Filipijnen; Misplaatste trots van macho's

Onder het voortvarende bestuur van gouverneur William Howard Taft begonnen de Verenigde Staten van Amerika in 1901 met de aanleg van militaire bases in hun kolonie de Filippijnen, die drie jaar eerder op de Spanjaarden was veroverd. De bases zouden naderhand uitgroeien tot het draaipunt van alle Amerikaanse militaire operaties in de Stille en de Indische Oceaan.

Taft, de latere republikeinse president (1909-1913), noemde de Filippino's "onze kleine bruine broeders'. Dit geeft treffend weer hoe de instelling van de Amerikan was. Washington zag zijn enige kolonie zoals kolonialen dat plachten te doen: als een wingewest met onderhorigen.

Voor een meerderheid van de Filippijnse senaat is er tussen 1901 en 1991 weinig veranderd. Een senaatsmeerderheid stemde vandaag definitief tegen een nieuwe pachtovereenkomst op basis waarvan de VS het recht zouden hebben gekregen tot het jaar 2002 nog één basis, Subic Bay, open te houden. Over de andere vijf bases, vier kleine en een grote, was al eerder besloten dat ze uiterlijk volgend jaar zouden dichtgaan.

Senator Aquilino Pimentel omschreef vanmorgen het verdrag, waar hij zojuist tegen had gestemd als “een monsterachtige overeenkomst die een relatie tussen de Amerikaanse meester en de Filippijnse bediende in stand zou hebben gehouden”. En Juan Ponce Enrile, eveneens tegenstemmer, sprak over “het moment van de waarheid”.

Op dat ene punt zijn de Amerikanen het met Enrile eens: ze hebben aangekondigd dat ze al hun troepen zullen terugtrekken. De VS hebben in de regio alternatieven genoeg: de bases in Japan, Zuid-Korea en Guam worden uitgebreid. Singapore verwelkomde vorig jaar al met open armen het Amerikaanse idee voor de aanleg van militaire havenfaciliteiten in de stadstaat.

Noch Pimentel noch Enrile staan bekend om hun linkse sympathieën, in tegendeel. Enrile was minister van defensie onder Marcos en - korte tijd - onder Corazon Aquino, terwijl Pimentel te boek staat als een "keurige liberaal'. De 12 senatoren die vandaag tegen een nieuw verdrag stemden - elf waren voor - bevinden zich contre coeur wel in hetzelfde kamp als de verboden Filippijnse communistische partij, die zich vergenoegd in de handen wrijft.

De opmars van de gewapende arm van de partij, het Nieuwe Volksleger (NPA), dat 22 jaar geleden een guerrilla begon tegen het centrale gezag in Manila, stokt al geruime tijd. Behalve een aantal bolwerken in de binnenlanden kunnen de communisten, die er uiterst orthodox marxistische denkbeelden op na houden, nauwelijks een vuist maken.

De Filippijnse communisten gaan er van uit dat het vertrek van de "Amerikaanse imperialisten' in hun voordeel zal werken en daar konden ze wel eens gelijk in hebben. Hoewel de Amerikanen zich niet openlijk bemoeiden met het bestrijden van de communistische guerrillastrijders, kreeg Manila achter de schermen wel degelijk steun, ondermeer door inlichtingenwerk van de CIA. Bovendien fungeerde de Amerikaanse aanwezigheid als een grote vogelverschrikker voor de rebellen.

Dat de communisten het vertrek van de Amerikanen met gejuich begroeten ligt voor de hand, maar waarom doen ook de senatoren dat? De enige verklaring is dat zij in de typische macho-maatschappij die de Filippijnen is aan "het volk' willen bewijzen dat ze pit hebben en de Amerikanen "best' durven te schofferen. Ze gebruiken versleten ideeën over het koloniale tijdperk om een rechtvaardiging voor hun standpunt te geven. Een daar moet de Filipijnen duur voor betalen.

Niet alleen dreigt een nieuw communistisch offensief - het NPA heeft vredesbeprekingen aangeboden die door het leger zijn afgewezen - ook op economisch gebied moeten de Filippijnen zwaar boeten voor de misplaatste en achterhaalde trots van de senaat. Het land staat economisch aan de rand van de afgrond en kan de bases, die jaarlijks miljarden dollars opleverden, eigenlijk niet missen.