"Hier in het land van de Turken heb ik rust en geluk gevonden'; Joden in Turkije relatief ongemoeid gelaten

Volgend jaar wordt het feest gevierd. “We vieren natuurlijk niet het vertrek, maar de aankomst”, zegt Nedim Yahya, de coördinator van de "Vijfhonderd Jaren Stichting' die de manifestaties organiseert ter herdenking van de verdrijving uit Spanje - later ook Portugal - en de gastvrije opname in het Ottomaanse Rijk van tienduizenden Sefardische joden (Sefarad is Hebreeuws voor Spanje). Doel is vooral het signaleren en memoreren van het feit dat zij en hun nazaten vijf eeuwen lang vrij en betrekkelijk ongemoeid in Turkijes grootste stad Istanbul hebben kunnen leven.

Het Israelisch Philharmonisch Orkest zal concerten geven in Istanbul en in het antieke openluchttheater van Aspendos aan de zuidoostkust, Verdi's opera Nabucco - die de Babylonische ballingschap van de joden tot onderwerp heeft - zal door de Turken worden opgevoerd, gehoopt wordt op de komst van Pavarotti en Barbra Streisand, er zijn seminaria en tentoonstellingen, en de oude synagoge Ahrida - genoemd naar het Macedonische Ohrid - die uit de Byzantijnse periode dateert, zal in gerestaureerde staat het toneel zijn van de religieuze herdenking.

Die Ahrida-synagoge, met haar fraaie preekstoel in de vorm van Noachs ark, in het centrum van de vroegere joodse wijk Balat, herinnert eraan dat er ook vóór de inname door de Turken van Constantinopel (1453) al joden in deze stad woonden. Het waren de "Romeinse' joden of Romanioten, en ze spraken merendeels Grieks. Hetzelfde geldt voor de oude sekte van de Karaïten, die er toen reeds was neergestreken en die de Talmud niet erkennen, evenmin als het centrale rabbinale gezag. Er wonen er nog altijd enkele honderden in Istanbul met eigen synagoge en begraafplaats.

Mehmed de Veroveraar (van Constantinopel) had de joden reeds begunstigd en hen aangemoedigd, uit de landen van Oost-Europa waar ze het moeilijk hadden naar zijn rijk te komen. De rabbi van Edirne, Isaac Sarphati, stuurde toen een brief naar de joden in Duitsland met onder andere deze passage: “Hier in het land van de Turken heb ik rust en geluk gevonden. Turkije kan ook voor jullie het land van vrede worden (..) Als jullie die in Duitsland wonen slechts eentiende kenden van waarmee God ons in dit land heeft gezegend, zouden jullie geen moeilijkheden meer opwerpen, jullie zouden naar ons toekomen.”

Onder Mehmeds opvolger Beyazid II (1481-1512) had de verdrijving van de Spaanse en later Portugese joden plaats. De uittocht uit grote havens als Cadiz en Sevilla was zo massaal dat Columbus - volgens sommige onderzoekers zelf een Marrano, een tot het katholicisme bekeerde jood - voor zijn uitvaart in 1492 was aangewezen op de onaanzienlijke haven van Palos.

Van de 200.000 joden die onder Ferdinand en Isabella Spanje moesten verlaten bereikte meer dan de helft het Ottomaanse Rijk, niet alleen Istanbul maar ook een haven als Thessaloniki waar zij mettertijd de grootste bevolkingsgroep gingen vormen; na de holocaust zijn daar nog slechts 1.500 over. Beyazid moedigde op alle manieren hun vestiging aan. “Ferdinand de Wijze moet ten onrechte zo zijn genoemd”, zou hij later hebben opgemerkt, “met zijn uitwijzing van de joden verarmde hij zijn eigen land en verrijkte het onze”.

Al een jaar na hun aankomst runden de nieuwe joden van Istanbul de eerste drukpers en in de volgende eeuw bezaten zij de grootste zaken in de stad, drukten hun stempel op de textiel- maar ook op de kanonnenmarkt, terwijl joodse medici vertrouwensposities aan het hof van de sultans bekleedden, lang voordat Grieken en Armeniërs een dergelijke eer te beurt viel.

