Ook rechters radicaliseren

De gerechtsbode kondigde aan: “De rechtbank!”

Toen de twee rechters aan weerskanten van hem hadden plaats genomen, zei de president: “Wil de verdachte opstaan?”

De vrouw stond op.

Hoewel het bleke gezicht van de president werd verdoezeld door het groene schijnsel van de lamp, waren daarop de sporen zichtbaar van de kennelijk heftige discussie die zich zojuist in de raadkamer had afgespeeld. Het was een publiek geheim dat de verstandhouding tussen de president en de hem seconderende ambtgenoten nogal te wensen overliet en dat de beraadslagingen achter gesloten deuren daardoor meermalen waren uitgelekt, wat geleid had tot de geruchten dat de heren geregeld in camera op de vuist gingen. De scheidslijnen liepen tussen de conscientieuze integriteit van de één en het kortzichtige formalisme van de anderen.

De president las het vonnis voor: “In naam van het Franse Volk etc. etc., volgens artikel van het Wetboek van Strafrecht etc. etc. in overweging genomen dat etc. etc. en vooral omdat de rechter die rechts van mij zit een ezel is, en de rechter die links van mij zit eveneens een ezel is, wordt u, Maria Lanson, dochter van Pierre Lanson, oud 25 jaar, geboren te Colommiers etc. etc., veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf. U hebt drie dagen tijd om in hoger beroep te gaan en dat raad ik u aan, omdat gelukkig niet alle rechters zo zijn als deze twee”.

Prachtige openingszinnen, enigszins ingedikt, uit de roman Jaloezie van de Italiaanse schrijver Pitigrilli (in de Nederlandse versie van uitgeverij C.J. Goossens), een stichtelijk verhaal uit 1929 over de Parijse rechtbankpresident Paul Pott die zijn collega's in een vonnis uitmaakt voor idioten om vervolgens, tot verbijstering van de beau monde, te verklaren dat hij zijn ambt neerlegt omdat hij geen fiducie meer heeft in de kwaliteit van de Franse strafrechtspleging.

In de Rechterlijke Macht in Nederland werd een dergelijke furore tot voor kort voor onmogelijk gehouden, maar er zijn tekenen die wijzen op een kentering in de traditionele tevredenheid van de zittende en staande magistratuur. In de berichten daarover heeft de klemtoon vooral gelegen op de onvrede over de salariëring, maar wie dieper leest, ziet ex aequo een grote bezorgdheid over de bedreigde kwaliteit van de rechtspleging. Het is misschien wat voorbarig om in navolging van de aanstormende rechterlijke jongeren van de raio-cursussen al van een ondergrondse radicalisering te spreken, maar de minister van justitie zou er niet verstandig aan doen het beschaafde gemor dat uit de kokers van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak is opgestegen, voor een storm in een glas water te houden. De Vereniging heeft zojuist in eigen kring een massale onvrede over de arbeidsvoorwaarden gesignaleerd die te diep zit om nog met een paar salarisschalen te kunnen worden afgekocht. Op de keper beschouwd blijkt het vooral te gaan om te lang uitgestelde structurele maatregelen in de sfeer van de secundaire arbeidsvoorwaarden.

Er zijn natuurlijk al eerder aanwijzingen geweest dat er ongenoegen broeide in de rechterlijke macht in Nederland. Vorig jaar trad een raadsheer van het Amsterdamse gerechtshof (van de belastingkamer) uit zijn plechtstatigheid door in een beroepsprocedure bij de Raad van State van zijn Hoge Werkgeefster vergoeding te eisen voor het gebruik van zijn particuliere studeerkamer. De man had een sterk argument (bij gebrek aan officiële kantoorruimte moet nog altijd een zeer groot aantal rechters thuis werken), maar zijn vordering werd afgewezen omdat hem intussen een eigen werkkamer was toegewezen in het nieuwe Paleis van Justitie aan de Parnassusweg in Amsterdam dat in niets doet denken aan Vrouwe Justitia maar in merg en been gestempeld is door de persoonlijkheid van de projectontwikkelaar.

Eerder had de vice-president van het zelfde hof nieuws gemaakt met zijn dreigement dat hij de verdediging van het oude gerechtsgebouw aan de Prinsengracht tegen de rijksgebouwendienst (dan wel diens gabbers) met zwavel en pek ter hand zou nemen en dat hij zich met slaapzak en noodrantsoen zou laten vastketenen als ze hem uit zijn gebouw zouden komen bulldozeren.

Rechters zijn in wezen zo tevreden over hun werk dat ze een matige beloning altijd voor lief hebben genomen. In het rapport van de Vereniging voor Rechtspraak wordt dat in sociologenkoeterwaals de "werkintrinsieke arbeidssatisfactie' genoemd (de enquêteurs schrijven ook over "vergelijk' als ze vergelijking bedoelen en "het meest vaak' in plaats van: vaakst). Maar ondanks die grote tevredenheid over de intellectuele aspecten van hun werk schreeuwen de geënquêteerde rechters (respons 78 procent, gemiddelde leeftijd 44,8 jaar) moord en brand over de gebrekkige omstandigheden waarin ze hun werk moeten doen. Het binnensmondse gesputter heeft plaats gemaakt voor een eigentijds gebekt eisenpakket, dat met de nodige hardheid op tafel is gelegd.

De commentaren die de uitkomst van de enquête begeleiden, verklaren die "omslag in de cultuur' uit drie factoren: de verjonging die de rechterlijke macht de laatste tien jaar heeft ondergaan, de "instroom' van vrouwen en de verzakelijking die van één en ander het gevolg is geweest. Een rechter van boven de zestig jaar heeft zich altijd met eigen middelen moeten redden, krachtens het devies "Over geld praat men niet', maar een rechter van de nieuwe generatie schikt zich daar niet meer in. Zijn devies, zo blijkt uit de enquête, is veel meer: Als Justitie niet over de brug wil komen, ga ik wel een deur verder. Ofwel: naar de advocatuur, waar in het algemeen ook hogere salarissen worden betaald.

De zakelijke toon waarop de rechters hun materiële wensen en grieven naar voren hebben gebracht, zou de minister ervan moeten doordringen dat de rechterlijke macht geen reservaat van idealisten meer is. Die wensen verwijzen trouwens naar professionele vergoedingen die elders in de samenleving c.q. het particuliere bedrijfsleven gebruikelijk zijn. Vakliteratuur wordt vrijwel overal vergoed, zoals vrijwel overal onkostenvergoedingen en autokostenvergoedingen worden gegeven. Maar een rechter moet alle vakliteratuur uit eigen zak betalen, krijgt geen enkele onkostenvergoeding en ontvangt zelfs geen tegemoetkoming voor de aankoop van een personal computer. Zelfs de toga (met of zonder hermelijnen rand), die - nieuw - om en nabij de tweeduizend gulden kost, kan er op rijkskosten niet af.

Die materiële eisen zijn alleszins redelijk en betaalbaar. Het ministerie van justitie hoeft maar een Directoraat op te heffen en het heeft al net zoveel bezuinigd als de gehele rechterlijke macht nodig heeft. En als de minister zijn eigen departement blijft sparen (evenals zijn ambtgenoten doen, die nog geen van allen het bezuinigingsmes in hun departement hebben gezet) dan kan hij de vereiste miljoenen vinden door zijn plannen voor een grootscheepse "vernieuwbouw' - die vrijwel niemand wil - vertraagd uit te voeren of nog enige jaren op de plank te laten liggen.