HOE AMERIKA VOOR ISRAEL KOOS

Truman and Israel door Michael J. Cohen 342 blz., geïll., University of California Press 1990, f 56,40 ISBN 0 520 06804 1

Het is overbekend dat bij het bepalen van buitenlands beleid overwegingen van binnenlandse politieke aard niet zelden doorslaggevend zijn. Dat geldt zeker voor de Verenigde Staten waar ”het buitenland' toch al onwezenlijk ver voorbij de horizon ligt en de politieke ambtsdragers boven alles geïnteresseerd zijn in hun eigen herverkiezing. Een bekend voorbeeld, dat in alle schoolboeken staat vermeld, is de houding van president Harry S. Truman ten aanzien van de oprichting van de staat Israel.

Harry Truman staat tegenwoordig als de meest integere na-oorlogse president bekend, maar zijn indertijd fameuze pro-Israel-beleid blijkt vooral geïnspireerd te zijn geweest door opportunistische electorale motieven. Onlangs is dit beeld opnieuw bevestigd in Truman and Israel van de historicus Michael J. Cohen.

Hoewel Cohen, die hoogleraar is aan de Bar-Ilan Universiteit in Israel, weinig echt nieuwe inzichten biedt, is het uitermate boeiend de hele chaotische geschiedenis nog eens geheel uitgespit bijeen te zien. Aanvankelijk was Truman allerminst een voorstander van een onafhankelijke joodse staat. Hij vreesde volgens Cohen dat een dergelijke staat onvermijdelijk zou ontaarden in een ”racistische theocratie'.

Zelfs toen Truman Israel na het uitroepen van de onafhankelijkheid in 1948 onmiddellijk had erkend, bleef hij zich nog vastklampen aan het oorspronkelijke rapport van het Brits-Amerikaanse comité uit 1946. De president betitelde dit rapport als ”a great document' en hij kende de tekst ervan bijna woord voor woord uit zijn hoofd. Hij beschouwde het als de meest ideale oplossing voor de kwestie Palestina. Het rapport bepleitte de vestiging in Palestina van honderdduizend joodse DP's (Displaced Persons) die Hitlers Holocaust overleefd hadden. Verder werd erin voorgesteld om de beperkingen af te schaffen op de aankoop van land door joden. De oprichting van een joodse staat werd echter afgewezen. In plaats daarvan diende volgens het rapport het Britse mandaat voortgezet te worden.

ERGERNIS

Volgens Cohen zou Truman indertijd uiterst furieus geweest zijn over de verwerping van dit rapport door de zionisten. In zijn ergernis over hun houding zou Truman tijdens een kabinetsvergadering uitgeroepen hebben: ””Jesus Christ couldn't please them when he was here on earth, so how could anyone expect that I would have any luck?''

Tijdens de Congres-verkiezingen van 1946 werd Truman echter vanuit zijn eigen Democratische Partij zwaar onder druk gezet om zich in het openbaar positief uit te laten over de zionistische wens tot een onafhankelijke joodse staat. In het nauw gedreven reageerde Truman daarop met een historisch geworden toespraak over de kwestie Palestina uitgerekend daags voor het joodse feest van Grote Verzoendag. De zogenaamde Yom Kippoer-toespraak werd wereldwijd als uiterst pro-zionistisch geïnterpreteerd maar was in eerste instantie bedoeld om de verkiezingskansen van zijn eigen partijgenoten te vergroten.

Truman was zich er bovendien terdege van bewust dat, als hij in 1948 nog een kans wilde maken om zijn ambtstermijn te verlengen, hij electoraal hoog moest scoren onder de vijf miljoen joodse kiezers. Deze woonden geconcentreerd in de grote steden van de noordelijke staten en aangezien daar bijna tweederde van het aantal ”kiesmannen' te verdienen viel, was hun stem van uitzonderlijk groot belang.

Als de gedoodverfde verliezer van de verkiezingen in 1948 had Truman grote moeite om geld voor zijn campagne bij elkaar te krijgen. De financiële nood rees zo hoog dat op de radio Trumans verkiezingspraatjes meermaals ergens halverwege abrupt werden afgebroken omdat de zendtijd niet langer kon worden betaald. Zijn campagne bleef nog net op de been dankzij de giften afkomstig uit de joodse gemeenschap. Het was vooral door de inspanningen van zijn joodse vriend Eddie Jacobson dat de legendarische verkiezingstrein waarmee Truman het land doorkruiste, rijdend gehouden kon worden. Wekelijks kwam Jacobson bij de trein langs om er de dollars cash af te leveren die hij in de tussenliggende dagen bijeen had gegaard.