Een terugslag kwam er tegen het eind van de 16de eeuw, toen joden werden beschuldigd van falsificaties bij de aanmaak van de munt. Ze verloren de functie van "meest begunstigde minderheid' en vervielen ook onderling in een soort apathie. Wellicht een uitvloeisel daarvan was de crisis rondom de uit Izmir (Smyrna) afkomstige Shabbetay Zevi, die zich in de tweede helft van de 17de eeuw uitriep tot Messias en tot in Nederland volgelingen maakte. Ten slotte liet hij zich bekeren tot de islam. Hij werd zo de eerste der Dönmes, letterlijk "terugkeerlingen', een grote groep tot de islam bekeerde joden van wie er nog altijd 15.000 in Istanbul leven, een mengsel van joods en islamitisch ritueel volgend. Ook zij onderhouden in de stad een eigen gebedsgebouw, dat in de wandeling de "joodse moskee' wordt genoemd.

In het begin van deze eeuw was het aantal joden van Istanbul gegroeid tot 100.000. Behalve een rijke bovenlaag was er een levendig proletariaat, grotendeels geconcentreerd langs de noordelijke oever van de Gouden Hoorn (zijwater van de Bosporus) in de wijk Balat, die veel karakteristieken van een getto had. Er vlak naast lag de Griekse buurt Fener, waarmee de betrekkingen van tijd tot tijd kritiek waren omdat de Griekse christenen de joden ervan verdachten rituele moorden op kinderen te bedrijven.

Tot de meest verhitte taferelen werd bijgedragen door de ruige bootslui bij de aanlegsteigers, van wie de meesten joden waren, en de wederzijdse vrijwillige brandweerkorpsen, zeer lastige lieden die pas in actie kwamen als ze betaald waren. Er waren nog altijd Romanioten die Grieks spraken, maar geleidelijk werd de bevolking van Balat overwegend Sefardisch - dezen bleven ook de Ashkenazische joden domineren die in de 19de eeuw voor de vervolgingen in Oost-Europa alweer hun heil in Turkije zochten.

Tijdens het regime van de Jong-Turken werden de joden, evenals de andere minderheden, voor het eerst aan dienstplicht onderworpen en velen sneuvelden voor Turkije in de verloren Eerste Wereldoorlog. De "verturksing' zette zich voort onder de republiek van Atatürk, die in 1923 werd ingesteld. Diens kleding-, onderwijs- en alfabetvoorschriften brachten ook voor de joden ingrijpende veranderingen met zich mee. Zijn wereldlijke "hervormingen' veroorzaakten een teruggang van hun religieuze bewustzijn.

Hoewel Atatürk zich afzette tegen de fanatieke en expansionistische dictaturen die zich in de jaren twintig en dertig in Europa vestigden, en hoewel hij de Turkse traditie van gastvrijheid voortzette door uit nazi-Duitsland joodse hoogleraren en andere intellectuelen naar Turkije te laten komen, ontsnapte ook zijn land niet geheel aan het antisemitische virus. In 1935 kwam het tot vervolgingen in Thracië en uit steden als Edirne (Adrianopel) en Çanakkale trokken de meeste joden weg, naar Istanbul merendeels.

Er is uit die periode een foto bewaard van Atatürk, die tijdens een tournee door Europees Turkije ook Edirne bezoekt. Een oudere man uit de joodse gemeente, Abram Palto, benadert hem met de klacht dat de joden uit de stad worden verdreven. “Wie verjaagt u”, vraagt Atatürk hem. “De regering, de wet, de politie de gendarmerie? Spreek!” “Het volk verdrijft ons”, komt het wat aarzelende antwoord, waarop Atatürk zich lachend verwijdert met de woorden: “Ja, als het volk het wil, kan het ook mij verjagen”.

