Iedereen magje liefhebben maar niet je eigen zus

Voorstelling: Toch zonde van die hoer van John Ford door Het Zuidelijk Toneel. Regie: Ivo van Hove. Decor/licht: Jan Versweyveld. Spelers: Marlies Heuer, Victor Low, Bart Slegers, Henk van Ulsen e.a. Gezien: 14/9, Schouwburg, Eindhoven. Nog te zien: t/m 16/11 door het gehele land.

Met de titel is iets eigenaardigs aan de hand, althans met de vertaling. John Fords 'T is pity she's a whore werd Toch zonde van die hoer. Dat scheert er pijnlijk langs, in een bijna-botsing van betekenissen. Aan Joel Hanssens, de vertaler, heeft het niet gelegen: hij heeft in het tekstboekje in een voetnoot de correcte oplossing laten opnemen. Maar die klonk regisseur Ivo van Hove waarschijnlijk te omslachtig in de oren.

Van heel veel belang zou het scheefhangende uithangbord niet zijn, als het niet een pars pro toto was geworden. Van Hove denkt, om te beginnen, in John Fords nooit eerder in Nederland gespeelde tekst (uit 1633) een meesterwerk ontdekt te hebben en dat is al een misvatting van niet geringe orde. Onvermijdelijk is zijn enscenering vervolgens de kroon op alle misverstanden en daarmee een onverwacht dieptepunt in het oeuvre van een tot op heden begenadigd regisseur.

Veel in Toch Zonde de constante muziek op de achtergrond, het decor herinnert aan Van Hoves meest recente enscenering, van Julien Greens Het Zuiden. Maar het succes daarvan lijkt hem eerder te verlammen dan te inspireren. Evenals zijn decorontwerper, Jan Versweyveld. Deze ontwierp, precies als voor Het Zuiden, een op het voortoneel geplaatste plafondhoge wand en levert daarmee een erbarmelijke imitatie van zichzelf af. Was het decor in Het Zuiden helder, licht en even eenvoudig als effectvol, in Toch Zonde is het in een viezige schoolbordkleur geverfd, log, pretentieus en even morsig als de belichting.

Misschien krijgt het stuk wel wat het verdient. John Ford, een tijdgenoot van Shakespeare, had meer bij de meester op de thee moeten gaan. Toch zonde gaat over incest, een weliswaar gewaagd en nog altijd actueel onderwerp, maar Fords formuleringen en toneelschrijfkunst zijn verre van pikant. Mag ik liefhebben? luidt, bij monde van Giovanni, de hamvraag van het stuk. Jazeker, is het antwoord, maar niet je zus. En daarin herkennen Van Hove en dramaturg Klaas Tindemans een dramatisch conflict tussen schuld en onschuld.

Dat zit er misschien ook wel in, maar Van Hove verheldert niets en verdoezelt alles. Hij laat zijn spelers zich overgeven aan even betekenisloos als omslachtig gevel-alpinisme tegen Versweyvelds wand weer eens wat anders inderdaad dan gewoon op- en afgaan, dat wel. En hij zaait met gulle hand anachronismen: een proleterige zonnebril voor Henk van Ulsen als Giovanni's vader, een hofpofbroek voor de buurman, en ouwerwets pathos ontaardt gaandeweg in dik aangezet cabaret uit de studentensoos. Tureluurs word je ervan en droevig. Het eerste van de machteloosheid van het geheel, het tweede van de vrees dat het talent Van Hove nu al op zijn laatste benen loopt.