Stanley Menzo, keeper van Ajax: "Ik neem de hele wereld op mijn schouders, ook als ik het niet aankan'

"Iedere keer dat ik niet word opgenomen in de selectie van het Nederlands elftal wil ik stoppen met voetbal.' Deze week tegen Polen ontbrak Ajax-keeper Stanley Menzo (1963, Paramaribo) opnieuw in Oranje. Een "vliegende kiep van geboorte' over zijn frustraties, dwarrelballen, de eenzaamheid van de doelman en tribune-racisme: "Kankerneger, baviaan... zodra je verslapt ruiken ze bloed, maken ze je af.'

Je bent aan de dood ontsnapt, zei mijn moeder de hele tijd. Je bent aan de dood ontsnapt. Ik was te verdwaasd om het tot me te laten doordringen. Oom Rudi had me die morgen wakker gemaakt: "Stan, er is een SLM-toestel bij Zanderij neergestort. Ik ben bang dat het de jongens van het Kleurrijk Elftal zijn.'

In het ziekenhuis was het een chaos. Hier en daar lagen mannen aan beademingsapparatuur, de meesten zouden overlijden. Janken, janken, janken. Een dokter vroeg me iemand te identificeren: ze dachten dat het om mijn neef ging, Feyenoord-speler Paul Nortan. Maar die had na lang peinzen afgezien van de trip - hij zat thuis met een pasgeboren kind. Ik was een dag of wat eerder vooruitgevlogen naar Paramaribo. Ajax had me geen officiële toestemming gegeven om deel te nemen aan de tournee, maar ik dacht: onder het mom van vakantie vieren in Suriname speel ik stiekem een beetje mee. Wist ik veel dat het mijn redding zou betekenen.

Krap tweehonderd doden. Je verliest kennissen, vrienden, maten. Lloyd Doesburg, achter mij tweede keeper van Ajax, was er ook bij. Daar heb je mee gedold. Daar ben je ontroostbaar over. Het is een gebeurtenis die altijd tussen jou en anderen blijft staan: niemand kan het met je meevoelen - onmogelijk. Maar misschien is het sowieso onmogelijk met mij mee te voelen. Stanley Menzo is een hele vreemde.

Ik sta alleen. Een keeper is per definitie eenzaam: als wij een doelpunt hebben gemaakt, moet ik in mezelf een feestje bouwen, terwijl de andere jongens elkaar voorin om de nek vallen. Ze zullen nooit op jou afrennen. En als we door een misgreep van mij een goal tegen krijgen, ben ik helemáál aan mezelf overgeleverd. Dan draaien ze hun rug naar je toe, weetjewel, schudden ze met hun hoofd, maken ze wegwerpgebaren. Ik neem dat de spelers ontzettend kwalijk. Je zakt toch al door de grond, en dan trappen je collega's je ten overstaan van duizenden mensen nog een stuk verder onder de zooien. Terwijl ik tientallen keren fouten herstel die zij uit gemakzucht, luiigheid of pure slordigheid hebben gemaakt.

Ik begrijp het ook niet. Ze moeten met Menzo verder, het is toch niet in hun belang dat jij als een dweil achterblijft? De enige die me ooit opbeurde was Ronald Spelbos. Gouden jongen, voelde aan wat je als keeper doormaakt. De nieuwe generatie verdedigers mist die solidariteit. Als ik daar wat van zeg beloven ze beterschap, maar de eerstvolgende keer is het weer raak. Het heeft ook geen zin als ze het alleen voor mij doen - het is een kwestie van innerlijke beschaving, het moet uit jezelf komen. Maar de voetballerij is nu eenmaal compleet asociaal.

Ik zeg vaak tegen de jongens: "Kom eens een wedstrijd achter me staan, je schrikt je rot wat je ziet. Ga jj zeven keer per potje dood.' Ik zie waar de gaten vallen, ik zie elk potentieel gevaar, alle risico's. Een keeper staat onder veel grotere geestelijke druk dan de rest van de ploeg. Je leeft op een lijntje: het is goed of slecht. Ze vinden je alleen goed als je foutloos bent, en dat is niemand. Het is een absurde eis om aan een mens te stellen, maar ik heb eraan te voldoen. Week na week. Tegelijkertijd ben je machteloos. Het staat 0-0 en we laten kansen onbenut... nou jongen, dan vreet je je handschoenen op. Je staat daar maar, je fokt jezelf op, je bedenkt de mooiste aanvalspatronen, maar je kunt niets doen. Een soort gevangene.