Istanbul is het glanzend, positief middelpunt van 500 jaar joodse aanwezigheid in Turkije, maar dat gaat wel een beetje ten koste van aandacht voor de marginale steden. De ooit zowat 20.000 joden van Edirne zijn tot 20 geslonken, die de minyan, het quorum van tien mannen dat is vereist voor het houden van een dienst, in de oeroude synagoge niet meer kunnen opbrengen. Van de ooit 60.000 joden van Izmir zijn er nu nog hooguit 2.500 over.

Wat het Istanbulse aantal betreft, ook dat is na de Tweede Wereldoorlog sterk teruggelopen. Van de 80.000 van toen zijn er nog 22.000, een getal dat nu zeer constant blijft. In de jaren veertig en vijftig was er een uittocht naar de VS en Canada, maar natuurlijk ook naar Israel.

Een en ander was mede een reactie op de beruchte Varlik, een zeer hardvochtige vermogensbelasting die in de jaren '42 tot '44 op alle minderheden - joden, Grieken, Armeniërs, in mindere mate de Dönmes - werd toegepast. Islamieten moesten vijf procent van hun vermogen opbrengen, maar zij die volgens hun identiteitsbewijs "niet-islamieten' waren, werden ieder afzonderlijk bekeken en zij werden aangeslagen voor bedragen die vaak hun totale vermogen te boven gingen. Wie in gebreke bleef, werd naar het verre oosten van het land gedeporteerd en moest dat in sommige gevallen met zijn leven bekopen. Het regende faillissementen, en ook de armste ambachtslieden werden niet gespaard.

Het was in zekere zin een verwording van het millet-systeem dat onder de sultans had geheerst, en waarbij de christelijke en joodse "naties' (millet) verantwoordelijk werden gesteld voor het opbrengen van belasting, maar verder betrekkelijk ongemoeid werden gelaten.

“Je moet het ook van de Turkse kant bekijken”, zegt mij Sylvio Ovadya, uitgever van het in Istanbul uitkomende joodse weekblad Shalom (oplage: 3.500). “De minderheden hadden zowat het monopolie van handel en industrie, daar vond je bijna geen Turkse namen bij. Het was logisch dat de Turken dat wilden veranderen.” Maar het is wel zo dat president Inüon het door die Varlik voor altijd bij de minderheden heeft verbruid - zijn Republikeinse Volkspartij kreeg sindsdien van hen geen stem meer. Die ging naar de Democraten, die na hun machtsovername in 1950 in sommige gevallen voor compensatie hebben gezorgd.

De neutraliteitspolitiek die president Inüon voerde had voor de joden bepaalde voordelen. Zo wist nog in 1944 een Turkse consul op het door de Duitsers bezette eiland Rhodos 42 joden van deportatie naar Auschwitz te redden doordat hij, met veel kunst- en vliegwerk, kon aantonen dat het "Turken' waren. Maar bij de joodse minderheid moet wel de vrees hebben geleefd, dat de neutraliteit van Ankara vroeg of laat in pro-Duitse richting zou omslaan.

Kenmerkend daarvoor is wat men mij vertelde over Balat, ook in deze jaren nog het centrum van joods volksleven. Langs de grote weg die beneden liep werd plotseling een grote oven gebouwd, in het plaatselijk oud-Spaans Los Ornos genoemd, die werd gebruikt voor het maken van brood, maar waarvan de bevolking argwaan koesterde dat zij voor sinistere doeleinden zou worden aangewend zodra Inüon zich bij de As zou voegen, waartoe tot 1942 redenen bestonden. Kort na de oorlog is het gebouw weer afgebroken. Waarschijnlijk berust ook die argwaan op een latere legende, daar in 1942 nog nauwelijks iemand iets afwist van de gasovens in de kampen.

Na de Tweede Wereldoorlog zijn zowat alle joden uit Balat weggetrokken, hetzij naar Israel of een ander land, hetzij naar "betere buurten' zoals Ortaköy en Kuzkunçuk, aan weerskanten van de Bosporus. Burgemeester Dalan, bijgenaamd de "Bulldozer', heeft in de jaren tachtig de strook langs de Gouden Hoorn laten slopen in een poging dit water weer schoon te krijgen (het stinkt er erger dan ooit) en er liggen nog plannen voor een brede weg door de wijk. Het is nu een, onverminderd kleurrijke, door islamieten bevolkte achterbuurt waar de Davidster, die sommige huizen decoreerde, steeds meer verdwijnt.

