Met fusie tussen Wegener Tijl en ODC zijn kaarten op de regionale markt geschud; "Concentratie regionale dagbladen verbetert kwaliteit'

APELDOORN, 14 SEPT. In het knipselmapje van C.P.J. Appeldoorn, voorzitter van de Raad van bestuur van Wegener Tijl, over de aanstaande fusie tussen zijn concern en de Oostelijke Dagbladen Combinatie, bevindt zich een stukje uit Trouw waar hij driftig aantekeningen bij gemaakt heeft.

“Als regionale bladen door een rigoreuze concentratie het plaatselijke nieuws onvoldoende dekken, raken ze ver van huis. Ze verliezen hun sterkste wapen”, schreef Trouw. “Onzin” heeft Appeldoorn met rood in de kantlijn genoteerd. Hij is van het tegendeel overtuigd, zo laat hij vol overgave weten. “Door de fusie verbetert nu juist het draagvlak voor verdere kwaliteitsverbetering van de regional dagbladen”, zegt hij. “Als sommige regionale dagbladen in Nederland nu niet in concernverband werden uitgegeven, dan hadden ze niet eens meer bestaan.”

Wie Appeldoorn, nu nog uitgever van 325.000 dagbladen en binnenkort van 600.500 exemplaren, vraagt of hij zich "courantier' voelt, krijgt een ontkennend antwoord. Courantiers zijn nog slechts een romantisch begrip uit lang vervlogen tijden. De voorzitter van de Raad van bestuur van Wegener Tijl is in de eerste plaats ondernemer. Hij leidt een beursgenoteerd fonds met een goede kaspositie, dat zich graag "een multimediale onderneming' noemt. Wegener Tijl behaalt ongeveer 35 procent van de omzet (in 1990 479 miljoen) in de niet-dagblad sector: direct-marketing, financiële databanken, kabelkranten, drukwerk voor derden en special-interest bladen. Volgens Appeldoorn genereert die sector een ongeveer even groot deel van de winst, maar precieze cijfers daarover wil hij niet verstrekken. De diversificatie zal in het nieuwe concern de komende jaren zeker doorgezet worden, onderstreept hij: “Basisverbreding is een van onze uitgangspunten.”

Regionale dagbladen (en huis- aan huisbladen) blijven de belangrijkste bron van bestaan van Wegener Tijl en de beoogde fusiepartner ODC. Samen zullen de twee naast 600.500 dagbladen ook nog eens ruim 4 miljoen huis-aan-huis-bladen uitgeven. De fusie was voor Appeldoorn de meest voor de hand liggende optie. “Ik heb daar ook nooit een geheim van gemaakt. We zijn haast natuurlijke partners.” Hij maakt uit de (positieve) reacties op de plannen op dat anderen zijn mening delen. “Door de samenvoeging van onze ondernemingen hebben we de marktposities van onze dagbladen kunnen verbeteren. In het kader van continuïteit van de onernemingen, behoud van werkgelegenheid, enfin, noem maar op, hadden we niets beters kunnen doen.”

De samenvoeging van WT en ODC is een niet onbelangrijke klapper op de advertentiemarkt. Appeldoorn: “Media-inkopers kijken vooral naar kwantiteit. Met de 300.000 kranten van Wegener Tijl zaten we plezierig. Maar met de 600.000 exemplaren na fusie zullen we nog aantrekkelijker worden voor grote adverteerders, dat is glashelder.” De nieuwe combinatie hoopt meer dan voorheen mee te kunnen lopen in het "rondje landelijk' dat de grote advertentie-inkopers voor hun klanten plegen uit te zetten.

Appeldoorn onderkent dat er ook negatieve reacties op de fusieplannen zijn gekomen. Die liggen in de trant van het commentaar van Trouw: zorgen om verlies van identiteit van de verschillende dagbladen, die wel eens de genadeklap zou kunnen zijn in de strijd met de landelijke dagbladen. De Wegener Tijl-topman bestrijdt evenwel dat de fusie slecht zou zijn voor de bij de beide concerns uitgegeven dagbladen. Integendeel, de fusie draagt bij aan hun voortbestaan.

Pag 16:

Antwoord op groei landelijke kranten

Binnen de nieuwe combinatie zal het beleid voortgezet worden dat Wegener Tijl ook al na de fusie in 1988 van Wegener's Couranten Concern en Koninklijke Tijl voor de eigen regionale dagbladen had uitgestippeld: “Kwaliteitsverbetering is de enige manier om het tij te keren. Meer dan vroeger moet het regionale dagblad een complete krant worden: dat betekent meer economie, meer kunst, meer bijlagen. Binnen Wegener Tijl wordt al enige tijd nagedacht hoe we dat kunnen doen, maar ook binnen ODC was dat proces al opgestart. Door de fusie zal het alleen maar bespoedigd worden.”

