Hofje zonder begijnen

Een oase is het, een plaats voor bespiegeling. Je zit er veilig en beschut, er hangt een geur van eeuwig leven. De omringende stad gereduceerd tot tramgeluiden.

Een trekpleister is het ook. Gestaag kabbelt de toeristenstroom. Maar men gedraagt zich. Men vertraagt zijn pas en matigt zijn stem. Er wordt gekeken en gewezen. Nu en dan het aanzwellen van camerageklik.

De bewoonsters lopen ertussendoor. Ze komen terug met boodschappen of gaan een brief posten. Ze hebben die makkelijke houding van mensen die zijn waar ze thuishoren. Elkaar begroeten ze vriendelijk; passanten worden al even vriendelijk genegeerd.

Honderdacht alleenstaande vrouwen, 35 jaar of ouder. Ze hoeven niet katholiek of armlastig te zijn. Voor hun leeftijd geldt geen bovengrens, maar er is geen verzorging, het is geen bejaardenhuis.

Toen Henk Zantkuijl naar Amsterdam kwam, dat was in 1953, toen zaten er op nummer 27 nog begijntjes. Er waren forse meiden bij, maar zo zeg je het nu eenmaal: begijntjes. Zij deden goede werken en waren de laatsten.

Hij is inmiddels 66 en woont sinds zijn pensioen in Hoorn, in een flat. Moet hij in Amsterdam zijn, dan mag hij graag nog eens over het Begijnhof gaan. Tussen Kalverstrstraat en Nieuwezijds Voorburgwal, Historisch Museum en Spui. Drie poortjes geven toegang. De bewoonsters hebben nog steeds het recht ze 's avonds te sluiten.

Je moet je voorstellen dat zo'n hofje gegroeid is. Hier, aan de kant van de Kalverstraat, waar nu de Gedempte Begijnensloot ligt, hier was de burgwal. Daar de stad, hier de polder. Ach, het was maar zo'n klein stadje.

En daar, nu het Historisch Museum, daar is toen het Luciënklooster gekomen. Steden hielden niet van kloosters. Kloosters deden, omdat ze niet gehouden waren aan de gildebepalingen, de gevestigde ambachtslieden oneerlijke concurrentie aan. Maar dit was waarschijnlijk grafelijke grond. Dus de graaf gaf toestemming voor dat klooster en daaraan grenzend zouden zich dan de eerste begijntjes hebben gevestigd. Dat betekent dat het is begonnen met die dwarshuizen aan de noordzijde en dan praten we over dertienzoveel. Binnen twee generaties, een jaar of vijftig, moet het hofje wel grotendeels voltooid zijn geweest. Het ging de begijntjes voor de wind, destijds.

Niet zo lang geleden hebben we ontdekt dat er "beken' over het hofje gelopen hebben. Je kunt ook sloten zeggen, want het waren natuurlijk de oude poldersloten. Hier aan de noordkant, hier hebben we de loop van een beek nauwkeurig kunnen vaststellen: van nummer 12 naar nummer 22. Dat moet je je als een riool voorstellen. Houten wanden met een houten deksel erop en daar weer aarde overheen. Er waren putjes om water uit op te halen. Dat stonk geweldig, maar ze hadden het nodig, ze moesten hun straatje kunnen schrobben! Voor andere doeleinden werd, overal in de stad en tot in de negentiende eeuw, regenwater opgevangen - en verder waren er de beroemde waterschuiten van de Vecht. Hoe dan ook: in de bebouwing van het hofje vind je het oude slotenpatroon van de polder terug.

Dat ging zo: een rijke familie parkeerde een dochter bij de begijnen en liet hier een huis voor haar bouwen. Zij nam vervolgens een aantal minder gefortuneerde zustertjes op. Elk huis was eigenlijk een klein klooster.

Deze huizen waren dus particulier bezit. Dat verklaart de verscheidenheid, want het zijn toch net grachtepaden, alleen in een blok gezet en naar binnen gericht. Dat verklaart ook dat de begijntjes rustig konden doorleven na de alteratie van 1578. Hun bezittingen werden ongemoeid gelaten. Wel is toen het kerkje geconfisqueerd, en dat is in 1607 overgedragen aan de Engelssprekende presbyterianen in de stad.