Twee joodse dokters hebben er nog een praktijk en het joodse ziekenhuis Or-Ahayim staat er nog, dat nu prozaïsch Balat Hospitaal heet zonder dat meer aan de buitenkant is te zien dat het joods is, afgezien van de synagoge aan de achterkant. Met moeite vindt men de oude Ahrida-synagoge, waar volgend jaar het religieuze deel van de feestelijkheden moet plaatshebben. Zij is in restauratie, maar nergens wordt aangegeven wat dit voor een gebouw is. Het heeft alles iets verstolens, net als het bureau van het weekblad Shalom in de wijk Nisantash, dat aan de straatkant geen naambord heeft.

Léon Brudo is één van de laatste joodse winkeliers in deze wijk - zijn textielzaak bestaat al veertig jaar. Hij hoeft geen geheim te maken van zijn naam, zegt hij, en heeft van de bevolking nooit moeilijkheden ondervonden. “Geen problemen, behalve de armoede van m'n klanten. Ik ben blij dat ik ben blijven werken in de buurt waar ik ben opgegroeid. Maar wonen doe ik hier niet meer.”

De laatste angstige dag voor de joden van Istanbul was de zesde september 1986, toen een Arabisch zelfmoordcommando van twee personen de hoofdsynagoge Neve Shalom in de wijk Galata binnendrong tijdens de Sabbat-viering en 22 bezoekers plus zichzelf doodde. De Grootvadersklok bij de sindsdien sterk beveiligde ingang staat nog steeds op zeventien over negen. De daad “heeft het tegendeel veroorzaakt van wat de opzet was”, zegt Nedim Yahya, met onverwoestbare blijmoedigheid. “De bedoeling was, tegenstellingen te zaaien tussen islamitische Turken en joden, maar het leidde juist tot toenadering, zelfs tussen Ankara en Tel Aviv. Het schok-effect was algemeen.”

De grootscheepse opzet van de 500 jaren-herdenking is volgens Yahya ook een uitvloeisel van de blinde gewelddaad. Maar men heeft niet helemaal kunnen ontsnappen aan het gevaar, in het andere uiterste om te slaan. Ter gelegenheid van het feest zijn twee historische exposés uitgegeven, één geschreven door Naim Güleryüz, die men de "geestelijke vader' van de Istanbulse joden zou kunnen noemen, de andere door professor Stanford Shaw, bekend door zijn publikaties ten gunste van de Turken inzake de "slachtingen op Armeniërs' in 1915. Zijn opstel heet "De geschiedenis van het Turkse jodendom - vijfhonderd jaren van vrede en harmonie'.

In geen van de twee publikaties is sprake van de terugslag van 1599, van de vervolgingen in Thracië, van de Varlik. Viering sloeg hier om in propaganda. Toen ik het las moest ik terugdenken aan Stella Ovadya (geen familie van de uitgever van Shalom), een psychiater die zich in tegenstelling tot zoveel anderen die ik sprak, niet thuisvoelt in de geborgenheid van de joodse gemeenschap.

“Het is allemaal chocola”, zei ze in een plotselinge opwelling, “het krijgt allemaal een zoet vernisje, bij Shalom, waar ik niet meer voor schrijf, en bij die viering, waarbij het allemaal zo mooi mogelijk wordt voorgesteld om te zorgen dat de joodse lobby in Amerika vriendelijker gaat denken over Özal.”

Stella is al in 1965 uit de joodse gemeente getreden en heeft tegelijk haar huwelijk verbroken. Ze realiseerde zich dat vrouwen- en jodenonderdrukking in elkaars verlengde liggen. Alleen, de meeste vrouwen, en de meeste joden in Turkije, merken niet dat ze worden onderdrukt omdat ze hun eisen en hun verwachtingspatroon laag stellen. “Als het financieel maar aardig gaat, als het familieleven goed verloopt.” De joden van Turkije voelen zich niet gediscrimineerd, zegt Stella, hoewel ze in de praktijk geen overheidsbanen krijgen, geen hoogleraar kunnen worden (in tegenstelling tot gasten uit het buitenland), geen officieren in het leger, geen beurzen kunnen krijgen en ga zo maar door.