Ook als het lekker loopt en ik negentig minuten lang niks te doen krijg, heb ik het gevoel dat ik geestelijk en fysiek word gesloopt. Vorige week tegen MVV: twee schoten op doel, twee terugspeelballen. Het zwaarste wat ik die middag deed was de warming-up. Toch zat ik na afloop zwetend en trillend in de kleedkamer. De spanning vreet aan je, door het gebrek aan acties is er geen ontlading, en dan slaat het over op je spieren. Het voelt alsof je tig kilometers hebt gelopen.

Voor medespelers blijft zo'n verhaal de uitleg van een zombie, iemand van een andere planeet. Ik heb enorme ruzies met ze. Neem de training: een keeper krijgt graag eerst een paar ballen in zijn handen geschoten, wil vervolgens een paar schuivers náást - zodat-ie zich kalmpjes kan laten vallen - en verwacht dan het ruigere werk. Maar nee hoor, die gasten beginnen direct te rammen. En jij maar grabbelen. Ze denken alleen aan zichzelf; de doelman kan barsten. Zeg je er wat van, dan steekt zo'n losbol als Marciano Vink nog de draak met je ook. Voetballers zijn enorme egoïsten. De meesten lijken niet te beseffen dat ze een teamsport beoefenen.

Ik ben altijd bezig mezelf en anderen te corrigeren. Het is een absurd soort perfectionisme. In mijn vak mag niets, niets misgaan. Om dat te bereiken heb ik het allerbeste materiaal nodig, bijvoorbeeld een shirt met een ingenaaid stuk schuimrubber aan de voorkant. Zo'n laag remt ballen af die met snelheden van rond de honderd kilometer per uur tegen mijn borst dreunen. Als ze maar éénduizendste seconde blijven kleven, kan dat het verschil zijn tussen een vangbal en een doelpunt. Verder moet het shirt een knallende kleur hebben - schrikt tegenstanders af en staat mooi bij dat donkere, ijdele koppie.

Ik heb tijden gezocht naar schoenen waarmee ik mijn afzet kon verbeteren. Vier noppen voor en twee achter is verre van ideaal: bij een zijwaartse duik glijd je soms uit. Extra noppen waar dan ook op de zool helpen niet. Daardoor zak je niet diep genoeg in de aarde en heb je dezelfde ellende. Zo experimenteer ik maar door, tot gekwordens toe. Met dat voetenprobleem kan ik enigszins leven sinds ik de coach van het nationale volleybalteam raadpleegde. Het fascineerde me dat die spelers razendsnel smashes retourneren. Het geheim: tenen schuin naar elkaar zetten, door je knieën zakken en losjes wiegend afwachten. Ben je zomaar weg. Een spits als Romario heeft er overigens een antwoord op: terwijl hij aanlegt voor een schot vertraagt hij die beweging even, zodat jij verstijft. Pas op dat ogenblik geeft hij een suffig rollertje af. Je denkt dat je er makkelijk bij kan, maar als je gaat moven ligt-ie al achter je.

De kwaliteit van de bal is essentieel. Lichte ballen, zoals vroeger de Azteca van Adidas, beginnen bij een flinke vaart te dwarrelen. Die gaan in wezen met jóu op de loop. Zo'n flodder suist op je af, je schat in waar-ie valt, maar terwijl je aan het duiken bent zie je al dat het drie centimeter meer naar rechts wordt. Je krijgt er geen volle hand achter, tik, via je vingertoppen tegen het net. Nog een gekneusde hand ook, weetjewel - dráma's. Ajax speelde in het verleden met de Mitre, een bal zonder gevoel. Kon ik ziedend over worden. Tegenwoordig is het de Derby Star. Zolang daar maar geen Zuidamerikaanse kunstbiljarter tegenaan trapt, houdt die een rechte vluchtlijn.