Appeldoorn spreekt eigenlijk niet graag van een strijd tussen de regionale en de landelijke dagbladen. “De regionalen en de landelijken zitten namelijk in het zelfde schuitje. We hebben hetzelfde probleem: er is een afnemende bereidheid bij de Nederlandse bevolking om zich te abonneren op een krant. Daarvoor zijn externe oorzaken aan te wijzen, zoals veranderingen in vraag en aanbod van informatie en demografische en socio-culturele ontwikkelingen. De oplagen van de Nederlandse dagbladen zullen in de jaren negentig niet substantieel meer stijgen en ook de advertentie-bezetting zal naar mijn idee ongeveer gelijk blijven.

“Het probleem van de regionale dagbladen is dat de landelijke, nu de autonome groei van abonnees ophoudt, proberen abonnees bij ons weg te halen. Daartegen moeten wij ons versterken en dat kunnen we maar op een manier: door schaalvergroting.”

Routineus schetst Appeldoorn de organisatiestructuur van zijn eigen concern en zet die af tegen die van een groot landelijk dagblad met een uiteindelijk even grote oplage van 300.000 exemplaren. Dat de drie edities van het landelijke dagblad goedkoper gedrukt kunnen worden dan de veertig (!) die Wegener Tijl voor alle (kop)bladen samen maakt, kan een kind concluderen. Dat WT met vijf directeuren, vijf hoofdredacteuren en hun redacties een grotere 'overhead' heeft ligt al net zo voor de hand. “We hebben dus altijd al een achterstand bij de landelijke bladen”, onderwijst Appeldoorn, “we lopen de honderd meter, maar onze tegenstander mag 70 meter verderop beginnen.”

Schaalvergroting biedt soelaas. Die kan zorgen voor een betere benutting van drukpersen en voor verhoging van de efficiency. Ook op redactioneel terrein, wil Appeldoorn niet ontkennen. “Er moet iets gebeuren, dat is duidelijk. Niemand zit op een eenheidsworst te wachten, de regionale invalshoek is en blijft onze kracht, maar dat interne samenwerking voor verbetering van het totale produkt kan zorgen is een logische consequentie.”

De vraag tot hoever schaalvergroting kan gaan, ligt voor de hand. Appeldoorn zegt er geen geheim van te maken dat hij de Gooi en Eemlander, nu nog een zelfstandig regionaal dagblad, graag zou toevoegen aan de nieuwe combinatie WT-ODC. Daarna zouden veranderingen in het Nederlandse medialandschap echter nogal onwaarschijnlijk zijn, denkt hij. “De kaarten zijn nu wel geschud. Er zijn een paar grote combinaties gevormd. Het zou koffiedik kijken zijn om te voorspellen wat er verder gaat gebeuren.”

Wegener Tijl zelf is op het eerste gezicht ook geen onaantrekkelijke overnamepartner, moet Appeldoorn bevestigen. Het concern mag zich echter volgens de voorzitter van de raad van bestuur "goed beschermd' noemen. “Ik praat eigenlijk liever niet over zulke zaken. Maar formeel juridisch hebben we dat allemaal goed geregeld.” Helemaal een kille ondernemer blijkt Appeldoorn in dit opzicht dan ook niet te zijn. “Ik vind dat dagbladen een aparte bescherming verdienen. Het kan toch gebeuren dat je bij een onvrijwillige overname vindt dat je niet bij het nieuwe concern past.”

Daar klinkt toch nog iets van de courantier in de zakenman. Appeldoorn is er dan ook van overtuigd dat de krant als produkt in het jaar 3000 nog bestaat.“Daar heb ik een rotsvast vertrouwen in. Net zoals in de positie van het regionale dagblad. Iedereen, jong en oud, is geïnteresseerd in zijn eigen regio. Lezersonderzoeken wijzen dat telkens weer uit. De regionale dagbladen zijn daar in hun nieuwsvoorziening op toegespitst. Ze zijn in hun regio's geworteld.”

Wegener Tijl en ODC zijn na fusie met een totale omzet van ruim 700 miljoen gulden de vierde dagbladuitgever van Nederland. Bij beide ondernemingen samen werken 4300 mensen.

Wegener Tijl had in 1990 een jaaromzet van 479 miljoen gulden. In het eerste halfjaar van 1991 werd een omzet van 262 miljoen gerealiseerd met een nettowinst van 14,9 miljoen gulden (een stijging ten opzichte van het eerste halfjaar 1990 met 9,2 procent).

ODC behaalde in 1990 een omzet van 235,5 miljoen gulden en een nettowinst van 9,7 miljoen. ODC verwacht in 1991 dat resultaat onder invloed van ontwikkelingen op de advertentiemarkt niet te kunnen evenaren.