Rechter moet aansprakelijkheid van bank als emissieleider beoordelen; Boze beleggers Co op dagen Amrobank

AMSTERDAM, 16 SEPT. Beleggers in obligaties Coopag Finance voelen zich "verontwaardigd, bekocht en misleid' door de Amrobank. Zij eisen een schadevergoeding, omdat de Amro misleidende informatie zou hebben verstrekt.

Dit bleek vanochtend tijdens een zitting van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam.

De Amro verzorgde twee emissies van elk honderd miljoen gulden voor het Duitse detailhandelsconcern Co op. Enkele weken na de laatste emissie in juli 1988 bleek de Co op zwaar verliesgevend, hetgeen niet in het prospectus was vermeld.

Amro ontkende vanmorgen dat van misleiding sprake is geweest. En zelfs als dat zo mocht zijn, dan zouden de beleggers bij de bank niet aan het juiste adres zijn. Ook betwist de Amro de schade die de beleggers hebben geleden.

Ruim tachtig gedupeerde obligatiehouders Co op, die gezamenlijk 33 miljoen gulden aan obligaties Coop vertegenwoordigen, hebben hun vorderingen (op voorwaarde van anonimiteit) overgedragen aan een vereniging die is opgericht om hun belangen in deze kwestie te behartigen. Onder hen zitten institutionele beleggers die niet graag hun relatie met ABN Amro onder druk zien komen voor een relatief klein bedrag.

Thema van het proces is niet zozeer de geleden schade maar meer de verantwoordelijkheid van een bank als emissieleider. Het proces in Amsterdam is van groot belang, omdat hiervan afhangt of de banken van Breevast, Bredero, Air Holland en Textlite om soortgelijke redenen aansprakelijk zullen worden gesteld. “Tot nu toe ontbreekt hier jurisprudentie over de rol van de bank bij de emissie. Daarmee loopt Nederland achter bij het Angelsaksische recht”, aldus bestuurder van de vereniging mr. G. Hooft Graafland.

Op de achtergrond van het proces speelt een veel ernstiger verwijt aan het adres van Amro. Beleggers menen dat de bank, die veel krediet aan Co op had verleend, de bui zag aankomen en de schulden heeft afgelost met de opbrengst van de obligatielening. De banken pretenderen altijd een strikte scheiding te hebben tussen hun afdeling syndicaten, die de emissies verzorgt, en de afdeling kredietverlening. De vraag is nu hoe sterk zo'n "Chinese wall' is.

De raadslieden van de vereniging, mr. R. Laret en mr. M.H.J. van den Horst van het Haagse advocatenbureau Barents en Krans, probeerden deze stelling vanmorgen niet te bewijzen, maar lieten in hun betoog wel de suggestie van boos opzet meespelen. “Men kan zich afvragen of met de emissie niet tenminste mede werd beoogd om de schulden aan de bank af te lossen. Dit zou kunnen verklaren waarom Nederlandse guldens worden geleend op de Nederlandse markt in plaats van Duitse marken op de Duitse markt”, aldus Laret.

Aan het eind van zijn pleidooi herhaalde Laret zijn suggestie. “Reeds in 1985 en 1986, ruim voor de emissies, signaleert de interne financiële dienst van Co op liquiditeitsproblemen en veel te hoge kortlopende schulden aan met name kredietinstellingen. De Amrobank behoort tot deze kredietinstellingen. Niet alleen heeft de bank als kredietgever belang bij de emissies, immers de opbrengst wordt aangewend voor aflossing van schulden aan banken, ook verdient zij als syndicaatsleider aanzienlijk aan de emissie zelf.”

Amro-raadsman mr. F.A. Tromp van advocatenkantoor Nauta Dutilh negeerde de suggestie dat Amro met boos opzet beleggers in een ontbindend bedrijf had gelokt. Hij concentreerde zich op de vraag of de beleggers wel schade hebben geleden. Indien de rechter tot de conclusie komt dat schade niet aantoonbaar is, verliest de vereniging. Volgens Laret moet de president eerst een formele uitspraak doen, waarna de vereniging een schadestaat zal indienen.

De schade is een moeilijk punt, omdat Co op na verkoop aan concurrent Asko weer aan zijn verplichtingen kon voldoen. Tromp: “Degenen die de obligaties 1987 en 1988 hebben behouden, hebben het overeengekomen en gegarandeerde rendement wederom ontvangen. Voor hen is geen sprake van rendementsschade.”

Laret wees daarentegen op de beleggers die toen de fraude van Co op aan het licht kwam hun obligaties hebben verkocht. Zij hebben verliezen geleden. Tromp rangschikte dat in de categorie "onvoorspelbaar speculatief handelen'.

Tromp betoogde dat de vereniging niet heeft aangetoond dat de prospectussen misleidend waren “en zelfs als er sprake was van misleiding en daarmee van onrechtmatig handelen, dan is de vereniging bij de Amrobank aan het verkeerde adres”, aldus Tromp. Hij meent dat de vereniging bij de opdrachtgever moet zijn, Co op. Laret meent dat de Amro als "leadmanager' van de emissie de opdracht heeft gegeven voor opstelling van het prospectus.

Volgens Tromp beperkt de Amro zijn betrokkenheid met de verklaring "voor zover ons bekend' in het prospectus Co op. “Het syndicaat beperkt haar verklaring uitdrukkelijk ten aanzien van de onzerzijds opgenomen gegevens”, aldus Tromp.

Volgens Laret daarentegen reikt de verantwoordelijkheid van een emissieleider aanzienlijk verder. Hij moet een onderzoek doen naar de financiële positie van de onderneming, betoogde Laret onder verwijzing naar de regels van de Vereniging voor Effectenhandel, de Nederlandsche Bank en de EG. Tromp vindt dat een emissieleider niet het werk van een accountant kan gaan overdoen.

Mr. G. Hooft Graafland van de vereniging meent dat het proces nog lang niet ten einde is. “Beide partijen nemen de zaak principieel op. Voor de Amro is de schade op zichzelf niet belangrijk want die kan weer worden verhaald op de Co op. Nee, de bank is bang voor procedures bij andere prospectussen.”