De tuin als slagveld

Een van mijn oudtantes, een hartstochtelijk tuinierster, heeft eens een tuinvork dwars door haar voet in het bloembed gestoken, zichzelf aldus muurvast aan de grond nagelend.

Het gebeurde lang voor mijn geboorte en de geschiedenis vermeldt niet, en ik heb er nooit aan gedacht er naar te vragen, wat daarna precies gebeurde: hebben ze bijvoorbeeld de vork eruit getrokken voor ze naar het ziekenhuis werd gebracht, of ging ze met vork en al? Bij de gedachte alleen al lopen me de rillingen over de rug, maar de hele episode werd, tenminste door mijn grootmoeder, haar zuster, behandeld als een onbetaalbare familiegrap. ""Bloody silly thing to do'', blafte ze dan vrolijk, ""echt iets voor Do, zichzelf aan het bloembed te spietsen.''

Die benadering stemde overeen met de bescheiden plaats die deze oudtante in de familiehiërarchie innam: ze was klein van stuk, kinderloos en gescheiden van een man die niet deugde; de stigmata op haar voet hadden veel minder gewicht dan de hevige allergische reacties van haar zuster op bijensteken. Dat werd zeer ernstig opgevat en het mobiliseerde de hele familie: ""Oma, een bij!'' riepen we, hetgeen haar in galop het huis in zond.

Je mag hopen dat de andere 4999 mensen per jaar die hun voet aan een tuinvork rijgen - gezwegen van de 4000 die het met een bijl of spade proberen, en de 1500 die zichzelf te lijf gaan met de snoeischaar - met meer medeleven worden behandeld dan mijn oudtante. Deze gegevens komen uit de Observer van 21 juli jongstleden; Engelse verwondingen dus, evenals de 6000 tuiniers die vingers of tenen amputeren met een elektrische heggeschaar of grasmaaier, gewoonlijk wanneer er iets aan de machine hapert (iets als in de loop van een geweer kijken om te zien waarom het schot ketste), en het half dozijn kamikaze-vrijwilligers die het snoer in tweeën maaien en dan het onder stroom staande eind oppakken.

Er zijn geen cijfers over het aantal mensen dat zichzelf jaarlijks buiten westen mept door op een hark te trappen (misschien zijn ze te beschaamd om er voor uit te komen); daar staan de 1400 tegenover die verwondingen oplopen door "boomstronken en doornbossen', vermoedelijk door erover te struikelen of er in te vallen. Tuiniers vallen ook uit bomen, van ladders en in vijvers, ze buigen zich over een plantje of willen wat onkruid uittrekken en zien de tonkin-stokjes niet die er tussen staan (in Engeland kun je gekleurde dopjes kopen om op die bamboestaken te zetten; ze zijn gewoon van gekleurd rubber, maar realistisch nagebootste oogballen zouden misschien toepasselijker zijn), ze krijgen dorens onder hun nagels en gaan door hun rug als gevolg van te geestdriftig graafwerk. De tuin als slagveld, het grootste deel van het jaar, met een korte wapenstilstand in de winter. Hoewel je ook heel goed over boomstronken kunt struikelen als er sneeuw ligt.

Het artikel in de Observer schrijft deze schrikbarende zomerstatistiek met ijzeren logica toe aan het feit dat de mensen dan in de tuin zijn. Als ze maar binnen bleven zou hun veel ellende worden bespaard. Maar nee, de zon schijnt, de vogeltjes fluiten, het gras groeit en de tuinier voelt plotseling een onontkoombare impuls om te zien of hij die dode tak kan bereiken door de ladder op een stoel op de rand van de vijver te zetten.

Er zijn nog geen volwassenen in onze vijver gevallen, maar wel een paar kinderen; voor het overige zijn de ongelukken (voor de mensen tenminste, de planten zelf is weer een ander chapiter) tot dusver beperkt gebleven tot geschramde knieën en voetwonden door het gebroken glas dat regelmatig uit de diepten van het grind naar boven rijst.