VERDELINGSPLAN

Inmiddels had Truman zich in 1947 gesteld achter het door de zionisten toegejuichte VN-verdelingsplan van Palestina. Daarin werd voorgesteld het mandaatgebied op te splitsen in een joodse en een Arabische staat. Vanuit het Witte Huis werden alle mogelijke diplomatieke middelen aangewend om het verdelingsplan door de Algemene Vergadering aangenomen te krijgen.

Volgens Cohen werden onwillige landen botweg omgekocht, zoals vermoedelijk in het geval van Costa Rica (kosten: veertigduizend dollar), terwijl andere staten gewoon economische sancties in het vooruitzicht werden gesteld. Het aarzelende Frankrijk werd overgehaald door de dreiging de net aangekondigde Marshall-hulp in te trekken.

Toen ruim een half jaar later op 14 mei 1948 het Britse mandaat afliep en in Tel Aviv de staat Israel werd uitgeroepen, erkende Truman deze binnen een record-tijd van elf minuten. Een topdiplomaat van het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken merkte indertijd over de nieuw geboren natie nogal cynisch op dat ””if the United States had not exactly been the father, it had at least been the midwife''.

Cohen betoogt in zijn boek overigens dat electorale drijfveren niet de enige oorzaak van Trumans pro-zionistische Midden-Oostenbeleid waren. Zo acht hij ook de rol van Jacobson van grote betekenis. Truman en Jacobson waren tijdens hun diensttijd gedurende de Eerste Wereldoorlog met elkaar bevriend geraakt toen zij samen de zakelijke leiding hadden van de kantine van hun dienstonderdeel.

VOOROORDELEN

Truman was als een simpele provinciaal uit het agrarische Midwesten, niet geheel vrij van antisemitische vooroordelen. In de brieven aan zijn verloofde Bess noemde hij zijn maat Jacobson denigrerend een ”Jew clerck' en een ”smart Hebrew'. Niettemin begonnen zij na hun diensttijd in Kansas City samen een kleermakerij. Hoewel hun zakelijk avontuur spoedig in een fiasco eindigde, zouden zij voor de rest van hun leven hechte pokervrienden blijven. Toen Truman in het Witte Huis resideerde, mocht Jacobson er zonder afspraak op elk moment binnenvallen. Op grond van nieuw bronnenmateriaal concludeert Cohen dat dit nog veel vaker het geval was dan tot nu toe al werd aangenomen.

Jacobson wordt door Cohen getypeerd als een veramerikaniseerde Europese jood die in de Verenigde Staten zijn beloofde land zag. Hij was derhalve ook geen lid van een zionistische organisatie. Jacobson liet zich evenwel gewillig als een instrument van de zionistische lobby gebruiken. Toen Truman mateloos geïrriteerd raakte over de lobbyisten en een jaar lang zijn deur hermetisch voor hun gesloten hield, nam Jacobson hun belangen op het Witte Huis waar. Zo wist hij Truman ertoe te bewegen om de oude zionistische voorman Chaim Weizmann, die kort daarop de eerste president van Israel zou worden, heimelijk via een zijdeur van het Witte Huis te ontvangen.

In werkelijkheid, zo schrijft Cohen, kende Jacobson tot op dat moment Weizmann helemaal niet en had hijzelfs nog nauwelijks van zijn naam gehoord. Maar dat weerhield hem er niet van Truman te vertellen dat hij Weizmann als de grootste persoonlijke held in zijn leven beschouwde. Terwijl de tranen over zijn gezicht stroomden, bespeelde hij Trumans gemoed met ontroerende uitspraken als ””Weizmann is a very sick man, almost broken in health, but he travelled thousands of miles just to see you and plead the cause of my people''.

Jacobson was op het Witte Huis overigens niet de enige pleitbezorger van de zionistische zaak. In Trumans presidentiële staf bevond zich het joodse duo David Niles en Max Lowenthal waarover Truman eens klaagde dat zij altijd snel in huilen uitbarstten als de kwestie Palestina ter sprake kwam. Meestentijds opereerden zij beiden echter onopvallend achter de schermen. Aan de hand van de recent geopende ”Lowenthal-dossiers' toont Cohen de enorme reikwijdte van hun invloed aan. Verder was ook Trumans belangrijkste buitenland-adviseur Clark Clifford een uitgesproken voorstander van een joodse staat.

