TEGEN DE MINACHTING VOOR DE VERZORGINGSSTAAT

Op zoek naar het hart van de verzorgingsstaat door C. J. M. Schuyt 370 blz., Stenfert Kroese 1991, f 57,50, ISBN 90 207 213 80

Bij "Schuivende Panelen' denk ik onwillekeurig aan wuivende palmen, maar word ik nooit herinnerd aan de vernieuwing van de Partij van de Arbeid. Ik vond het altijd al een wat vreemd en weinigzeggend beeld, waarvan ik nu pas begrijp dat het is ontleend aan de eerste van de beschouwingen die de socioloog en jurist Cees Schuyt sinds 1983 in de Volkskrant aan de miljoenennota wijdt.

Hij gebruikte het beeld om het probleem te schetsen van de gelijktijdigheid van het ongelijktijdige in de samenleving. Het eerste paneel wordt gevormd door de traditionele Nederlandse samenleving, een standenmaatschappij met sterk hiërarchisch-elitaire trekken. Die verdwijnt nu langzaam achter het huidige paneel van een ver "uitgedijde verzorgingssamenleving', die op haar beurt weer lijkt plaats te maken voor het paneel van de "high-tech informatiesamenleving' van de toekomst.

Het is 1983 en het gaat niet goed met Nederland. Het eerste kabinet Lubbers probeert, zo betoogt Schuyt, de achterhaalde waarden van de traditionele Nederlandse samenleving te doen herleven, maar realiseert zich onvoldoende dat een zorgzame samenleving strijdig is met het karakter van de verzorgingsstaat. De uitdijende strukturen probeert men uit financieel-economische noodzaak terug te dringen, maar houdt daarbij geen rekening met de enorme sociale en economische gevolgen van de technologische ontwikkelingen. Er is volgens Schuyt sprake van een politiek van de korte termijn en een volledig gebrek aan visie op de lange termijn. Die lamentabele combinatie zal uiteindelijk leiden tot nieuwe vormen van sociale ongelijkheid en daarmee tot toenemende onrechtvaardigheid tussen generaties. Het gevolg: wie te laat is geboren, deelt niet in de rijkdom die de eerdere generaties in ieder geval voor zichzelf willen redden. De toekomst betaalt de prijs voor het potverteren van nu.

ACHTERBLIJVEN

Dat was in 1983 maar er is een opvallende continuïteit in Schuyts' besprekingen van de miljoenennota's in de jaren tot 1990. Samen met enkele ander essays zijn ze nu gebundeld in Op zoek naar het hart van de verzorgingsstaat. De grootste zorg van Schuyt is het steeds verder achterblijven in de samenleving van grote groepen waarvoor geen plaats is in een bestel waarin arbeid topsport is geworden. Zij zijn daarom gedoemd tot een bestaan waaruit alle sociale zin en iedere maatschappelijke binding is verdwenen.

In de eerste helft van de jaren tachtig betreft het vooral de werklozen en de jongeren, later ook van de arbeidsongeschikten, de ouderen en de minderheden. De voortgaande bezuinigingen op het sociale verzekeringsstelsel maken dat voor deze groepen, zeker als ze een aantal jaren zonder werk zijn, een voortgaande deprivatie dreigt die zou kunnen omslaan in werkelijke armoede.

Toenemende ongelijkheid in de inkomensverdeling en de maatschappelijke participatie is het kernprobleem van de verzorgingsstaat geworden in de tijdspanne die deze bundel bestrijkt. Schuyts' betrokkenheid met het lot van de achterblijvers verandert gaandeweg in een regelrechte aanklacht wanneer hij iedere miljoenennota opnieuw moet constateren dat de oplossingen die de regering aandraagt het probleem alleen maar erger maken. Volgens hem heeft de maakbaarheidsideologie van het kabinet Den Uyl - de fantasie dat de samenleving door de overheid "gelukkig geregeld' kan worden - plaatsgemaakt voor een nieuwe maakbaarheidsideologie die alle heil verwacht van technologische vernieuwing en economische marktwerking.

In maatschappelijk opzicht worden van innovatie en concurrentie vrijwel uitsluitend positieve effecten verwacht, niet alleen in de vorm van meer arbeid, maar ook van beter onderwijs, een levendige cultuur en een bloeiender sociaal leven. Of die effecten ook werkelijk optreden, sneert Schuyt, wordt evenwel nooit onderzocht, terwijl de overheid zich al helemaal niet meer bekommert om de minder wenselijke gevolgen van de eigen interventies.

