Ongeliefde sociale parel

Veertig jaar is er over gesproken. Het betrof een erkend knelpunt. Eindelijk werd er twee jaar geleden een sociale voorziening voor getroffen. Verwacht werd dat jaarlijks 2500 mensen een beroep erop zouden doen. Het werden er in het eerste jaar (1990) op de kop af 31. Heeft onze onvolprezen verzorgingsstaat hier andermaal een muis gebaard?

De kwestie was of voor de oudere alleenstaande een speciale sociale voorziening moest worden getroffen. De Staatscommissie pensioenen stelde in 1951 voor de pensioengerechtigde leeftijd van ongehuwde vrouwen op 60 jaar te stellen. Bij de invoering in 1957 van de Algemene ouderdomswet (AOW) werd deze leeftijd echter voor zowel mannen als vrouwen vastgesteld op 65 jaar.

Zeven jaar later kwam de Tweede Kamer erop terug. Zou het niet mogelijk zijn ongehuwde vrouwen vóór hun 65e jaar AOW te verstrekken? De Sociaal economische raad adviseerde in 1966 negatief, maar raadde wel aan onderzoek te doen naar de levensomstandigheden van alleenstaande ongehuwde vrouwen van 45 tot 65 jaar.

Die studie werd verricht. Moeiteloos werd aangetoond dat de onderzochte groep het dikwijls zwaar had als gevolg van "dubbele taakbelasting': betaalde arbeid (buitenshuis) alsmede huishoudelijke arbeid (thuis). Dit mondde in 1980 uit in een "ontwerp taakverlichtende maatregel voor alleenstaande oudere werkenden', want er mocht natuurlijk niet worden gediscrimineerd.

Vijf jaar later waren alle (negatieve) adviezen binnen, waarna het kabinet twee jaar de tijd nam om te concluderen dat aan de maatregel geen prioriteit zou worden gegeven. Dat was voor de Kamer het sein andermaal haar tanden te laten zien. Aldus trad op 14 januari 1990 het Besluit taakverlichting alleenstaande werkenden-AAW (TAWA) in werking.

Wie voor de TAWA in aanmerking wil komen moet 55 jaar of ouder zijn, meer dan 30 uur per week betaald werken, alleen wonen en minder dan 1⅓ maal het bruto minimumloon (bij een volledige baan) verdienen. In ruil voor korter werken (tot 30 uur) biedt de TAWA hun financiële compensatie voor de inkomensderving alsmede vergoeding van de kosten van eventuele huishoudelijke hulp.

De TAWA neemt in het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid een bijzondere plaats in: alleen een zeer selectieve groep kan een beroep erop doen en haar oogmerk - dreigende arbeidsongeschiktheid afwenden - was tot voor kort uniek. Nochtans blijkt deze parel nauwelijks geliefd. “Een goed voorbeeld van een regeling die het beoogde doel in relatie tot de uitvoeringskosten voorbij lijkt te schieten”, constateerde eerder het Gemeenschappelijk administratiekantoor, dat voor 7 van de 31 klanten bemiddelde.

"Taakverlichting verlicht' heet het rapport waarin de Sociale verzekeringsraad (SVR) de TAWA nu heeft geëvalueerd. Geconcludeerd wordt dat het aantal gebruikers wel “erg gering” is. Een "inhaaleffect' was logisch geweest, maar bleef uit, en op korte termijn valt ook “geen hausse” te verwachten.

De oorzaken zijn simpel: de potentiële doelgroep blijkt geen 2500 maar 726 mensen te tellen en “de zeer strikt geformuleerde grenzen” (voor leeftijd, inkomen, leefsituatie en arbeidsuren) maakt het hun niet gemakkelijker. Tenslotte bieden diverse CAO's aantrekkelijker regelingen. Nog een geluk dat voor overschrijding van de kosten (geplafonneerd op 6 miljoen gulden per jaar) niet hoeft te worden gevreesd.

De SVR beraadt zich nog over "beleidsmatige aanbevelingen'.