We hebben hier al regelmatig aandacht gegeven aan ...

We hebben hier al regelmatig aandacht gegeven aan het verschijnsel van de "tips', aanbevelingen of raadgevingen die beogen de gemiddelde bridger een betrekkelijk eenvoudig recept te bieden voor de aanpak van meestal niet zo eenvoudige situaties.

De Bols Tips en de internationale competitie die hieraan is vastgeknoopt, zijn het bekendste voorbeeld omdat ze door hun opzet veel publiciteit trekken, want de coryfeeën van de internationale bridgewereld die jaarlijks worden uitgenodigd een tip in te zenden, hebben inmiddels al een groot aantal bijzonder waardevolle adviezen afgeleverd. Maar ook geven nogal wat schrijvers van bridgeboeken zich veel moeite uit de door hen behandelde stof handzame tips te distilleren. Een voorbeeld hiervan zijn Cees Sint en Ton Schipperheyn die nu zelfs een serie van vier boekjes onder de titel Bridge Tips hebben gepubliceerd. Toch is er niets nieuws onder de zon.

Al in het prille begin van het contract-bridge beijverden de toen nog ongediplomeerde docenten zich de zo moeilijke leerstof tot overzichtelijke proporties terug te brengen door goed in het gehoor liggende slagzinnen zoals "de derde man doet wat hij kan' of "door het zwak naar het sterk'.

De eerste bondsvoorzitter, kolonel Lucardie, wiens naam ten onrechte in de vergetelheid begint te raken, was onvermoeibaar bezig de beginnende bridger aanwijzingen in het geheugen te prenten. Hij deed dit bij voorkeur op rijm. Dat maakt nu een oubollige indruk, maar de essentie is bewaard gebleven, want de didactiek van het spel heeft nog niet veel alternatieven opgeleverd. Het gevaar van deze aanpak is overigens evident: het kost vaak veel moeite om van het klakkeloos toepassen van al die vuistregels af te komen. Neem een hand als deze (O gever, niemand kwetsbaar):

ß7 --

ß6 H 7 3

ß5 V 9 8 4 3

ß4 A H 8 6 2

Z:

--

1 ß6

4 ß6

W:

--

2 SA

?

N:

--

pas

O:

pas

4 ß4

Wat doe je als W in een viertallenwedstrijd? Als in een reflex zullen veel W-spelers 5 ß4 bieden en dat bod achteraf rechtvaardigen door redeneringen als: ""Door O's 4-ß4-bod zijn ß4 A-H geen defensieve slagen meer waarop ik kan rekenen, want de kans is groot dat een of beide honneurs worden getroefd. Bovendien biedt partner preëmptief (hij heeft in de voorhand al gepast), dus bij hem valt op veel defensieve slagen ook niet te rekenen.''

Om te beginnen overzien ze dan dat Z door het bieden van OW werd geforceerd tot een bod, 4 ß6, waarvoor hij eigenlijk niet sterk genoeg is. Anders had hij met 4 ß6 of met een sterk 2-bod geopend. O moet dus wel enige defensieve waarden hebben.

Maar veel belangrijker zijn de defensieve mogelijkheden die de in W's hand afwezige ß7-kleur biedt. Maar hiervoor moet je niet worden geblokkeerd door een van de vele ijzeren regels die je als beginner worden geleerd: "Kom nooit onder een Aas uit tegen een troefcontract!' Dat je tegen een troefcontract wel eens onder A-H kunt uitkomen, valt dan helemaal buiten je gezichtsveld. Maar als je de aftroefmogelijkheden in ß7 ziet die ontstaan als je partner aan slag kan komen, moet toch eigenlijk vanzelf de vraag bij je opkomen hoe waarschijnlijk het is dat partner ß4 V bezit. Hij zal 4 of 5 ß4-kaarten bezitten, en dus is het veel waarschijnlijker dat hij ß4 V in handen heeft dan N of Z die samen 3 of 4 ß4-en hebben. Onder ß4 A-H uitkomen brengt partner aan slag, tenzij N of Z een renonce in ß4 heeft. Die kans is bij 3 kaarten 22 en bij 4 kaarten nog geen 10 procent. Als de ß7-aftroever dan is gemaakt, zal ß6 H de derde slag voor OW zijn, waarna het toch wel heel vreemd moet lopen als O naast ß4 V voor zijn 4-ß4-bod niet nog ergens een voor de defensie nuttige kaart zou hebben.