Het gevaar in onze tuin komt op 't ogenblik vooral van boven. Onze oude pereboom wil even groot zijn als de beuk, met het gevolg dat grote hoeveelheden veelbelovend ooft ver boven onze hoofden buiten bereik van bezemstokken en harken hangt. Bij het minste zuchtje hoor je de harde klappen van die peervormige bommen, herinnerend aan de vliegende schapen van Monty Python: they do not so much fall as plummet. Een van deze steenharde vruchten heeft van een schuldeloze rozenstruik eronder een hele tak geamputeerd. Mijn ouders hadden in mijn jeugd een speciaal instrument, een soort kerkezakje aan een zeer lange stok, voor onbereikbare appels. Ik heb geprobeerd, zonder succes tot dusver, zoiets voor onszelf te kopen. Toen ik er deze zomer in een tuincentrum in Ierland naar informeerde, keek de verkoopster mij nostalgisch aan en zei: ""Ja, die had je vroeger, toen de mensen de vruchtbomen nog groot lieten worden.''

In een plaatselijke krant las ik over een man die per ongeluk met zijn bier een wesp inslikte; dit insect, in begrijpelijke razernij ontstoken, prikte hem een paar keer flink in zijn maagwand. Het is als het verhaal van mijn oudtante met de tuinvork: altijd dat gebrek aan essentiële details. Hij werd naar het ziekenhuis gebracht, maar wat toen? En kan het waar zijn? Iedereen heeft wel een wespenverhaal: mijn broer deed eens een broek aan waar twee wespen in zaten, en een vriendin een trui waar een heel nest in verborgen was. Er zijn waardiger manieren om jezelf te pijnigen: op je bek gaan over een boomstronk, met een bijl in je voet hakken, een schedelbasisfractuur oplopen door vallend fruit of brullend een gevecht aangaan met iets dat in je broek zit wekt meer hilariteit op dan medelijden, alsof het door de Natuur geschreven scenario's van stomme films waren.

Een ander grapje van de Natuur is allergieën voor planten, die zich na een leven van tuinieren plotseling kunnen manifesteren. De ene dag een normale en intacte tuinier, de volgende dag een gevlekt wrak dat zich zit te krabben. Soms is het mogelijk dank zij een proces van eliminatie de verantwoordelijke plant te achterhalen - zoals met voedselallergie: ze beginnen met je alleen broccoli te geven, waar nog nooit iemand allergisch voor is bevonden, en dan voegen ze een voor een nieuwe gerechten toe; iets dergelijks kan ook in de tuin, hoewel het esthetisch misschien te wensen overlaat - en uit je omgeving te verwijderen. Anders ben je veroordeeld tot een leven met ten minste handschoenen, zo niet een beschermend ruimtepak. Primula, berenklauw, wolfsmelk: allemaal hurken ze daar beneden in de bloembedden, klaar om je te bespringen, vooral als het mooi weer is; zonneschijn maakt het namelijk veel erger. (En ga nooit met je kind naar een ziekenhuis in Engeland als het een allergische reactie heeft: zo is de tijdgeest dat je daar meteen verdacht bent. Een klein meisje van vier met zwellingen op haar huid werd van de ouders afgezonderd en stond al op het punt weggehaald te worden door de kinderbescherming, toen bleek dat de striemen veroorzaakt waren door een proppeschieter, op een zonnige dag gemaakt van fluitekruidstengel - een spelletje daterend uit vervlogen tijden van landelijke onschuld.)

De Engelse Good Gardener's Association heeft, zoals men op grond van haar naam mag verwachten, het antwoord: organisch tuinieren. Geen gevaarlijke onkruidverdelgers, niet spitten, zelfs niet wieden. En geen grasveld natuurlijk, maar zo is de tuin veel veiliger. Wespen en vallende peren blijven een probleem en wees op je hoede, als je tussen de broccolibedden loopt, voor verborgen harken.