Weggeven

De vader ligt opeens in het ziekenhuis. Hij was 's morgens benauwd, voelde druk op zijn borst en de ambulance had hem naar een ziekenhuis gebracht. Naast hem past een machine nu op zijn hart. Hij volgt steeds het streepje en vraagt of het wel goed is dat de lijn niet recht loopt. Om zijn brede pols zit een plastic kinderbandje waarop P. van Prins, 21.03.1917 staat. Alsof hij elk moment zoek kan raken. Lieveke legt uit wat zij zelf begrijpt van harten en monitoren. Ze heeft even met de specialist over haar vader gesproken. “Het valt mee. Je zit te veel in je rikketik over mama. Waarschijnlijk was het geen hartaanval maar hyperventilatie.” De vader meent gewoon adem te halen; hij wil dat het zijn hart is. Dat orgaan kent hij, het andere woord zegt hem niets.

Het is de tweede keer in zijn leven, inventariseert hij, dat hij in een ziekenhuis ligt. De eerste keer ging het om een liesbreuk, dat was in 1939. Daar dankte hij zijn baan aan, want na twee weken - toen hij zo goed als hersteld was - hielp hij een non met het versjouwen van een bed. Zij dacht dat ze zo'n handige, sterke man goed konden gebruiken en zei hem een briefje te schrijven aan Moeder Overste die de scepter zwaaide over de zusters van de Heilige Carolus onder de Bogen. De orde die het Sint Jansziekenhuis in Laren stichtte. De vader, die toen nog geen vader was, schreef drie regels. Een week later had hij een kort onderhoud: of hij aanstaande maandag kon beginnen.

In een vlaag van overmoed vroeg de jonge slagersknecht hoeveel hij zou verdienen. Van het antwoord schrok hij zo dat hij bijna zeker wist het verkeerd verstaan te hebben. Het klonk als zeventien gulden in de week. Bij de slager kreeg hij er zeven. Toch zei hij ja, wachtte zijn eerste loonzakje af en vond in het doorzichtige, vetvrije papier inderdaad het onwaarschijnlijke bedrag. Het witte gekartelde strookje papier bevestigde het nog eens. Zeventien gulden. In de crisistijd.

Hij moest zware patiënten tillen, mannen scheren, medicijnen halen bij de apotheek of naar Eemnes, Blaricum en Huizen fietsen om moedermelk op te halen voor de baby's die niet zelf gevoed konden worden. In de oorlog reed hij met een bakfiets ontslagen zieken naar huis want de ambulance moest paraat blijven voor ernstige opnames. Generaties kinderen zou hij op schoot houden als hun amandelen geknipt werden en hij hielp dokter Zeldenrust bij obducties. Hij vond het verrassend hoeveel de inhoud van een mens op dat van een varken leek. Tenslotte was hij slagersknecht geweest. Later mocht hij in zijn eentje de zaak weer netjes dichtnaaien; hij zorgde er wel voor dat de overledene er netjes bij kwam te liggen. 's Avonds zat hij aan de poort tot een nachtzuster het overnam. Meer dan veertig jaar zou hij bij de nonnen blijven, als een haan in een kipperen. Hij koos een van de Brabantse meisjes, die in de grote keuken hielpen, tot zijn vrouw. Kreeg de dienstwoning en werd vader. Keer op keer. Het ideaal van de moeder was tien kinderen, net als bij haar thuis. Tot haar spijt moest ze bij acht definitief stoppen; de laatste twee waren al keizersnedes.

Natuurlijk mochten de nonnen hem dag en nacht oproepen via de huistelefoon: om een zuurstoffles aan te sluiten, een kapotte operatielamp te vervangen of om vlug een halve liter bloed te geven als dat nodig was. Toen Lieveke een keer op school vertelde dat hun telefoonnummeer 002 was werd ze uitgelachten; dan krijg je de tijd wisten alle andere meisjes. Toch stond het echt op het grote, zwarte bakelieten toestel dat aan de muur hing en waar zij nooit mee mochten bellen. Hij rinkelde alleen als de vader snel moest komen voor het een of ander.

Het Sint Jan is onlangs dichtgetimmerd, wachtend op een andere bestemming, dus ligt de vader in een spiksplinternieuw ziekenhuis waar hij niemand kent. Er komt geen gesluierd hoofd om de deur kijken hoe het met hem gaat maar vlotte, jonge dingen. Nooit dezelfde.

Vaders handen liggen doelloos op de katoenen sprei; zijn vingers frunniken aan een zoompje. Hij wil iets kwijt waar hij gek genoeg vanmorgen, liggend in dat bed, opeens aan moest denken. Jacob Maasland was een goed boerende kaashandelaar die de nonnen, vlak na de oorlog, als klant had weten te verwerven. Het was een aardige man die altijd even een praatje met de vader kwam maken; hem vroeg hoe het met de kinderen ging. Zelf had hij er, tot zijn spijt, geen. Op een dag, zegt de vader, vertelde ik Maasland dat Izaak zichzelf had leren lezen in de zomermaanden voor hij naar de lagere school zou gaan. Daar was ik nogal groos op. Piet, zei Maasland, jij hebt nu vier kinderen. De vijfde is op komst. Geef mij die oudste. Hij zal het goed bij me hebben. We zullen hem als ons eigen kind behandelen, hij zal later de zaak overnemen want dat ventje is pienter. Zeg niets nu; denk erover na.

De vader had niets gezegd. Niets weten te zeggen. Ook thuis had hij er met geen woord over gerept. Maar die nacht werd hij wakker uit een nachtmerrie waarin hij zijn oudste zoon, die al lezen kon, had weggegeven omdat hij hem zo'n toekomst nooit zou kunnen bieden. Badend in het zweet zocht hij woorden om het zijn vrouw op te biechten. Toen hoorde hij naast zich, tussen hemzelf en de moeder in, nog een ademhaling. Piepend. Izaak had kinderkrupp en mocht als hij benauwd was altijd tussen hen inliggen, zodat ze hem konden wekken als hij bijna stikte en konden ze hem suikerwater laten drinken.

Hij voelde voor de zekerheid even aan het kind: wist niets te hoeven bekennen.

Gek hè, zegt de vader, Maasland is er nooit meer op teruggekomen terwijl ik hem jarenlang wekelijks zag. Alsof hij niets gevraagd had. En ik heb er nooit meer aan gedacht. Tot vandaag.

Thuis wacht de moeder die niet weet waar de vader zolang blijft. Lieveke vertelt over het ziekenhuis en het verhaal dat ze hoorde. De moeder zoekt in haar hoofd, nee, ze kent het niet. Maar toen jij net was geboren, kwamen Hannes de Bruin en zijn vrouw Nel op kraamvisite. Hannes handelde in paarden, koeien en fruit. Nel kon geen kinderen krijgen. Ze huilde toen ze je vast hield. Hannes zei tegen mij: “Vrouw van Prins, verkoop deze appel maar aan mij voor duizend gulden”, en tegen zijn vrouw “Ze heeft vast nog nooit een biljet van duizend gulden gezien.” De moeder moest er nog om lachen. Tot de dag van vandaag, bijna veertig jaar later, heeft ze nog steeds geen duizendje gezien.

“Die bestaan helemaal niet”, kraait ze, “Hannes hield je altijd voor de gek.”