Lang niet alle spullen die we bij de club gebruiken, voldoen aan professionele maatstaven. Ondanks een bezoek aan de kledingsponsor in Engeland is mijn kleding nog steeds niet okee: zo zitten er op enkelhoogte ritsen aan de buitenkant van de broek waarin ik train. Iedere keer dat ik een bal uit een hoek moet halen, val ik op zo'n rits. Blauwe plekken, beurse knokkels... De anderen klagen er ook over. Hoe kan zoiets nou bij een topclub?

Mijn streven naar het optimale verraadt natuurlijk onzekerheid. Ik loop op mijn tenen. Ik zoek houvastjes, leuninkjes. Ik wil alles uitbannen dat me kan verrassen; ik haat het nieuwe. Als je elke vierkante centimeter van je leven op orde hebt, krijg je het gevoel dat je niet bang hoeft te zijn voor dingen waar je eigenlijk niet tegenop bent gewassen. Maar in de praktijk werkt mijn perfectionisme juist averechts: alles willen regelen, alles goed willen doen levert gevaren op. De ploeg lijdt daar weleens onder. Breekt er op rechts een gast van Austria Wien door, ga ik naar links kijken of daar alles netjes gedekt staat! Dom. Ik verlies de bal uit het oog, en die Oostenrijker schiet 'm in de korte hoek. Dat zijn rampen. Dat neem ik Stanley Menzo ontzettend kwalijk.

Kankerneger, hoerenjong, pleurisnikker, baviaan, vuile jood - dat is zo ongeveer waarvoor ze me op de tribunes uitmaken. "Er staat een aap in de kooi', "Apenheul, apenheul' en "Rotaap, terug naar je hok' zijn momenteel uit de mode, maar daarvoor in de plaats maken ze oerwoudgeluiden als ik iets doe wat ze niet bevalt. "Oe-oe-oe-oe', hard en ritmisch. De koude rillingen lopen over je rug. Tot voor kort kreeg ik ook hele fruitmanden aan exotische vruchten in mijn nek gegooid. En pinda's, ladingen pinda's. Schijnbaar wordt dat zo langzamerhand te duur.

De eerste keer dat ik racistische supporters tegen het lijf liep, speelde ik met het C-team van Ajax tegen Heerenveen. Ik kreeg een waas voor mijn ogen, schreeuwde en spuugde terug. Geen bal meer gezien en met 7-3 verloren. Als ze het hek hadden opengezet was ik ze achterna gerend om ze stuk voor stuk in elkaar te slaan. Tegenwoordig laat ik mijn prestaties minder makkelijk beïnvloeden. Ik voel me sterker; speel ik een goeie wedstrijd dan lach ik er zelfs om. Zodra je verslapt, lever je je uit. Dan ruiken ze bloed, maken ze je af, verrot en verdorven als ze zijn. Keepers kunnen onmogelijk vluchten, hè. En een pantser tegen zulke aanvallen bestaat niet. Schelden doet geen pijn, zeggen ze. Nou, òf het pijn doet.

Bij NAC maakte ik twee jaar terug mee dat het hele stadion mijn huidskleur op de korrel nam. Niet zomaar een handjevol tuig, nee, ie-der-een. Het golfde over het gras, ik hàd het niet meer: wat zou er wel niet gebeuren als die mensen het veld op kwamen om me even mee te nemen? PSV is ook erg. Ik kan me voorstellen dat joodse Ajax-fans het benauwd krijgen als lieden aan de overkant het sissende geluid van ontsnappend gas nadoen. Niet dat ònze aanhang zo fijnzinnig is, integendeel. Als iemand van de tegenpartij een blessure oploopt en een verzorger het veld inrent, hoor ik ze zingen: "Het had z'n nek moeten wezen, het had z'n nek moeten zijn'. Je schaamt je dood.

