NA DE REVOLUTIE RESTEN SLECHTS DESILLUSIES

Benjamin Constant and the Post-Revolutionary Mind door Biancamaria Fontana 165 blz., Yale University Press 1991, f 47,80 ISBN 0 300 04995 1

Bijzonder oud is hij niet geworden, maar het leven van Benjamin Constant omspande het hele tijdvak van de late Verlichting tot aan de hoogtijdagen van de Romantiek. Hij werd geboren in 1767 in Lausanne en stierf in 1830 in Frankrijk, kort na de revolutie die de "burgerkoning' Lodewijk Filips op de troon bracht. Daarmee behoorde Constant tot een generatie die volwassen werd onder het ancien régime, getuige was van de Franse Revolutie, en die het begin en het einde meemaakte van zowel de Napoleontische tijd als de Restauratie.

Een halve eeuw waren Constant en zijn generatiegenoten betrokken bij de meest ingrijpende maatschappelijke veranderingen. Velen van hen speelden een sleutelrol in de vorming van denkbeelden die kenmerkend zouden worden voor de moderne tijd. Dat geldt voor romantici als François-René Chateaubriand, profeten van de industriële samenleving als Henri Saint-Simon, alsook voor vertegenwoordigers van de conservatieve reactie als Joseph de Maistre en Louis de Bonald.

Van die generatie zou een interessante collectieve biografie te schrijven zijn. Velen van hen kwamen voort uit adellijke families en groeiden op in de ambiance van verlichte salongesprekken tijdens de nadagen van Lodewijk XVI. Zij bewonderden de oude Voltaire en waren gecharmeerd van Rousseau, volgden de Amerikaanse vrijheidsstrijd met sympathie, en ijverden dikwijls voor hervormingen van de monarchie. De Revolutie werd door de meesten van hen aanvankelijk positief beoordeeld, maar de Terreur bracht tweedracht. De gematigd progressieve stroming verwierp het schrikbewind van Robespierre, maar verdedigde de revolutionaire verworvenheden. Daartegenover tekende zich een conservatieve richting af met Edmund Burke's Reflections on the Revolutions in France uit 1790 als handvest en Chateaubriand als profeet.

Op het eerste gezicht was Benjamin Constant een ideale vertegenwoordiger van deze generatie: kosmopoliet, letterkundige, actief in de Franse politiek van 1795 tot aan 1830, bevriend en bekend met vele toonaangevende intellectuelen, en even scherpzinnig als belezen. Hoewel hij alle kenmerken en kwaliteiten had om een vooraanstaand vertegenwoordiger van hen te worden is dat nooit gebeurd. Zijn dagboeken en een enkel ander geschrift zijn bekend, maar Constant heeft altijd in de schaduw gestaan van bekendere tijdgenoten.

SCHERPSLIJPERS

Die betrekkelijke onbekendheid vormt een centraal thema in het onlangs verschenen essay van Biancamaria Fontana, Benjamin Constant and the Post-Revolutionary Mind. De belangrijkste reden daarvan is volgens Fontana dat Constants intellectuele bezigheden slechts in beperkte mate overeen kwamen met de heersende richtingen. Constant behoorde tot de gematigde hervormers, maar bond zich nooit aan een politiek programma of partij. Tijdens de Revolutie onderhield hij contacten met groepen die de principes van 1789 verdedigden, maar bij het kiezen van een positie was hij even beducht voor jacobijnse scherpslijpers als voor hun conservatieve tegenhangers. Constant volgde de activiteiten van de liberaal-republikeinse groep hervormers, de idéologues, met belangstelling, maar hun enthousiasme voor de natuurwetenschappen was hem vreemd. Hij maakte deel uit van de kring rond Madame de Staël, maar miste haar voorkeur voor de monarchie. En hoewel hij gerekend wordt tot de "liberalen' kon hij zich evenmin verenigen met de conservatief-liberale opvattingen van François Pierre Guillaume Guizot en de invloedrijke groep "doctrinairen' waartoe die behoorde.

Door zijn betrekkelijke ongebondenheid, zijn sceptische instelling en zijn wisselende belangstelling valt Constant niet makkelijk in te delen binnen gangbare rubrieken als politiek, literatuur en wetenschap. Zijn werk bestrijkt al die terreinen, zonder een afgerond geheel te vormen. Toch valt er een duidelijke eenheid in zijn werk aan te wijzen. Die zoekt Fontana niet zozeer in zijn liberale opvattingen, alswel in zijn "intuïties' omtrent de aard van "de moderne ervaring'. Voor Benjamin Constant was die ervaring in twee opzichten problematisch.

In de eerste plaats zou volgens hem een post-revolutionair constitutioneel of representatief regime geen einde maken aan de spanningen tussen burgerlijke samenleving en staat. De relaties tussen beide werden in zijn ogen alleen maar ingewikkelder en kwetsbaarder. Het politieke gezag kon voortaan niets anders zijn dan een beperkte macht, afhankelijk van de samenleving, van de economische vooruitgang en van het hele complex van de openbare meningsvorming.