Op nummer 29 is een nieuwe kerk gebouwd, een schuilkerk, of nee, dat is zo'n romantisch-beladen benaming, een huiskerk. Het mocht best een kerk zijn, het mocht er alleen niet als een kerk uitzien. En de bouwopdracht ging gewoon naar Philip Vingboons.

Kijk nu eens om je heen naar al die geveltjes. Het Houten Huys is duidelijk 15-de eeuws, nummertje 2 en nummertje 3 zijn 16-de eeuws, dan hebben we trap-, hals- en klokgevels van de 17-de eeuw en nog een paar mooie gevels uit de 18-de eeuw. Voor de bewoner maakt een mooi geveltje natuurlijk geen enkel verschil, mooie geveltjes zijn bedoeld voor de voorbijganger. En ze waren echt wel op de penning hoor, die mensen, maar ze dachten aan het beeld van de stad.

Aanvankelijk moeten het huisjes van één bouwlaag met een kap zijn geweest. Na de grote stadsbrand van 1421 is bij de herbouw overal een onderhuis ondergezet. Elders in Amsterdam is dat het souterrain, maar hier is dat bovengronds. Dat komt doordat het plaveisel zo laag ligt. Meteen onder deze klinkers staat het grondwater. Naar het Spui moet je zes treden op! Veel wateroverlast dus, maar bij de laatste renovatie hebben we onder die put, daar in het plantsoentje, een pomp laten zetten, voor de afvoer; dit is in het centrum eigenlijk een apart poldertje.

Dus eerst een bouwlaag eronder, en later zijn die huisjes nog weer met een bouwlaag verhoogd. In de loop der jaren is er herhaaldelijk grondig verbouwd. Daar zit een bepaald ritme in. Zo ongeveer om de honderd jaar breken de nieuwe wooneisen naar buiten. Dat begint doorgaans bij het interieur, ja.

Als je wilt weten wat er nou nog echt oud is in die huizen: houten jukken, vloerdelen, bouwmuren, het karkas. Om te beginnen loop je dus naar de kap of naar de kelder, hier de onderbouw. En dan staat er zo'n balk en dan denk je: jonge, jonge, jij hebt wat te vertellen, en dat hééft-ie ook! Er zitten bijvoorbeeld kepen in. Dat wil zeggen dat er een wandje heeft gestaan. Een deelwand? Een bedsteewand?

Dan kijk je naar de afwerking. Schilderwerk kun je laag voor laag afkrabben. Dertig lagen, geen uitzondering. Heb je mazzel, dan ga je terug tot de oorsprong. Zo hebben we ontdekt dat er veel blauw werd gebruikt. Blauw is een rijke kleur, erg duur ook. En het waren toch maar simpele huisjes! We weten nog niet veel van dat blauw en van de prijzen ervan. Normaal kwam het van gemalen azuursteen, of malachiet, maar dan kreeg het toch weer iets groenigs. Maar nu hebben we ontdekt dat het ook indigo kan zijn geweest. Je denkt dat dat alleen voor laken en kleren werd gebruikt, maar indigo blijkt wel degelijk ook op houtwerk te zijn toegepast.

Blauw is een zwakke kleur, erg aan licht onderhevig. Dan vind je de oudste kleur en die is grijs. Verrekt, die mensen hebben toch geen grijs gebruikt? Je gaat op zoek naar een plek waar geen licht is bijgeweest, een plekje onder een sleutelstuk, waar wat verf is ingedropen. Of, als je geluk hebt, een plek waar al heel vroeg een plank tegenaan is geslagen om een schapje te maken. En daar: prachtig mooie donkerblauwe verf! Dan zeg je hallo. Dan heb je contact met je medemens van vijfenhalve eeuw geleden. Dan maak je een babbeltje.

""Architectuur is taal'', zegt Zantkuijl. ""Die huizen zijn sinds '53 niet wezenlijk veranderd, ik ben veranderd; ik heb ze beter leren lezen.''