KERMIS

Tussen kermis en carnaval. Vertier in Overijssel door Herman Aarts en Aranka Meijerink-Wijnbeek 128 blz., geïll., Waanders Uitgevers, 1991, f 29,50 (ppb.), f 39,50 (geb.) ISBN 90 6630 258 5 (ppb.) ISBN 90 6630 257 7 (geb.)

Kwakzalver, toneelspeler, waarzegster, goochelaar èn geestelijke - en geen beroep dat niet in dit rijtje thuishoort. Bij de inwijding van een kerk en de jaarlijkse herdenking daarvan waren vroeger talloze mensen op de been, en waar veel mensen bijeen zijn, ontstaat handel. Met de handel komt het vermaak: menig rondtrekkend "kunstenaar' zag de kans schoon wat geld te verdienen. Bij de feestelijke viering van de kerkwijding werd het feest in de kerk geleidelijk overvleugeld door het feest buiten de kerk. Het vermaak op de kermis werd de hoofdzaak. De kerk als bron van vermaak, zo had ik het nog nooit bekeken.

Zo wel de auteurs van Tussen kermis en carnaval. In dit rijk geïllustreerde Jaarboek Overijssel 1991 doen zij verslag van de geschiedenis van kermis en carnaval in deze oostelijke provincie, waar het Twentse Oldenzaal al in 1048 van Keizer Hendrik III toestemming kreeg om op 21 oktober (tijdens het inwijdingsfeest van de Plechelmuskerk) een jaarmarkt te houden.

Tussen kermis en carnaval bevat veel anekdotes die allemaal gemeen hebben dat de normaal geldende maatschappelijke regels even over boord gezet werden. Een en ander was een bron van spanning tussen de burgers in het Overijsselse en de overheid. In 1866 besloot de gemeenteraad van Almelo dat jaar de vierdaagse kermis (dinsdag voor de kinderen, woensdag voor de jongelui, donderdag voor de boeren en vrijdag voor de oudelui) niet te houden vanwege een cholera-epidemie, dit tot groot ongenoegen van de bevolking. De ruiten van het gemeentehuis en die van de burgemeesterswoning moesten het ontgelden vóórdat men het wijze besluit nam toch maar toestemming te verlenen. In Zwolle werd de gemeente-secretaris duchtig afgeranseld door jonkheer Herman Schaap Beerze omdat de man het had gewaagd de duur van de kermis aanzienlijk te verkorten. De maatregel was juist genomen om het grote aantal vechtpartijen te verminderen.

Maar de kermis was vooral de plek voor grootschalige koppelarij. Nog in de jaren vijftig gingen autobussen vol vrijgezellen naar de Jennechiesmarkt in Wierden, één van die openbare vrijersmarkten. In 1957 was er een tweedelige hoofdprijs: niet alleen een vrijer, maar ook een koe. Om klokke zeven uur werd met een donderbus het startschot gegeven voor een run op kaartjes. Elk kaartje had een nummer, en het was de bedoeling de vrouw (man) met hetzelfde nummer te vinden. Wie daar het eerst in slaagde, won. In ieder geval een koe. In 1957 waren Dicky Olthof en ene Egbert Slot de gelukkigen. Een gezin was gesticht.

Was de partner evenwel niet naar de zin, dan waren er subtiele manieren om daar uiting aan te geven. In Markelo bestond het oude gebruik dat een meisje op kerstavond een schadde (turf) aan de deur van haar vrijer hing. Kreeg de jongen een droge schadde, dan betekende dat vaste verkering; was het een natte, dan kon hij het verder wel schudden. In Borne hadden de dames het wat lastiger. Daar plaatsten de jongens met een stuk krijt het huismerk op de jurk van het meisje. Zag ze hem niet zitten, dan was hard weglopen de enige remedie.

De kermis was in vroeger jaren vooral het werkterrein van de waarzegger: veel was er niet voor nodig het vertrouwen en geloof van een weinig ontwikkeld volk te verwerven. Berend Laarveld uit Haaksbergen stond rond 1800 bekend als ziener. Niet ten onrechte. Hij had voorspeld dat iemand onder een boom zou doodblijven, en inderdaad vergat boer Jonkman te berekenen welke kant de boom die hij aan het omzagen was zou op vallen. Maar "Kieke Berend' - zoals zijn bijnaam luidde - werd later in de boeien geslagen, omdat hij bleef volhouden dat de Franse legers zouden terugkeren.