ONVERKWIKKELIJK

Opmerkelijk in Truman and Israel is voorts het uitgebreide verslag van de onverkwikkelijke bureaucratische guerrillastrijd die de staf van het Witte Huis voerde met het ”pro-Arabische' State Department. Op het ministerie van buitenlandse zaken domineerde de opvatting dat de oprichting van een joodse staat volkomen haaks stond op de belangen van de VS. Het zou slecht zijn voor de Amerikaanse olie-import en het gevaar bestond dat de Arabische landen hun heil zouden gaan zoeken bij de Sovjet-Unie. Bovenal was het State Department bevangen door de huiver dat Amerika aan de zijde van de nieuwe joodse staat meegetrokken zou kunnen worden in een uitzichtloze woestijn-oorlog tussen ””een handjevol joden'' en veertig miljoen Arabieren.

Het State Department was dan ook allerminst gelukkig met het VN-verdelingsplan waartegen de Arabieren heftig protesteerden. Op het laatste moment - en dat overigens volgens Cohen met de uitdrukkelijke instemming van Truman - trachtte het State Department met alle macht om in de Verenigde Naties een alternatief plan aangenomen te krijgen dat een ongedeeld Palestina onder ”trusteeship' van de VN behelsde.

Niles, Lowenthal en Clifford zouden echter het pleit winnen. Zij brachten Truman voortdurend de opiniepeilingen onder ogen waaruit bleek dat de meerderheid van Amerikaanse kiezers zich voor een joodse staat uitsprak. Over de Arabieren behoefde Truman zich volgens Clifford niet ongerust te maken want dezen zouden immers primair geïnteresseerd zijn in het binnenhalen van harde Amerikaanse dollars. Daartegenover werd Truman het schrikbeeld voorgehouden dat de nieuwe joodse staat wel eens een strategisch bruggehoofd van de Sovjet-Unie kon worden. Vanwege de toen nog pro-zionistische politiek van de Sovjet-Unie en de in Amerikaanse ogen ”suspecte' kibboetz-ideologie van de joodse kolonisten had het daar immers alle schijn van.

Dit alles kon echter nog voorkomen worden, zo ging de redenering, wanneer Truman door het geven van steun Israel stevig aan Amerika wist te binden. Het advies van Trumans naaste medewerkers luidde, aldus Cohen, dat om de Russen af te troeven, het van grote symbolische betekenis zou zijn dat de VS de staat Israel als eerste erkenden.

ROOD AANGELOPEN

Trumans voornemen om Israel direct bij de proclamatie van de onafhankelijkheid te erkennen, viel uiteraard niet in goede aarde bij zijn minister van buitenlandse zaken, George C. Marshall. Deze zou met een rood aangelopen gelaat recht in Trumans gezicht hebben gezegd dat hij in ieder geval bij de komende verkiezingen niet op hem zou stemmen. Gelukkig voor Truman, die zich vlak voor de verkiezingen het verlies van zijn populaire minister niet kon veroorloven, trad Marshall niet af en bleef hij mokkend loyaal aan zijn president.

Hij was overigens niet de enige regeringsfunctionaris die met stomheid was geslagen. Het hoofd van de Amerikaanse VN-delegatie was weliswaar ingelicht over Trumans voornemen, maar was daarover zo kwaad dat hij de rest van de delegatie niet op de hoogte bracht en onmiddellijk naar huis vertrok. Zo kon het gebeuren dat terwijl de Algemene Vergadering juist confereerde over het nieuwe trusteeship-plan voor Palestina, het bericht werd binnengebracht dat Truman de staat Israel had erkend. In het daaropvolgend tumult wierp een stafmedewerker van de Amerikaanse delegatie zich met zijn volle gewicht in de schoot van een briesende Cubaanse afgevaardigde om zo te verhinderen dat die de officiële terugtrekking van zijn land uit de VN aankondigde.

Tussen het Witte Huis en het State Department zou het nooit meer helemaal goed komen. Truman was, volgens Cohen, ervan overtuigd dat het State Department zijn verkiezingscampagne had willen saboteren en hij zou voor dit ministerie altijd een licht paranoïde argwaan blijven koesteren. Bovendien had de president, die zelf geen academische opleiding had, een intuïtieve afkeer van de streepjesbroeken-cultuur van de diplomaten afkomstig van de elite-universiteiten aan de oostkust zoals Harvard en Yale.

Niettemin zou het State Department inzake Israel spoedig de beleidsoptiek van het Witte Huis overnemen. Toen de eerste Arabisch-Israelische oorlog na enig tijd uitmondde in een demonstratie van Arabische onmacht, raakte ook het State Department ervan overtuigd dat de keuze voor Israel juist was geweest en dat deze staat als een bijzonder waardevol bondgenoot in het westerse kamp binnengehaald kon worden.