Trap na

In ons beider café kreeg ik aan de stamtafel een geweldige ruzie met een heel goeie vriend. Als het moet heb ik een venijnige tong. Mijn goede vriend was niet tegen mij opgewassen. Voor hij echter ten onder dreigde te gaan in mijn verbaal geprots, besloot hij de uit de hand gelopen aanvaring met lichamelijk geweld te beslechten en wel met behulp van zijn autokrik, waarmee hij me, zo schreeuwde mijn bloedsbroeder toen hij het café uitrende, vakkundig de hersens in zou slaan.

Hier was duidelijk sprake van een overgetergde ziel. Café op stelten. De kroegbaas was weliswaar niet aan de sterke kant maar kreeg hulp van bekwame zuipschuiten om mijn vriend gewapend met krik in de deuropening tegen te houden toen hij zijn gruwelplan ten uitvoer wilde brengen. (Er was een klein, dik vrouwtje bij dat voor alle zekerheid haar kunstgebit uit haar mond nam. “Ik bijt altijd op mijn tong als ik bloed zie.”)

Onder kalmerend, begripvol gepraat werd mijn vriend ertoe bewogen niet meer in het café terug te keren, zolang ik daar, grijnslachend en wel, breeduit onder het genot van bier en jenever nog aan de stamtafel zat.

Afgang. Vernedering. Vriendenverraad. Dat kon nooit meer goed komen. De veel gevreesde, eeuwige ruzie. Wekenlang de andere kant op kijken als je elkaar tegenkwam. In het stamcafé aan een ander tafeltje gaan zitten, de wederzijdse vrienden vermijdend die in hun goedmoedigheid verzoeningspogingen deden. Die hielpen niet. Integendeel.

“Jan en jij hebben nog steeds die vreselijke grote ruzie, niet?” vroeg het kleine, dikke vrouwtje met de valse tandjes terwijl ze in de richting van Jan knikte die onder een lampekap voor zich uit zat te mokken. Er viel een stilte in het café. Er was er één die zijn oren tot aan de berookte zoldering spitste, dwars door de lampekap heen. “Alleen bij een grote vriendschap kun je je een grote ruzie veroorloven”, zei ik bijna plechtig. Jan en ik, we keken elkaar sinds weken weer aan, stonden gelijktijdig op en omshelsden elkander. Onze vriendschap had weer gezegevierd. Onze vriendschap had weer gewonnen.

Hans Koetsier is twaalf dagen geleden begraven. Ik was op de een of andere manier gesteld op die bijna slungelachtige, onhandige man met zijn grote, vlezige handen en grote voeten. We waren absolute tegenpolen en toch kon je soms van vriendschap speken “al was het vaag en ver”. Ik denk dat het de humor was die ons verbond. Ik hou van mensen die goed kunnen lachen. (Hoe hij in die grote handen wreef als hij het naar zijn zin had. De dood is nergens goed voor.) Dus mis ik hem in ons stamcafé. Zoals menigeen heb ook ik een paar maal een aanvaring met hem gehad. De laatste keer was het een stevige en het sneue daarvan was dat we geen van beiden de kans kregen het weer goed te maken omdat de dood tussenbeide kwam.

Max Pam wijdde na de dood van zijn vroegere vriend (die hij bijna elke dag sprak) vorige vrijdag op deze pagina een stukje aan Hans Koetsier. Dat stukje gaat over een verloren vriendschap, want in tegenstelling tot de verzoening waar ik het over had is hier slechts sprake van wrok. Wrok en nog eens wrok. Het is misschien allemaal waar wat hij over zijn ongemakkelijke, bij tijd en wijle getormenteerde ex-vriend schreef. Maar toch, wat mij betreft: vieze smaak.

Wraak over een onbeantwoorde affectie. Het heeft iets zieligs dat zelfs over het graf heen geen gedachte aan verzoening mogelijk is in het hart van Pam. “Op zijn begrafenis was ik niet.” Wat ben ik blij dat ik dat stukje niet heb geschreven. Ik zou me dood schamen en me nergens meer durven laten zien.