Irian Jaya

Dirk Vlasblom laat in zijn artikel "Heimwee naar de bomen aan de Oranjelaan' (NRC Handelsblad, 9 september) de Papoea's met hun "onzekerheid en frustraties' een uitweg vinden “in dromen, die van ouds een belangrijke rol spelen in de culturen van Irian.

Die dromen zijn een curieuze mengeling van een christelijke heilsverwachting en een wat abstract onafhankelijkheidsideaal''. Hij geeft hiermee een journalistiek misschien aanvaardbare typering van de "cargo-cults', die spelen in het Melanesische gebied, maar er zijn in dit gebied sinds het midden van de vorige eeuw ruim vijftig van die bewegingen beschreven. De Nederlander Kamma heeft met zijn studie over de Koreri-beweging internationale faam verworven. In een studie van Strelan en Godschalk (Kargoisme di Indonesia, Jayapura 1989) wordt het terrein van de cargo cult in tegenstelling tot eerdere studies van antropologen of sociologen, opgeëist door theologie.

Daar zouden de auteurs wel eens gelijk in kunnen hebben; zowel dr. Wanggai als drs. Kailele, beiden door Indonesische rechters veroordeeld tot bijna levenslang, zijn moderne, ontwikkelde mensen en dominee; zij geloven echter in het cultuurgoed, dat zij van hun voorouders geërfd hebben (we spreken hier over culturen van duizenden jaren oud), dat hun identiteit bepaalt. Die identiteit wenst Indonesië uit te mendelen; het beschouwt die als minderwaardig.

Behalve het Indonesisch bewind hebben ook de Japanners moeten ervaren, dat deze dromerij de vorm van een verzetsbeweging kan aannemen, toen zij in 1944 op het eiland Numfoor kwamen te staan tegenover tweeduizend gewapende Papoea's. De Japanners trokken zich terug. Ook de Nederlanders voelden zich ongemakkelijk tegenover de diepe overtuiging van een Melanesische cultus, maar we zijn in elk geval niet overgegaan tot draconische maatregelen.