mensen geheel arbeidsongeschikt waren. Arts en arbeidskundige volgden slechts de voorschriften op. Die luidden ingevolge een akkoord van 1973 binnen de Federatie van bedrijfsverenigingen dat de bedoeling van de wet was om niet slechts arbeidsongeschiktheid tegemoet te komen, maar ook om “werkloosheid te verdisconteren”.

Een voorbeeld: iemand verdiende drieduizend gulden. Hij werd gedeeltelijk arbeidsongeschikt. Als hij werk zou vinden zou hij nog slechts tweeduizend gulden kunnen verdienen. Dat werk was echter niet te vinden. De GMD moest hem vervolgens niet voor eenderde arbeidsongeschikt en voor tweederde werkloos verklaren, maar had opdracht zijn cliënt volledig de WAO in te sturen. De WAO was een betere inkomensgarantie dan een werkloosheidsuitkering ooit kon bieden.

Bij keuringen in verband met sociale uitkeringen spelen wel meer vreemde elementen. Haagse psychiaters, die anoniem wensen te blijven, zeggen ervan overtuigd te zijn dat Nederlandse specialisten zich door buitenlandse arbeiders hebben laten omkopen om valse verklaringen over hun gezondheid te krijgen. Eén zegt zelfs mensen bij zich te hebben gehad die met naam en toenaam hebben verklaard dat zij met bedragen tussen de vijf en de twintigduizend gulden medisch specialisten hebben omgekocht. Een ander zegt dat hij “de zeer stellige indruk” heeft gekregen dat zaken niet klopten.

Als de psychiater als deskundige voor de Raad van Beroep deze personen onderzocht, constateerde hij “ingestudeerd gedrag” dat dikwijls actief begeleid werd door tolken. De onjuiste medische verklaringen zouden gebruikt zijn bij pogingen om GMD-artsen zover te krijgen dat zij adviseerden een volledige WAO-uitkering toe te kennen.

Bij de GMD is niemand te vinden die iets dergelijks al eens heeft ontdekt. Wel is daar uit verhalen van betrokkenen omkoping bekend die gebeurt in verband met de ziektewet. Een buitenlandse arbeider gaat op vakantie naar zijn land van herkomst. Aan het einde van zijn vakantie meldt hij zich ziek. Hij moet dan, volgens een overeenkomst die Nederland heeft met een land als Marokko, door een arts van een plaatselijke organisatie worden gecontroleerd. Zo'n arts ondertekent geen ziekteverklaring als hij niet goed wordt betaald.

In 1987 klonk het indrukwekkend dat WAO'ers onder de 35 jaar herkeurd zouden worden, maar deskundigen wisten al tevoren dat het een loos gebaar was. De toenmalige staatssecretaris van sociale zaken De Graaf zei indertijd een bijstelling van de mate van arbeidsongeschiktheid te verwachten voor 50 procent van de gevallen. Het werd slechts 15 procent.

Volgens GMD-arts Zomer was dat te voorzien omdat de groep die jarenlang ten onrechte geheel arbeidsongeschikt was verklaard, veel ouder was.

Onder GMD-medewerkers heerst de angst dat opgaan van deze dienst in de bedrijfsverenigingen tot gevolg zal hebben dat de bij de uitvoering van de WAO deskundigheid verloren zal gaan die nu wordt gebruikt om arbeidsongeschikten weer kansen op werk te bezorgen, eventueel buiten de bedrijfstak waar ze vandaag kwamen. Bovendien bestaat de indruk dat door het verdwijnen van het GMD-advies de uitvoering van de WAO sterker onder invloed komt van de vakbonden.

Volgens een woordvoerder van Sociale zaken is het plan om de GMD-taken bij de bedrijfsverenigingen onder te brengen slechts ingegeven door de wens het aantal bureaucratische loketten te verminderen. Er moet volgens staatssecretaris Ter Veld toezicht komen op de uitvoering van de sociale verzekeringen door de bedrijfsverenigingen. Dat moet gebeuren door de Sociale verzekeringsraad, ook al een orgaan met vertegenwoordigers van vakbonden en werkgevers en daarnaast de overheid.

Die plannen veroorzaken geen onrust bij de WAO'er die voor een bedrijfsvereniging als lid van de Kleine Commissie wekelijks 150 dossiers ter beoordeling krijgt voorgelegd. Hij wil zijn “arbeidstherapie” met steun van zijn vakbond voortzetten. Hij verzoekt dringend hem niet met naam en toenaam als ontvanger van een WAO-uitkering bekend te maken, omdat dit volgens hem verkeerde indrukken zou kunnen wekken.