Koks beheer verdient een vraagteken

De kop boven het artikel in NRC Handelsblad van 10 september van José Toirkens, "Kok beste beheerder van overheidsfinanciën' zou ik van een vraagteken willen voorzien. Daar heb ik drie argumenten voor die in het artikel onbesproken bleven:

1. Minister Kok is als PvdA-onderhandelaar in belangrijke mate mede verantwoordelijk voor de beleidsintensiveringen van het CDA-PvdA regeerakkoord van 1989. Ze veroorzaken extra uitgaven van tien miljard in 1991 en drieëntwintig miljard in 1994. Deze beleidsintensiveringen - niet de belasting- of rentetegenvallers (de vermeende erfenis van Ruding) - brachten de minister van financiën al vroegtijdig in de problemen. Het zwak gefinancierde regeerakkoord moest reeds na anderhalf jaar worden opengebroken. Het maakte een tussenbalansoperatie nodig van meer dan twintig miljard gulden in 1994. Het is bepaald geen toeval dat dit bedrag overeenkomt met de hoogte van de beleidsintensiveringen.

2. Voor Kok zou pleiten, dat zijn incidentele dekkingsmaatregelen niet omvangrijker zouden zijn dan onder vorige kabinetten het geval was. Dit is in strijd met de werkelijkheid. In 1991 worden incidentele dekkingsmaatregelen in de inkomstensfeer getroffen ten bedrage van vijf miljard, waarbij de vondst van de versnelde inning van primacheques (twee miljard) en het inzetten van de tijdelijke aardgasmeevaller (ruim één miljard) de meest in het oog springende maatregelen zijn. Voorts worden er kasverschuivingen in de uitgavensfeer - met name bij Onderwijs en VROM - toegestaan van anderhalf miljard. Anders gezegd: voor een bedrag van anderhalf miljard worden betalingen voor 1991-uitgaven doorgeschoven naar 1992. Daar bovenop accepteert minister Kok een boekhoudkundige foef van zijn collega Ritzen in de vorm van de verkoop van schoolgebouwen. Hoewel de verkoop dubieus en nog lang niet in kannen en kruiken is, wordt al gerekend met een opbrengst van een half miljard in 1991. Kortom, in 1991 tekent onze minister van financiën voor ongeveer zeven miljard aan incidentele (en soms twijfelachtige) maatregelen. Dit is het tweevoudige van de incidentele maatregelen, die onder het vorige kabinet één keer in samenhang met de Oort-operatie zijn afgesproken. Ik vrees dat het beeld in 1992 niet veel beter zal zijn. Dit relativeert elke opmerking dat Kok nog steeds het "tijdpad' voor de terugdringing van het financieringstekort haalt. Het tekort ligt, als we het vanuit een solide invulling bezien, vooralsnog zeven miljard daarboven.

3. Dat het met de omvang van de collectieve sector onder Kok goed zou gaan, wordt verder gelogenstraft door de feitelijke groei van de collectieve lastendruk. Vanaf het aantreden van dit kabinet tot het begrotingsjaar 1992 zal die druk met zeker vier miljard stijgen. Deze scherpe stijging wordt overigens getemperd door de belastingtegenvallers. Bij die vier miljard moet nog de versnelde intering in twee jaar in plaats van in vijf jaar van de overreserves van de centrale fondsen - een spaarpotje van 5,5 miljard gulden van het vorige kabinet - worden geteld.

Dat de groei van de collectieve uitgaven veel te hoog is, blijkt ook uit het bericht dat deze in 1991 en 1992 maar liefst vijfentachtig procent van de totale economische groei zal opeisen. Bij een proportioneel aandeel zou dat niet meer dan vijftig procent mogen zijn. De groei van het netto-looninkomen van de werknemers en het ondernemersinkomen wordt onder dit kabinet teruggedrukt naar een aandeel van de nationale groei van slechts vijftien procent. Over de slechte gevolgen zwijg ik maar.

Ik gun de zo geplaagde minister van financiën van harte een positief artikel. De feiten moeten daar echter wel naar zijn.