We speelden uit tegen Malmö toen ik plotseling iemand "Menzo kankeraap' hoorde schreeuwen. Ik dacht: ho, we zijn hier toch in Zweden? Zweden spreken Zweeds. Dit is dus mjn legioen. Later legde de F-side tegenover de spelers uit dat de teleurstelling over prestaties van het zogenaamd onverslaanbare Ajax af en toe zo groot is, dat de zweep over de eigen ploeg gaat. Als het zover komt, is het verbale geweld tegen "vijanden' sowieso niet te stoppen. Misschien is er maar één manier om een eind te maken aan dat botte razen en tieren: Ruud Gullit laten dreigen dat hij stopt met voetballen.

Ik zie er nog eens van komen dat een speler die niet langer tegen de beledigingen is opgewassen, gigantisch ontploft. Ooit heb ikzelf een supporter van Willem II een handvol tanden uit zijn mond geslagen. Ik loop met een kist naar de spelersbus, zegt die goser: "Zitten daar je bananen in?' Ik vraag of hij dat durft te herhalen. Doet-ie. Knal! Hij had de pech dat ik in die tijd net op boksles zat. Trots ben ik niet op zo'n akkefietje, maar ik zal nooit en te nimmer mijn excuses aanbieden. Het kan morgen weer gebeuren. Enkele weken na de ramp in Suriname voetbalden we tegen FC Den Haag. "Menzo heeft het vliegtuig gemist, SLM, SLM, SLM', klonk het uit een vak. Erger kun je het niet meemaken. Soms sta ik innerlijk te huilen in dat doel. Je verbrokkelt volledig. Het is dat je het niet wilt tonen, dat je het die lui niet gunt.

Ik vraag me dikwijls af waarom ik dit doe, wat er eigenlijk zo mooi is aan keepen - vooral wanneer het slecht gaat. Het moet de verantwoordelijkheid zijn. Dat jij het doorslaggevende verschil bent tussen winst en verlies. Ik ben een jongen die probeert de hele wereld op z'n schouders te nemen, ook als ik het niet aankan.

Ambitie om keeper te worden had ik absoluut niet. Maar wil je als jochie met grote jongens meevoetballen, dan moet je op goal. Doorgaans zijn het de lulletjes die het doel verdedigen, hè. Enfin, alles beter dan reserve staan. Op een gegeven moment blijk je talent te hebben: reflexen, explosieve instelling, snel. Je gaat je specialiseren, terwijl daar in feite geen klimaat voor is, want overal hangen goalies er maar wat bij. Die zijn letterlijk en figuurlijk de sluitpost. Ook bij Ajax: tot vijf jaar terug was er van specifieke keeperstraining geen sprake. Je kreeg een paar knallen op het doel, en dat was het dan. Geen analyse van je kwaliteiten, nul. De keeper was toch alleen maar de knaap die af en toe een bal stopte; wat werkelijk telde was dat de voorhoede er fluitend vier of vijf induwde.

In de moderne spelopvatting is de doelman een belangrijke schakel. Hij gedraagt zich als een soort meevoetballende regelneef, iemand die ook buiten het strafschopgebied optreedt. Nou ben ik nooit een lijnkeeper geweest die pas ging werken als aanvallers op zijn tenen kwamen staan. Ik heb altijd hunkerend op de zestien gelopen, klaar om in te grijpen. Vliegende kiep van geboorte, ja. Cruijff speelde daarop in toen hij Ajax kwam trainen: ons elftal hoorde volgens hem continu op de helft van de tegenstander te spelen en ik moest de ruimte achterin opvullen door elastiek-achtig voor mijn hok te hangen. Zijn bedoeling was de doellijn naar voren te verschuiven. Een redding tussen de palen heette een redding die eigenlijk te laat kwam: ik moest de zaak in een eerder stadium ritselen, spelers hun plaats wijzen en voorkomen dat het tot gevaarlijke situaties kwam. Volgens Cruijff keep je pas goed als je niet hoeft te keepen, begrijp je? Hij kan uitstekend voordoen hoe je zo'n rol vervult. Door zijn positiegevoel is hij een eersteklas doelman. Keepen is in wezen niks anders dan heersen over de ruimte: stapje hier- of daarheen, hoeken verkleinen, bal onderscheppen, hebbes.

