Serendipiteit onderdeel van medische studie in Groningen; Niet gezocht, wel gevonden

Wie kent niet het aprocriefe verhaal van Archimedes die zittend in zijn bad de opwaartse kracht ontdekte? Dat hij niet de tijd nam om zich aan te kleden voordat hij heureka ging roepen, kwam omdat zijn vondst het resultaat was van puur toeval. Dat heureka-geroep is al vreemd voor een toevallige ontdekking, want de heuristiek houdt zich juist bezig met de wetenschap die langs methodische weg tot ontdekkingen komt. En dan is er het historisch wel juiste verhaal van de Duitse alchemist Henning Brandt die in 1669 onderzocht of er in urine een vloeistof zat die zilver in goud kan omzetten. Hij vond een op was lijkende, lichtgevende witte stof. Onverwacht en ongezocht ontdekte hij het fosfor.

Onze eigen Nicolaas Tinbergen leerde in 1938 een heleboel over de territoriumdrift van stekelbaarzen nadat hem was opgevallen dat de stekelbaarzen, waarvan de mannetjes een rode buik hebben, telkens onrustig werden als er een rode PTT-bestelbus zijn huis in de Leidse Kaiserstraat passeerde. En dat Columbus onbedoeld Amerika ontdekte, zal het komende jaar nog vaak genoeg uitgelegd worden.

De onbedoelde uitvinding is in wetenschappelijke kringen bekend onder de term serendipiteit, hoewel universiteiten tot nu toe geen of geen systematische aandacht aan het verschijnsel besteedden. Maar dat is veranderd, nu de medische faculteit van de Rijksuniversiteit Groningen serendipiteit in het curriculum gaat opnemen. Faculteitsdecaan professor dr.H.J.Huisjes: “De studenten denken vaak dat alle onderzoek wordt georganiseerd, wij willen ze erop wijzen dat zulks niet het geval is.”

“Het is de vlo in de pels die we op prijs stellen. Bij vrijwel elk medisch probleem is een voorbeeld van serendipiteit te geven waaruit blijkt dat de wetenschap niet altijd zo logisch is als wij doorgaans suggereren. We gaan vanaf nu steeds meer werken met een casus als uitgangspunt. Neem nu de uitschakeling van de PDM-ploeg tijdens de Tour de France. Via een socratische dialoog stellen we vast welke aspecten aan de orde moeten komen. We komen dan uit bij standaardzaken maar ook bij gelegenheidskwesties”, zegt Herman van Rossem, projectleider van de medische faculteit.

De onbetwiste voorvechter van serendipiteit is Pek van Andel, niet toevallig aan dezelfde faculteit verbonden. “Een serendipiteuze vondst lijkt op de paardensprong in het schaakspel: je moet eerst een sprongetje opzij maken, buiten je gewone denkpatroon, om te zien dat er iets bijzonders aan de hand is.” Een niet minder beeldende definitie van het begrip, dat hij overigens in onze taal introduceerde, luidt: “Je zoekt een naald in een hooiberg en rolt eruit met een boerenmeid.”

Het was Horace Walpole die op 28 juni 1754 als eerste over serendipiteit sprak. Het woord ontleende hij aan het sprookje over de drie prinsen van Serendip (een oude Perzische benaming van Sri Lanka). De koning van Serendip verbande zijn drie zonen omdat ze ongehoorzaam waren. Wat konden de prinsen anders doen dan de wijde wereld intrekken. De jongens waren dan wel ongehoorzaam maar zeker niet dom. Toen ze het voetspoor van een kameel zagen, viel het op dat alleen de linkerkant van het spoor afgegraasd was. De oudste zoon concludeerde daaruit dat de kameel rechts blind moest zijn. De middelste zoon beweerde dat het beest een tand miste nadat hij in de linkerberm plukjes gekauwd gras had gevonden. Omdat de afdruk van de linkerachterpoot betrekkelijk licht was, kwam de jongste tot de slotsom dat het beest bovendien mank liep. Na het spoor een tijdje gevolgd te hebben, zag één broer een onafzienbare stroom voedselzoekende mieren. Aan de andere kant hielden zich talloze bijen, vliegen en wespen op die zich te goed deden aan een doorzichtige, kleverige substantie. Hij maakte hieruit op dat de kameel aan de ene kant met boter en aan de andere kant met honing beladen geweest moest zijn. De tweede broer zag sporen die deden vermoeden dat het dier geknield had. Op dezelfde plek zag hij afdrukken van kleine mensenvoeten met daarnaast een natte plek. Hij betastte de plek en en een vleselijke lust bekroop hem. Toen wist hij dat de kameel een vrouw droeg. De handafdrukken aan weerszijden van de plaats waar zij gewaterd had, werden door de derde broer verklaard: wegens haar ongebruikelijke lichaamsomvang had de vrouw op haar handen gesteund, ze zou wel eens zwanger kunnen zijn.

Lange tijd was het woord serendipiteit bijna uitsluitend courant onder bibliofielen. Het verschijnsel is bekend, je kijkt iets na in een encyclopedie maar al bladerend stuit je op iets waar je niet naar zocht maar dat toch heel goed bruikbaar is. Nu bijna alle universiteitsbibliotheken een gesloten uitleensysteem kennen en de student alleen het boek onder ogen krijgt waar hij naar vraagt, moet hij de meest gangbare vorm van serendipiteit ontberen. Je bent op zoek naar een boek en al lopend langs de schappen blijft de aandacht haken op een titel die je uitstekend van pas komt.

Het is wegens deze vondsten waarmee ambachtswerk nog beloond wordt, dat Van Andel een fervent tegenstander is van computers. Hij staat hierin niet alleen, want er is al menig cultuurfilosofisch artikel verschenen waarin wordt betoogd dat er nu een generatie geleerden opgroeit die door hun materiële afstand tot boeken een "gedeconstrueerde' - anderen spreken in dit verband van een "postmodernistische' - geest ontwikkelt.

Ondanks alle slimmigheid die rondom De drie prinsen van Serendip hangt, is er toch ook een pleidooi voor de domheid in dit sprookje te lezen. De drie ontmoetten namelijk een kameeldrijver die zijn kameel kwijt was. Omdat ze zoveel sporen hadden gezien, grapten de prinsen dat ze het beest echt hadden gezien. Om hun bewering geloofwaardig te maken somden ze de zeven door hen beredeneerde stellingen op. Aangezien ze juist bleken, werden ze in het gevang gezet. Pas nadat de kameel was teruggevonden, werden ze vrijgelaten.

Als die socratische dialogen in Groningen maar niet uitmonden in een sofistische ondergraving van het wetenschappelijk onderwijs. Het is vast geen toeval dat het beste manuscript dat er ooit over serendipiteit geschreven is (door Robert K. Merton en Elinor G. Barber), al meer dan dertig jaar op een uitgever wacht.