Ook andere, minder felle, joden met wie ik sprak erkenden deze beperkingen. “We worden bijna dagelijks geconfronteerd met het feit dat allerlei dingen niet kunnen. Maar we zijn eraan gewend, we trekken ons terug in het economische succes, in het uitbundige familieleven dat we God zij dank kunnen onderhouden.” De joden van Istanbul behoren niet tot de allerrijksten, maar twee van de vijf grootste concerns zijn wel in joodse handen - Profilo-chef Jak Kambi is president van de 500 Jaren-Stichting die voor tweederden uit joden en voor éénderde uit islamitische Turken bestaat.

In de zomer vindt men veel joden op één van de aangename eilanden in de Zee van Marmara, waar ze zomerhuizen en synagoges hebben. Er zijn veel artsen en advocaten bij. Het totale aantal functionerende synagoges voor Groot-Istanbul is momenteel zestien, er zijn er twee in Izmir, één in Ankara, één in Bursa, één in Antakya (Antiochië) en nog in enkele andere, kleinere steden. Er zijn twee joodse middelbare scholen in Istanbul waar enkele uren per week Hebreeuws wordt gegeven, één in Izmir, en behalve het hospitaal staat in Istanbul een oud bejaardenhuis.

De joden van Turkije vertonen een tegenstrijdigheid. Hun rabbi's en synagogen zijn allemaal orthodox, niet liberaal. Het Groot-Rabbinaat verspreidt een agenda met op de laatste bladzijde de joodse tijdrekening: 5751, Schepping van de Wereld. Maar de leden van de gemeente zijn niet erg religieus, naar schatting vervult slechts twintig procent de sabbat-plichten. Er zijn slechts enkele slagers die kosher vlees verschaffen en geen enkel restaurant, al levert het Sheraton-hotel dat op bestelling.

Een joods gezelschap in Istanbul, zich bezinnend op de eigen identiteit, raakt niet uitgepraat over twee onderwerpen: het Ladino en de assimilatie. Ladino is de Spaanse taal die men in de 16de eeuw meenam en eeuwenlang bleef spreken en schrijven, in aangepast Hebreeuws schrift. Maar: “Ik ben de laatste van mijn generatie die het nog kent”, zegt Nedim Yahya. “Het sterft snel uit.”

Balat was tot ver in de 19de eeuw een baaierd van Ladino, dat meteen al het Grieks van de oorspronkelijke joodse inwoners had verdreven. Het was ook de taal van honderden liederen en liedjes. Maar sinds 1875 trad in de wijk de Alliance Israélite op, die de joodse scholen ging penetreren. Het "onbeschaafde volksdialect' moest plaatsmaken voor het Frans - het Ladino werd een taal “die je van je grootmoeder leerde”.

De "verturksing' onder Atatürk deed de rest. De situatie is nu zo dat het Ladino nog steeds wordt gesproken - het is de voertaal op het bejaardenhuis - maar door de jongere generatie alleen nog maar wordt verstaan. Shalom verscheen vroeger met zeven pagina's Ladino en één Turks - sinds zestien jaar is dat omgekeerd. Maar er is wel nieuwe belangstelling voor de liederen, en een gezelschap, "Los Pasaros Sefaridis' (De Sefardische Vogels) treedt met enig succes op concerten op.

De assimilatie verloopt vooral de laatste decennia ongekend snel. “Als ik nu in Israel kom”, zegt een oudere dame hoofdschuddend, “dan voel ik me zó Turks ..” Men is ook meer en meer op Turkse voornamen overgegaan, met dien verstande dat er een voorliefde blijft voor namen die makkelijk kunnen worden "verjoodst': Murat staat dichtbij Mordo, Selim bij Solomon, Izzet bij Ishak, Idil bij Ida. De achternamen, waarvan er vele nog direct aan het Spaanse verleden herinneren, worden natuurlijk niet zo gauw opgeofferd. En het percentage huwelijken met niet-joden is nog laag: negen.