Fout na fout maakte ik in het begin. Te vroeg uitgelopen, te laat... verkeerde diepte-timing. Er zat een psychische maatlat in mijn hoofd die maar niet wilde kloppen. In de eredivisie krijg je niet te maken met simpele peren van achteruit: ze trappen gedoseerd naar een spits die opduikt in het niemandsland tussen jou en je verdediging. Op zo'n moment gaat het om centimeters en tienden van seconden. Ik voelde me soms klote. Gooi je tegen Groningen snel uit, valt die bal op de hak van een tegenstander. Boem, goal. Wedstrijd verloren.

De pers nam me zo te grazen dat ik maandenlang geen letter durfde te lezen. Vakgenoten als Jongbloed en Hiele noemden me een paniekzaaier, een onruststoker. Maar Cruijff beschermde me. Hij kritiseerde me nooit in het openbaar, bleef in me geloven. Ondertussen hield hij je messcherp - alles wat je onder hem speelde was een finale. Op den duur moesten de critici toegeven dat ik er stond: ik begon bállen op te rapen, neeneenee zeg, wèdstrijden voor de ploeg gewonnen. Ook het organiseren ging me steeds beter af - eindelijk was het bazig-bemoeizuchtige karakter dat ik van nature heb ergens goed voor. Zonder mij als steunpilaar zou het Ajax-systeem nooit zo succesvol hebben gefunctioneerd. Die Europacup was ook mijn Europacup, hoor. Met alle respect voor Piet Schrijvers: een dikke keeper die traag uit zijn doel hobbelt, zou niet in dat concept hebben gepast.

Onder Beenhakker spelen we iets behoudender. Een goede trainer, maar eh... je mag van niemand verwachten dat hij dezelfde feeling heeft als Cruijff. Kort nadat Beenhakker bij ons was begonnen, liet hij weten dat het afgelopen was met de speciale training die ik van Frans Hoek kreeg. De technische staf werd ingekrompen; voortaan zouden Bobby Haarms en Spitz Kohn me onder handen nemen. Ik kon dat niet accepteren. Hoe logisch het ook was dat de coach een stevige grip op Ajax wilde hebben, het ging ten koste van mij. Ik raakte m'n vertrouwensman èn m'n touch kwijt. Als je doordeweeks geen goeie ballen op je af krijgt, kun je in het weekend niet maximaal presteren. Beenhakker zwichtte uiteindelijk: ik mocht het contact met Hoek herstellen. Sindsdien keep ik constant op hoog niveau. Maar of de trainer me inmiddels echt begrijpt, betwijfel ik.

Niemand heeft zoveel kritiek op Stanley Menzo als ik. Voorzetten onderscheppen is niet mijn sterkste kant. Het liefst pak ik zo'n bal op het hoogste punt, maar dikwijls bewegen er zoveel mensen om me heen dat de plek waar ik me moet afzetten bezet is. Dan knijp ik 'm. Soms kies ik voor de zekerheid, ga ik er simpelweg niet op af - zoek het maar uit. Behalve in de vijfmeter natuurlijk. Daar móet je ingrijpen. Een andere zwakte is dat ik mezelf nog altijd niet genoeg in de hand weet te houden. Stampvoeten, kankeren en schuimbekken, hè. Ik ben agressief, een schreeuwer, maar wel een gevoelige schreeuwer. Ik schreeuw om het schreeuwen, om duidelijk te zijn, om anderen en mezelf alert te houden. Om te helpen, eigenlijk.

Sommigen noemen me psychisch labiel. Onbetrouwbaar, omdat ik te gauw uit balans raak. Ik weet dat ik de zaken netjes op een rijtje moet hebben: irritatie is link, balen is link, verdrietig zijn is link. Om ongelukkige momenten in dat doel te vermijden moet ik narigheid uit de weg ruimen, niks opkroppen. Anders verkramp je in dat doel, ben je niet meer in staat spontaan te reageren.

