Jantje Betondag in Duinrell; "Dit heeft een hoop centjes gekost'

De blauwe rook van de barbecue in attractiepark Duinrell in Wassenaar verspreidt de geur van gebakken hamburgers. De Amerikaanse ambassadeur, C. Howard Wilkins Junior, veegt met een ovenwant langs zijn voorhoofd. Met een vork in zijn andere draait hij de hamburgers om.

Een jongetje steekt zijn middelvinger op maar wordt bestraffend toegesproken door zijn begeleider. “Rot op joh”, bijt het jongetje van zich af.

Het kereltje is één van de ruim tweehonderd kinderen die zaterdag op uitnodiging van de Amerikaanse ambassadeur en de organisatie Jantje Beton te gast zijn in Duinrell. Aan tafeltjes verspreid over het grasveld wachten de kinderen, die door Jantje Beton als kansarm worden gezien en voor wie onder meer vakanties worden geregeld, op een heuse Amerikaanse barbecue.

Naast ambassadeur Wilkins staan meer mannen met een grote vork vlees te roosteren. Het zijn de directeuren van Ahold, IBM, ABN en andere Nederlandse en Amerikaanse concerns. Ze hebben op verzoek van de Amerikaanse ambassadeur hun vrije zaterdag opgeofferd. De "captains of industry' zijn de koks op de tweede Jantje Betondag in Duinrell.

Uit de luidsprekers schalt de stem van Ron Brandsteder. Op een speelse manier vertelt hij de kinderen welke bedrijven hun uitje hebben gesponsord. Wieteke van Dort voegt daar aan toe: “Ja jongens en meisjes, want dit heeft een hoop centjes gekost.”

“Het is fantastisch”, zegt een jeugdleider uit Amsterdam Zuid-Oost ("zeg maar de Bijlmer'). “Moet je kijken, die ettertjes hebben de tijd van hun leven.” Hij is hier met veertig leerlingen van zijn school, die er vijfhonderd telt.

“We hebben geloot welke kinderen mee mochten”, vertelt hij. “Maar dat was alsof. We hebben gewoon de ergste gevallen eruit gezocht: kinderen die nog nooit van hun leven op vakantie zijn geweest en de hele zomer thuis op de flat zitten.”

De onderwijzers van een basisschool uit de Jordaan hebben niet geselecteerd. “We konden gewoon niet kiezen”, zegt onderwijzeres Ans. “We hebben maar gewoon de oudste groep van de school meegenomen. We kunnen hier nog lang op teren. Hier worden nog heel wat opstellen en tekeningen over gemaakt.” Ze vindt het niet pijnlijk voor de andere kinderen die niet mee mochten. “Die komen volgend jaar misschien aan de beurt.”

Als het startsein gegeven wordt voor het eten, blijven een paar Turkse en Marokkaanse jongens en meisjes aarzelend achter. “Wij mogen geen hamburgers eten, want daar zit varkensvlees in”, vertelt een ventje. “Er is ook Fried Chicken”, zegt een wat mollige directeur troostend. De gezichtjes klaren op, want een kippepootje mag wel. Een van de kinderen aapt zelfs haar Nederlandse vriendje na en legt haar kippekluifje in een broodje. Trots kijkt ze om zich heen.

“Het is een groot succes”, zegt ambassadeur Wilkins tevreden, als de Jantjes van eten zijn voorzien. Een wat mopperende directeur, die eigenlijk werk had te doen, spreekt hij vermanend toe: “Kop op kerel. Heb jij ooit van iemand gehoord die op zijn sterfbed zei: Ik wou dat ik wat meer tijd op kantoor had gezeten?”

De Jantje Betondag is zijn initiatief. “Ik wilde wat doen voor de kinderen hier. Ik heb daarom contact gezocht met het Nationaal Jeugd Fonds”, zegt hij. Om aan sponsors te komen hield hij in april een zakendiner. Alle Nederlandse bedrijven met Amerikaanse banden werden uitgenodigd.

“Maar geld geven alleen vond ik niet genoeg”, zegt de ambassadeur als hij wijst op de zwetende directeuren naast hem. “Ergens tijd insteken, dat is veel moeilijker. Kijk, als ze zelf aan het bakken moeten, dan geeft dat een hoop betrokkenheid. Ik ben erg onder de indruk van hun prestaties vandaag.”

Ook Ron Brandsteder was dit voorjaar bij de ambassadeur voor een etentje uitgenodigd. “Ik vond het wel wat vreemd. De aap kwam uit de mouw toen ik gevraagd werd mee te werken aan de Jantje Betondag. Dat had ik al vaker gedaan. Tja, en de Amerikaanse ambassadeur kun je natuurlijk niets weigeren.”

Intussen zwermen de kinderen alweer door het pretpark. De schrille stemmetjes klinken luid tegen de wanden van het doolhof. Een paar jongens met stekeltjeshaar en stoere witte gympen hangen vol branie aan een karretje. Op het grasveld ruimt het personeel de rommel op van de barbecue. De "captains of industry' zijn onder het genot van een drankje alweer bezig met zaken.