Dit was het hele spel:

ß7 10 8 7 6 5 4

ß6 9

ß5 B 7 5 2

ß4 9 5

ß7 ---

ß6 H 7 3

ß5 V 9 8 4 3

ß4 A H 8 6 2

ß7 A 9 3 2

ß6 V B 8

ß5 10 6

ß4 V B 10 3

ß7 H V B

ß6 A 10 6 5 4 2

ß5 A H

ß4 7 4

W werd werkelijk vorstelijk beloond voor zijn besluit op 4 ß6 te passen en vervolgens met ß4 8 uit te komen. 5 ß4 gaat 3 down en 4 ß6 gaat 4 down! O kon in ß4 zelfs twee maal aan slag komen, en W kreeg 2 ß7-introevers.

Uit dezelfde twaalfde Unisys Bridge Marathon 1991 komt dit spel:

ß7 B 6 5 3

ß6 7 2

ß5 A B

ß4 B 10 6 4 3

ß7 10 9

ß6 A V B 9 8 6

ß5 10 7 6 5

ß4 H

ß7 4 2

ß6 5 3

ß5 H V 8 4 3

ß4 9 7 5 2

ß7 A H V 8 7

ß6 H 10 4

ß5 9 2

ß4 A V 8

Biedverloop:

Z:

1 ß4

3 SA

W:

2 ß6

a.p.

N:

dbl.

O:

pas

Als Z was ik niet trots op mijn 3-SA-bod. Na de sterke 1-ß4-opening had N met zijn negatieve doublet op W's zwakke sprongvolgbod een 4-kaart ß7 getoond en bood ik 3 SA om mijn ß6 H te beschermen tegen een ß6-uitkomst door O. Maar te laat besefte ik dat ik door 4 ß7 te bieden zelf de eerste ß7-bieder zou zijn geweest en dat W dus moet uitkomen. Typische marathon-vermoeidheid. Tegen 3 SA legde W ß6 A op tafel en vervolgde met ß6 V voor de H. Hierna volgde vier maal ß7 waarna N aan slag was. Na twee maal te hebben bekend gooide O een aanmoedigende ß5-kaart af en een niet-aanmoedigende ß4.

Het is duidelijk dat het welslagen van de onderneming afhangt van de ß4-kleur waaruit de negende slag moet komen. Toen op de voorgespeelde ß4 B bij O een kleine ß4 verscheen, hoefde ik niet lang na te denken om ß4 A te spelen. Dat leverde toen ook nog 2 overslagen op.

Moest je in het eerste spel bedacht zijn op een uitzondering op een algemene raadgeving, uit dit spel laat zich een "tip' distilleren waarop geen uitzondering van toepassing is: let er in het tegenspel bij het afgooien van op zichzelf waardeloze kaarten op dat je geen waardevolle informatie verraadt over je partners hand. O zou van ß4 H-x-x(-x) nooit een ß4 hebben afgegooid, want hij ziet dat hiermee de hele ß4-kleur van NZ hoog wordt. Hij verraadde door zijn ß4-ecart dus dat W ß4 H bezat. Waarmee ik daar laat dat ik veiligheidshalve altijd ß4 A had moeten slaan, want O mag wel, maar W niet aan slag komen. Het was een marathon, en dus weet je nooit of je voldoende wakker bent om zoiets zonder hulp tijdig te zien.