Gaandeweg de jaren tachtig treedt de overheid niet alleen terug, maar vertrapt volgens Schuyt ook veel waardevols en creëert steeds weer opnieuw onrust met nieuwe plannen die voor veel burgers weinig minder zijn dan een aantasting van hun rechtszekerheid. Als de overheid al zo onverschillig is over het welzijn van haar burgers en zo slordig met hen omgaat, dan is het volgens hem ook niet meer verbazend dat de burgers onverschillig worden voor elkaar en de samenleving als geheel. De solidariteit verdwijnt en de rechtsstaat sterft af. De verloedering grijpt om zich heen, van hoog tot laag.

In de visie van Schuyt is er in de jaren tachtig in Nederland een sociaal klimaat ontstaan, dat mensen bijna dwingt zich te gedragen als een "elkaar vertrappende troep wolven'. Ethologisch is het beeld niet correct, maar als metafoor is het maar al te duidelijk. Het eigenbelang gaat boven het algemeen belang en iedereen zal proberen zoveel mogelijk te profiteren en zelf zo min mogelijk te investeren. ""Nu begint bijna iedereen te graaien en elkaar weg te duwen voor de volgende voordeelbrengende of nadeelvermijdende slag,' schrijft Schuyt. Wat overblijft is de combinatie van "prisoner's dilemma' en "free rider-syndroom' die Herman Vuijsje een week of twee geleden in de Zaterdagbijlage van deze krant beschreef.

Interessant is dat Schuyt als onbedoelde resultaat van de verzorgingsstaat juist datgene beschrijft wat in de meer internationaal gerichte historische studie van de verzorgingsstaat Zorg en de staat van Abram de Swaan verschijnt als het onbewuste, maar onvermijdelijke mechanisme dat ten grondslag ligt aan de steeds omvangrijker en ingewikkelder wordende "verzorgingsarrangementen'. De tegenspraak is schijnbaar, omdat Schuyt laat zien dat de verzorgingsstaat het slachtoffer wordt van dezelfde neiging tot het pakken van het eigen voordeel, waartegen de verzorgingsstaat juist de zwakkere heeft willen beschermen.

GRONDSLAGEN

In kort bestek bieden Schuyts kritieken op de miljoenennota's fundamentele discussies over de normatieve, juridische, sociale en culturele grondslagen van de verzorgingsstaat en de wijze waarop het regeringsbeleid ondermijnt wat het zou moeten versterken. Niets van wat de regering in het afgelopen decennium voorstelde of deed, lijkt in zijn ogen positief beoordeeld te kunnen worden en geen enkele maatschappelijke ontwikkeling lijkt een verbetering ten opzicht van het verleden in te houden.

Dit sombere beeld is een direct gevolg van de positie die Schuyt inneemt. Hij noemt zijn beschouwingen "maatschappelijke essays' en neemt daarmee nadrukkelijk afstand zowel van een partijpolitieke interpretatie als van een wetenschappelijke reflectie, al spelen beide onmiskenbaar een belangrijke rol in zijn analyse.

Schuyt kijkt naar de miljoenennota's vanuit het perspectief van de mensen die de verzorgingsstaat het meest nodig hebben en er zelf het minst aan kunnen bijdragen. Hij heeft een scherp oog voor het uitzichtloze van hun situatie en voor het gemak waarmee over hun belang wordt heengelopen. Het morele gehalte van de verzorgingsstaat, zoals dat tot uitdrukking komt in het gedrag van de overheid zowel als van de burgers, neemt volgens hem steeds verder af en hij ziet geen tekenen van herstel.

Verderop in zijn boek, als hij het heeft over de veranderde plaats van de Hoge Raad in de samenleving - een essay waarin prachtig duidelijk wordt hoeveel sociologie en rechtswetenschap aan elkaar kunnen hebben - gaat Schuyt in op de bij de Hoge Raad geconstateerde tendentie "de bescherming van de zwakkere partij' voorop te stellen. Ten aanzien van de verzorgingsstaat en het regeringsbeleid treedt hij zelf nauwelijks verholen als Hoge Raad op: de zwakkere partij wordt beschermd en alle beleidsuitspraken worden terug verwezen naar eerdere instanties, een rol die bij Schuyt vaak vervuld wordt door Erasmus, Kant of Spinoza. Dat is geen kwestie van "name-dropping' maar van ware eruditie en belezenheid.

De categorische afwijzing door Schuyt van de teneur van alle miljoenennota's van de afgelopen tien jaar en de strenge kritiek op de verzorgingsstaat heeft in de compactheid van de herhaling uiteindelijk wel een nogal deprimerend effect op de lezer. Het klopt ook niet met in ieder geval mijn gevoel voor herinnering. Zowel nationaal als internationaal gezien is er toch een heel verschil tussen het begin van de jaren tachtig, toen naast een ernstige economische crisis ook nog volop van een hevige bewapeningswedloop sprake was, en het eind ervan.