Iedere keer dat ik niet word opgenomen in de selectie van het Nederlands elftal stort mijn wereld in. Dan ben ik een dag de kluts kwijt, wil ik stoppen met voetbal. Ik ervaar het hoe langer hoe meer als onrecht. Er zijn perioden geweest dat ik het niet verdiende - en toen kwam ik daar ook eerlijk voor uit - maar momenteel kan ik geen vrede hebben met het feit dat de bondscoach mij over het hoofd ziet. Ik heb er geen verklaring voor. Is het discriminatie? Is het omdat Michels mij beschouwt als een protégé van Cruijff? Is het omdat Joop Hiele zich lijkt te hebben neergelegd bij zijn plaats op de tweede rang, terwijl ik het gevecht om de eerste plaats met Hans van Breukelen wil aangaan? Ik acht die verklaringen stuk voor stuk mogelijk. Aan mijn kwaliteiten kan het in ieder geval niet liggen. Mentaal, fysiek, tactisch en technisch ben ik er rijp voor. Niets ten nadele van Hiele, maar k hoor daar.

Uitleg is me nooit gegeven. Michels en Advocaat hebben niet eens de moeite genomen me te vertellen wat eraan scheelt. Een klein beetje aandacht, is dat te veel gevraagd? Tot dusverre heb ik één helft met Oranje mee mogen spelen. Een vriendschappelijke wedstrijd tegen Denemarken, Libregts zat op de bank. Toen de rust aanbrak zei hij in het voorbijgaan tegen me: "Oh ja, kleed je maar om, jij staat er straks in.' Mijn god, als je op zó'n manier je debuut moet maken... de achteloosheid van die man... Dat was nou mijn mijlpaal. Het deed voornamelijk zeer.

Ooit zullen alle ballen voor mij zijn. Vroeger riep ik dat zonder er werkelijk in te geloven; nu weet ik het zeker. De ballen die ik vandaag laat gaan, pak ik morgen. De ballen die ik morgen laat gaan, pak ik overmorgen.

Misschien betekent voetbal wel te veel voor me. Het is een passie die aan obsessie grenst. Ik heb jaren achter de rug waarin ik de avond voor een wedstrijd alleen maar op pillen kon slapen. Als we aftrapten had ik 'm al drie keer gespeeld. En de nacht daarna liep ik wéér ijsberend door de kamer - speelde ik alles nog drie keer na. Op van de zenuwen, puur lijden. Ik liep mezelf over de kleinste fout druk te maken. Tot de volgende fout, want door zo'n waanzinnige instelling komt die vanzelf.

De laatste tijd gaat het beter. Het bizarre is dat de SLM-ramp me rustiger heeft gemaakt. Je begint te relativeren, hè. "Klootzak', zeg ik soms tegen mezelf, "waarom wind je je zo op over een corner die je niet goed beoordeelt? Je hebt zo'n mooi leven Stan, geniet ervan.' Gek hoor, dat je geestelijk kunt groeien door de dood van anderen. Als ik vandaag de dag ontplof... dan zie ik soms plotseling die gestorven kameraden voor me, en dan schaam ik me. Zoveel stennis om niks - zielig.

Ik raak tegenwoordig ook minder snel van slag, maar af en toe steekt het eitje in mij weer de kop op. Een paar maanden terug werd een familielid van me voor zijn auto doodgeschoten. Die jongen scheen helaas in het drugswereldje te zitten, het was waarschijnlijk een afrekening. Door zoiets ben ik van de kaart. Begin ik als een softie te malen: waarom, waaróm nou toch? Voor mij is er maar één ontsnapping. Naar Schiphol, vliegtuigen kijken. Ik ben knetter van alles wat met luchtvaart heeft te maken. Als ik een avond met mijn wagen langs de baan sta - radiootje aan, zodat ik de conversatie tussen de verkeersleiding en de cockpit kan volgen - vergeet ik de zorgen. Dan is er alleen het geweld van een Boeing 747 die binnen tien uur aan de andere kant van de wereld is.

Een maand na de crash in Suriname heb ik vlieglessen genomen. Niets aan mijn ouders verteld, gewoon begonnen. Ik leer nu solovluchten maken - mooier dan voetbal. Je bent los, de wereld is nietig, niemand die aan je kan trekken, niemand die je ergert, je hebt zelf het heft in handen... controle. Binnenkort moet ik examen doen. Als ik slaag, is het de definitieve overwinning. Op de onzekerheid, op wat er allemaal is gebeurd, op mezelf. Dan ben ik vrij.