Monumentenzorg Amsterdam verlegt haar prioriteiten; "Oud karkas biedt ook mooi beeld'

AMSTERDAM, 14 SEPT. Tot het midden van de jaren tachtig stonden ze er als verregende kabouters bij, de drie zeventiende-eeuwse poppehuisjes in het hartje van de Amsterdamse Jordaan.

Een zeil lag over het dak, de geveltjes waren verzakt en ook voor de rest viel er weinig monumentaals aan te beleven. Een steenworp verderop stond de Noorderkerk, ook al zo'n drie en een halve eeuw oud. De verf was afgebladderd en binnen deinden de graven als een zee van steen. Dit jaar komen ze geen van beiden voor op de fleurige routebeschrijvingen van de Open Monumentendag die vandaag over het hele land wordt gehouden. De huisjes omdat ze gesloopt zijn en vervangen door anderhalf keer zo hoge nieuwbouwblokken, waar een perfecte antieke namaakgevel is voorgezet. De kerk omdat het nog steeds geen algemeen beschaafd monument is. Alleen hoorden de huizen wel tot de laatste originele Jordaanwoningen, het soort panden waarin honderdduizenden gewone Amsterdammers generaties lang leefden. En de Noorderkerk is een van de weinige overgebleven kerken in de hoofdstad die in alle ruwe ongerestaureerdheid nog de originele sfeer van vroeger in zich bergt.

Beide anti-monumenten zijn tekenend voor de dilemma's waar de monumentenzorg anno 1991 voor staat. Want moet de prioriteit voornamelijk gelegd worden bij belangrijke, monumentale panden uit de 17de en achttiende eeuw, of gaat het vooral om het vastleggen van de ontwikkeling van een stad door alle eeuwen heen? Moeten gebouwen tot in alle perfectie "sufgerestaureerd' worden, of moet er ook iets onvolmaakts overblijven? En wordt het geen tijd om eens een wat meer creatief monumentenbeleid te voeren, inplaats van alleen maar defensief bezig te zijn? Of, zoals een van de betrokken ambtenaar het uitdrukt: “Wat willen we? Moet Amsterdam een historisch Disneyland worden, het decor van een terrasseneconomie? Of willen we toch nog iets anders met de historische stad?”

In Amsterdam, met zo'n 6800 monumenten veruit de belangrijkste monumentenstad van Nederland, verlegt de monumentenzorg langzamerhand haar prioriteiten. Nu de 17de en 18de eeuwse monumenten vrijwel allemaal veilig zijn gesteld begint de aandacht zich meer en meer te richten op de 19de en zelfs de 20ste eeuw. Het is niet toevallig dat het accent van de Open Monumentendag dit jaar vooral op de Plantage- en de Weesperbuurt ligt, woonwijken waar de sfeer van de 19de eeuw goed bewaard is gebleven. Een aantal beroemde voorbeelden van de Amsterdamse School zijn de afgelopen jaren zorgvuldig gerestaureerd en de nog vrijwel gave 19de eeuwse villawijk langs het Vondelpark en het Plan Zuid van Berlage mogen zich in een toenemende belangstelling verheugen “Wij gaan uit van de ontwikkeling van de hele stad, en dan kijken we hoe we, zonder die stad geweld aan te doen, voldoende elementen uit alle fasen van die ontwikkeling kunnen behouden,” zegt drs. A.J. Oxenaar, lid van de Raad voor de Monumentenzorg, architectuurhistoricus en gespecialiseerd in met name 19de eeuwse monumenten. “Op dit moment moeten we bijvoorbeeld oppassen dat binnenkort niet alle 19de eeuwse wijken weggesaneerd zijn. Het wordt hoog tijd om zo'n stukje tot monument te verklaren.”

Makkelijk gaat dat overigens niet. Het gemeentelijke Bureau Monumentenzorg is niet al te snel met plaatsingen op de monumentenlijst. De introductie van de deelraden, die ook een deel van het Amsterdamse monumentenbeleid hebben overgenomen, wordt door bijna alle betrokkenen wat dat betreft als een positieve stimulans ervaren. “Buurten hebben vaak veel meer gevoel voor "hun' monumenten dan een centrale stad,” aldus een ambtenaar.

Terwijl het aantal potentiële monumenten zo steeds groter wordt, worden de beschikbare subsidies steeds kleiner. Op dit moment ligt er in Amsterdam voor ongeveer 60 miljoen gulden aan projecten klaar om aan te pakken, terwijl maar een derde van dat bedrag beschikbaar is. Voor de komende vijf jaar zijn alle subsidies al vergeven.

Dat neemt niet weg dat er op de Open Monumentendag in een stad als Amsterdam veel te genieten valt aan kerkgewelven, intieme grachtenkamers en verstilde binnentuinen. Alleen is het, zegt Oxenaar, “meer een bericht over de zeventiende en achttiende eeuw dan de zeventiende eeuwse werkelijkheid.” Oxenaar: “De middeleeuwen bestaan in Nederland al niet meer en uit de 17de en 18de eeuw is nauwelijks meer een pand te bedenken dat niet minstens één keer grondig gerestaureerd is.” Dat betekent dat grote verrassingen, zoals het gave middeleeuwse houten pand dat onlangs achterin een sloopwoning bij het Victoriahotel werd aangetroffen, uitzonderingen zijn. Veel grachtenpanden zijn uitgebroken voor de bouw van kantoren terwijl de portalen, plafondhoogtes en andere eisen die aan sociale woningbouw gesteld worden van veel kleine monumenten weinig meer hebben laten staan dan een pittoreske voorgevel. Bij sommige recente restauraties, zoals die van de Bank van Lening en De Waag, is de oude, soms nog middeleeuwse, structuur van de panden eveneens sterk aangetast.

Aan de andere kant is er het probleem van de - volgens sommigen te - grondige restauratie. Drs. Oxenaar: “Je ziet soms monumenten die 17de eeuwser zijn dan ze ooit in werkelijkheid waren. De Nieuwe Kerk is bijvoorbeeld zo ingrijpend gerestaureerd dat je bijna letterlijk van een nieuwe kerk kunt spreken.” Het is duidelijk dat er iets moet gebeuren als een monument half op instorten staat. Maar een gebouw is tegelijk ook een monument van zijn eigen geschiedenis, “een historisch document waar van alles van alle tijden in is opgeslagen”, zegt Oxenaar. Wie alle onvolkomenheden van een gebouw wegrestaureert herleidt volgens hem het monument tot een ideaalbeeld. Hij citeert de schrijver Italo Calvino die een stad vergelijkt een reeks briefkaarten die over elkaar heenschuiven, terwijl iedereen blijft terugverlangen naar de beelden van vroeger. Oxenaar: “Zo wordt er soms ook gerestaureerd. Er wordt de mensen een perfect ideaalbeeld van de zestiende of zeventiende eeuw voorgezet, en dat is dat. Er valt niets meer te ontdekken aan zo'n gebouw. Geef mij dan maar dat rauwige van de Oude Kerk, dat schotse en scheve van de Noorderkerk, zo'n oud karkas midden in de stad, vol sporen van mensen, eeuwenlang.”