De algemene stemming was op oudejaarsavond 1979 toch echt heel anders dan op oudejaarsavond 1989 en dat meer optimistische perspectief is ook nu nog niet verdwenen. Dat is niet alleen het "optimisme der onmatigen', zoals Schuyt het noemt, het is ook het optimisme, de "spirit', van de "vitale en humane krachten', die hij in zijn stukken zo bezwerend weet op te roepen als de werkelijke bronnen voor sociale en economische vernieuwing.

Schuyt perkt zijn perspectief bovendien wel heel erg in tot Nederland zelf. Dat maakt het aan de ene kant erg moeilijk om nog te zien in hoeverre veel van wat er in Nederland aan maatregelen nodig werd gevonden, meer was dan een poging niet te veel achterop te raken bij de economische ontwikkeling in de ons omringende landen. Aan de andere kant leidt het ook tot een vergroting van problemen die in internationaal perspectief gezien toch heel relatief zijn. Rijk zijn is bijna overal leuker dan hier, maar arm zijn kun je toch maar het beste in Nederland.

"MAATSCHAPPIJVORM'

De geschiedenis van de verzorgingsstaat is nog niet geschreven en dat is zowel jammer als begrijpelijk. Voordat de socioloog Piet Thoenes omstreeks 1960 het begrip "verzorgingsstaat' introduceerde, was het beeld van de ontwikkeling die zich in het Nederlandse overheidsbeleid begon af te tekenen, nog betrekkelijk diffuus. Thoenes zelf gaf bovendien in zijn definitie van het begrip impliciet al aan dat er met de verzorgingsstaat iets bijzonders aan de hand was. Hij omschreef de verzorgingsstaat als een "maatschappijvorm', daarmee aangevend dat het niet alleen om wetgeving of een bureaucratische struktuur gaat, maar om een bepaalde inrichting van de samenleving op geleide van een complex van regels, rechten en voorzieningen. Vanuit hetzelfde perspectief zou Abram de Swaan later van verzorgingsarrangementen spreken. Traditionele begrippen zoals staat, samenleving en maatschappij zijn niet voldoende bij machte om het eigen karakter van de verzorgingsstaat goed weer te geven en dat maakt het ook moeilijk om de grenzen van de verzorgingsstaat precies te bepalen.

Het is langzamerhand heel gebruikelijk geworden om te spreken over "de opbouw' van de verzorgingsstaat. In werkelijkheid is wat er terugkijkend uitziet als een min of meer logische ontwikkeling, toch pas echt een plan geworden toen het meeste werk al gedaan was. Pas het kabinet Den Uyl voerde de voltooiing van de verzorgingsstaat hoog in het vaandel. Maar de belangrijkste wetten en sociale voorzieningen waren toen afzonderlijk en zonder verwijzing naar de verzorgingsstaat al gerealiseerd en daar is sindsdien niet veel meer bijgekomen. Wel is het allemaal veel meer van hetzelfde geworden, het volume en de kosten zijn enorm gestegen, en dat is dan ook het probleem bij uitstek in het afgelopen decennium geweest. Opgelost is dat probleem nog steeds niet, zoals uit de huidige WAO-discussie blijkt.

De verzorgingsstaat is geen socialistische uitvinding, integendeel zelfs. Schuyt schreef in 1984 met wat nu een vooruitziende blik lijkt, dat de verworvenheden van de verzorgingsstaat voor een belangrijk deel het gevolg zijn van vooral confessionele compromispolitiek: ""De PvdA heeft dit compromis volledig ondersteund en toegejuicht, maar niet uitgevonden.'

Bij lezing van zo'n zin zie ik onwillekeurig de mevrouw op de PvdA-gewestvergadering voor me, die met overslaande stem Kok beticht van "verraad van het socialisme'. De ironie van het lot wil dat Schuyt zijn observatie doet in een essay dat eerder is gepubliceerd in het liber amicorum dat Joop den Uyl kreeg toen hij 65 jaar werd.

Dit stuk maakt deel uit van een reeks beschouwingen, die in het boek aan de besprekingen van de miljoenennota's voorafgaan. Vooral in deze essays verbindt hij het sociologische thema van de maatschappelijke ongelijkheid en achterstelling met het politiek-juridische thema van de onrechtvaardigheid in de verdeling van arbeid, kennis en inkomen.

COLLEGA-SOCIOLOGEN

Dit is Schuyts eigen "pars-pro-toto generalisatie' van de problematiek van de verzorgingsstaat. Dat is een bewust gekozen omschrijving, want volgens hem nemen alle Nederlandse denkers over de verzorgingsstaat in hun beschouwingen slechts één element daarvan onder de loep en presenteren dat als representatief voor het geheel. Dat "pars-pro-toto-perspectief' is ook de leidraad in zijn behandeling van de opvattingen van collega-sociologen.