Leyla Ipeker, echtgenote van een bekende joodse advocaat, vindt dat de assimilatie te ver is doorgeschreden. “Er is zoveel verloren gegaan.” Deze zomer begint zij op Büuyk Ada, één van de eilanden waar veel joodse families overzomeren, aan een project, "Wortels' geheten, waarbij zoveel mogelijk geïnteresseerden, jong en oud, bij elkaar komen om op te dissen wat men zich nog van vroeger herinnert. Op den duur moet dat ook een schriftelijke neerslag krijgen.

Ook volgens de jonge sociologe Riva Kastoryano is er bij de jongere generatie nieuwe belangstelling voor het eigen joods zijn. Men valt terug op oude gebruiken, het aansteken van kandelaars op vrijdagavond, en men stuurt de kinderen weer naar joodse clubs en scholen. Dit zou een reactie zijn op het opkomend fundamentalisme binnen de islam en op het - sinds kort weer opgeheven - regime waarbij ook de kinderen van de minderheden Koran-onderwijs op school moesten volgen.

Laatstgenoemde verplichting is één van de weinige dingen geweest waartegen het rabbinaat, evenals trouwens sommige christelijke kerkleidingen, zich heftig teweerstelde. Een andere protestsituatie deed zich voor toen enkele jaren geleden Halil Celik, de fundamentalistische burgemeester van Urfa in Zuidoost-Turkije, in een rede Hitler dankte voor alles wat hij tegen de joden had gedaan en zich bereid verklaarde, bloemen te leggen op zijn graf.

Antisemitisme komt in Turkije voornamelijk uit deze hoek. De opperrabbijn - sinds 1960 David Asseo - kwam met een openlijke verklaring, met de woorden: “Deze uitlating heeft de joodse gemeenschap, die hier 500 jaar in broederschap en begrip heeft gewoond, hevig pijn gedaan”. De burgemeester heeft later wel een tijd vastgezeten, maar dat was voor kritiek op Atatürk.

Voor de rest timmert het rabbinaat zo weinig mogelijk aan de weg, zeker niet uit solidariteit met Israel, hoewel daar 80.000 "Turkse joden' wonen en zo wat iedere jood in Turkije wel een familielid in dat land heeft. Toen Waldheim een bliksembezoek aan Turkije bracht, was er onder de joden wel veel aandrang om te protesteren, maar het is er niet van gekomen. Hetzelfde geldt voor bezoeken van Arafat.

"Low profile' is zovele jaren het wachtwoord geweest, dat het feest van volgend jaar een welkome gelegenheid biedt zich eindelijk eens nadrukkelijk te profileren - zij het dat alle joden best weten dat er onder de chocola nog wat anders zit.

Kaartje: Bijna vijf eeuwen lang wonen de Sefardische joden nu in Turkije, vrij en betrekkelijk ongemoeid: volgend jaar wordt dit op grootscheepse wijze gevierd. Onder Ferdinand de Wijze en zijn gade Isabella verlieten 200.000 Sefardische joden Spanje, van wie meer dan de helft het Ottomaanse Rijk bereikte. De toenmalige sultan Beyazid II moedigde hun vestiging op alle manieren aan. Onder de Jong-Turken begon de "verturksing', onder Atatürk voortgezet. In die tijd ook ontsnapte Turkije niet geheel aan het antisemitisme. Na de Tweede Wereldoorlog is het aantal joden in Turkije sterk teruggelopen: er zijn er nog 22.000 in Istanbul, in een stad als Edirne nog twintig.

Foto: Léon Brudo, één van de laatste joodse winkeliers in Balat. (Foto Frans Van Hasselt) Twee Turkse joden - links een arts - met elkaar in gesprek. De prent stamt uit de 16de eeuw. Joodse huizen in Ortaköy. Ze zijn inmiddels afgebroken.