Constant was ervan overtuigd dat de fout van zowel revolutionairen als contrarevolutionairen was dat zij de staatsmacht verabsoluteerden. Het terugverlangen naar het absolutisme leek Constant even fataal als de pogingen uit het niets een nieuwe orde op te leggen. Daarom koesterde hij een diep wantrouwen tegen de intellectuele systemen van zowel conservatieven Burke als de Bonald als van hervormers als de Engelse utilitaristische wijsgeer en rechtsgeleerde Jeremy Bentham en de optimistische rationalist Condorcet. Die opstelling vormde de kern van zijn pogingen tot reconstructie van de politieke theorie. Zijn eigen voorkeur ging uit naar de historisch en sociologisch geïnformeerde beschouwingen van Montesquieu en de Schotse moraalfilosofen.

HERFORMULERING

Wat Constant voor ogen stond, was een herformulering van de republikeinse theorie, gebaseerd op een geschiedkundige en maatschappijwetenschappelijke analyse van het post-revolutionaire Europa. Die pogingen leidden echter niet tot een uitgewerkte en samenhangende doctrine, maar tot een reeks uiteenlopende geschriften, politieke commentaren en vertalingen. Dat werk had betrekking op vertrouwde thema's uit de politieke theorie, zoals rechtvaardigheid, het functioneren van de politieke vertegenwoordiging, het censuskiesrecht, de scheiding der machten, en de organisatie van een bestel dat berustte op vrijheid en politieke gelijkheid.

Maar het meest typerend was dat Constant deze politieke analyses verbond met andere, meer algemene vragen. Dat blijkt uit zijn vijfdelige De la religion (1824-31), dat hij zelf beschouwde als zijn hoofdwerk. In die studie werd de geschiedenis van kerk en godsdienst geschetst vanuit het perspectief van de maatschappelijke rol van religieuze gevoelens.

Die belangstelling voor brede, tijdloze problemen was direct verbonden met een ander bezwaar van Constant tegen de politieke opvattingen van zijn tijd. Het was zijns inziens niet mogelijk politieke vragen los te zien van de persoonlijke ervaringswereld van individuen. Juist omdat moderne samenlevingen niet berusten op een bindend, collectief geloof waren individuen genoodzaakt de betekenis van hun leven te zoeken in hun eigen bestaan. Een centraal probleem in Constants politieke theorie betrof daarom de morele, religieuze en affectieve dimensies van het moderne staatsburgerschap. Als het politieke regime berustte op vrijheid van meningsvorming en vrijheid van godsdienst, zo vroeg hij zich af, welke rol was er dan nog voor morele en religieuze bindingen?

De traditionele rol van geloof en moraal was volgens Constant uitgespeeld, maar was een politieke orde wel mogelijk als burgers slechts gedreven werden door welbegrepen eigenbelang? En als de publieke opinie niet zelden gebaseerd is op vooroordelen en hypocrisie, is er dan een tegenwicht denkbaar zonder in des-potisme te vervallen? Ondanks zijn liberaal-protestantse voorkeuren biedt Constant geen ondubbelzinnige antwoorden op deze vragen. Daarvoor was zijn denken ook te zeer geworteld in de sceptische traditie. Maar in zijn autobiografische en literaire werk wordt duidelijk hoe cruciaal deze vragen waren voor zijn politieke opvattingen.

BELLE VAN ZUYLEN

Zijn dagboeken en de roman Adolphe geven een beeld van zijn leven en van zijn befaamde liaisons met Belle van Zuylen en Germaine de Staël. Maar de politieke actualiteit is zelden afwezig in deze werken en eigenlijk gaan ze vooral over wat Raymond Aron ooit de "desillusie van de vrijheid' noemde. Die vrijheid, die Constant verdedigde tegen jacobijnen en legitimisten, was hem te dierbaar om voor lief te nemen. Al vond hij in de vrijheid zijn politieke credo, diezelfde vrijheid bracht ook onverschilligheid en ongeloof, twijfel en relativisme. Constant had daar geen vrede mee, maar omdat hij er geen duidelijke oplossingen voor vond, uitte hij zijn twijfels vooral in autobiografische en literaire geschriften.

Door Constants politieke sociologie te bezien in samenhang met zijn dagboeken en zijn letterkundig werk maakt Fontana in haar boek duidelijk dat hij zich in een aantal opzichten onderscheidde van de politieke denkers uit zijn tijd. Ook blijkt op die manier dat hij niet zo maar kan worden ingelijfd bij de grondleggers van het moderne liberalisme. Constant behoorde meer tot de liberale vleugel van een andere traditie: die van de politici zonder partij.