Het verst van zijn standpunt en interesse verwijderd staat Jacques van Doorn, wiens interesse voor de verzorgingsstaat sterk bepaald wordt door het vraagstuk van de verwerving en verdeling van macht. Zijn belangstelling gaat daarbij niet alleen uit naar politieke en beleidsprocessen, maar vooral naar organisaties, hun struktuur, hun interne en externe verhoudingen en machtsinstrumenten, zoals bijvoorbeeld techniek. Is Van Doorn meer bij de VVD in te delen, Anton Zijderveld identificeert zich eerder met het CDA en in zijn sociologie van de verzorgingsstaat komt dat tot uitdrukking in zijn onderzoek naar instituties en het "maatschappelijk middenveld' van niet-overheids organisaties. Abram de Swaan ten slotte is vooral gefascineerd door de ontwikkeling van verzorgingsarrangementen, voortgekomen uit een eigen belang van individuen om voor anderen, elkaar en het algemeen belang te zorgen. Bij zorg hoort afzien van geweld en past altruïsme en professionaliteit. In de verzorgingsarrangementen drukt zich zowel de toenemende onderlinge afhankelijkheid van mensen als hun toenemende individuele onafhankelijkheid uit. Politiek lijkt De Swaan nog het best bij D66 te passen. Schuyt zelf staat politiek gesproken met zijn standpunten het dichtst bij de Partij van de Arbeid.

Deze indeling wil niet zeggen dat de generalisaties van de sociologen zelf politiek van karakter zijn, maar ze passen wel bij bepaalde politieke standpunten. Het feit dat theoretische invalshoek en politiek perspectief in geval van de verzorgingsstaat zo dicht bij elkaar kunnen liggen, wijst er op dat de verzorgingsstaat niet zomaar een werkelijkheid buiten de onderzoeker is. De onderzoeker is zelf participant in of van de verzorgingsstaat.

RECHT EN ORDE

De beschouwingen over de verzorgingsstaat van Schuyt monden overigens niet alleen uit in de kritieken op de miljoenennota's. In de twee laatste delen van het boek wordt het perspectief specifieker. Er is een reeks opstellen van hoog niveau over recht, orde en overheidsbeleid, met zeer indringende beschouwingen over de waarde van de rechtsstaat en de maatschappelijke verantwoordelijkheid voor het milieu, een onderwerp dat in Nederland bij sociologen van het kaliber van Cees Schuyt nog veel te weinig aandacht krijgt.

Naast deze rechtssociologische en rechtsfilosofische essays zijn er een aantal hoofdstukken over wetenschaps- en onderwijssociologische vraagstukken. Schuyt was enkele jaren geleden de belangrijkste auteur van een in onderwijskringen geruchtmakend WRR-rapport over de basisvorming, maar echt kwaad zie je hem toch altijd pas worden als de overheidsbemoeienis met de universiteiten ter sprake komt. Dat maakt dat ook in een afsluitend hoofdstuk over "het student' een vrolijk begin naar een droef eind leidt: de modelstudent wordt een modulestudent, de universiteit is verworden tot weinig meer dan een schoolse en bureaucratische massa-organisatie.

De teneur van het boek klinkt maar al te duidelijk: de verkeerde mensen nemen op grond van verkeerde inzichten de verkeerde beslissingen, met als gevolg dat het van kwaad tot erger gaat. Al lezend begon ik me steeds meer af te vragen of Schuyts protest - want dat is het toch eigenlijk - zich niet vooral richt tegen het systeemkarakter van de verzorgingsstaat, tegen enerzijds het bureaucratisch gezag dat nu ook oude vrijplaatsen als de universiteiten beheerst en anderzijds het primaat van de macro-economie die de marges van de politiek tot in details dicteert. Als dat zo is, valt ook te begrijpen waarom Schuyt als socioloog in de verzorgingsstaat vooral de problemen ziet, terwijl economen die zich met de verzorgingsstaat bezighouden altijd onmiddellijk met oplossingen komen aanzetten.

Op zoek naar het hart van de verzorgingsstaat is een hard boek, omdat het zonder omhaal de zwakke plekken blootlegt van de verzorgingsstaat en van de overheid die er zich voor verantwoordelijk weet. Schuyt zegt vooral te hebben willen onderzoeken wat nu de kern van de verzorgingsstaat is, de kern die in ieder geval niet aangetast zou mogen worden.

Dat doel is in het geweld van de kritiek toch wat uit het zicht geraakt. Ook Schuyt wil dat de verzorgingsstaat blijft, maar wat er precies moet blijven en hoe dat gerealiseerd moet worden, blijft vaag. Duidelijk is hij wel over wat er allemaal niet goed is en wat en wie er gevaar loopt vergeten, vertrapt of verdrukt te worden. Afgaande op wat er al over is uitgelekt, zal de komende miljoenennota weinig minder moeten opleveren dan een beschouwing over het uitgerukte hart van de verzorgingsstaat.