De schoonheid van zwak oplichtend damast

Ter gelegenheid van zijn afscheid mocht textiel-conservator van het Rijksmuseum Amsterdam C.A. Burgers een expositie inrichten. Hij koos voor de eeuwenoude, vrijwel onaangetaste textielschat van de erven van kasteel Twickel en kasteel Weldam.

"Keuze uit de schenking van textiel uit Twickel en Weldam' t-m 15 okt in het Rijksmuseum, Stadhouderskade 42, Amsterdam. Di-za 10-17u, zo 13-17u.

C.A. Burgers (1930) nam afgelopen zomer afscheid als conservator van de textielafdeling in het Rijksmuseum. Vijfentwintig jaar wijdde de vroegere textielfabrikant uit Vught aan het beheer van zijde en damast, aan expertises van tafelgoed en wandtapijten, en aan het exposeren van zeventiende-eeuws tafelgoed en kant. Vijfentwintig jaar spande hij zich in om de ongeveer elfduizend stukken omvattende textielcollectie van het Rijksmuseum te inventariseren en toegankelijk te maken. Burgers zat ook als vice-president in het bestuur van het "Centre International d"Etude des Textiles Anciens'. Tussen 1973 en 1978 was hij in opdracht van de toenmalige keizerin Farah Diba belast met de reorganisatie en ontwikkeling van musea in Iran. Hij publiceerde tientallen artikelen over oude weefsels, en maakte in zijn vrije tijd een studie van kleine keramische bedrijven in de vorige eeuw in Maastricht.

Voor de bescheiden expositie die Burgers bij zijn afscheid mocht inrichten, is een keuze gemaakt uit de schenkingen die de erven van Twickel en Weldam in 1980 aan het Rijksmuseum deden. Tijdens een maandenlange inventarisatie op de twee landgoederen vond Burgers een enorme hoeveelheid gedateerd pellen beddegoed, damasten servetten met ingewikkelde, barokke bloempatronen, en een aantal uiterst kostbare spreien - waarvan sommige nog nooit gebruikt waren. De textielschat van meer dan vijf generaties graven van Wassenaer-Obdam was een van de belangrijkste aanwinsten die het museum ooit kreeg.

Burgers: “In de hal van Twickel, in loodzware kisten die een eeuw vergrendeld waren geweest, vond ik destijds die drie spreien. Ik logeerde op het kasteel en ik deed werkelijk geen oog dicht die nacht. Het was een vondst waar de vakwereld versteld van stond. Eerst de Voorindische sits uit de zeventiende eeuw, die in ongeschonden staat verkeerde. De katoen was op steeds wisselende plaatsen met was afgedekt en in verfbaden gedompeld. Dat is een langdurig en kostbaar procédé, waarin de stof met verscheidene kleuren versierd wordt. De bloemmotieven waren heel kunstig met een eendradig penseeltje in goud gehoogd. In de volgende kist vond ik een geel zijden sprei, waar met zijdedraad pauwen, vlinders en granaatappels - de Chinese symbolen voor huwelijk en geluk - op waren geborduurd. En alsof dat nog niet genoeg was, bevatte de kist een in verschillende kleuren getamboureerde, Indo-Perzische sprei uit de eerste helft van de achttiende eeuw.”

De drie spreien zijn in één ruimte tentoongesteld, maar om de andere twee tentoonstellingszaaltjes met textiel te vinden moet de bezoeker een eindeloze zoektocht dwars door het museum maken.

Textiel wordt in musea nog vaak als iets onbelangrijks gezien. Ten onrechte zeggen ingewijden en textielliefhebbers als Burgers. Terecht, menen conservatoren van andere afdelingen binnen het museum en het merendeel van het publiek. Slechts een enkeling loopt warm voor textiel, dat geen "huiswaarde' heeft en niet ter opluistering aan de muur kan worden gehangen, of op de schoorsteenmantel kan pronken. Is de schoonheid van zwak oplichtende patronen in damast alleen aan een select publiek van deskundigen voorbehouden?

Burgers: “Het is inderdaad waar dat textiel zich niet leent voor langdurige exposities. Oude weefsels zijn wat kwetsbaarheid betreft te vergelijken met oude prenten en tekeningen en kunnen niet permanent of vaak tentoongesteld worden. In zijde dat te lang aan licht is blootgesteld, bij voorbeeld, vallen gemakkelijk gaten. Ook tast licht de kleuren op het weefsel aan. Textiel moet vlak bewaard worden. Niet opgevouwen, want dan slijten de naden, en niet opgehangen, want dan knappen de draden en treedt er slijtage op bij de plooien. Toch ontkom je er bij een expositie niet aan om spullen op te hangen. Op een oude Indische sprei bij voorbeeld, die nu ten toon is gesteld, valt anders niet te zien hoe fraai de voorstelling - pauwen en zwarte vogels in een bamboebos - is aangebracht.”

Niettemin, hoe zorgvuldig er in museumdepots ook met oud textiel wordt omgesprongen, hoe ideaal de conserveringsomstandigheden er ook zijn, het proces van verval is onafwendbaar. Zijde vervalt als eerste, gevolgd door wol en katoen. Een bittere wetenschap voor iemand die op zijn 25ste een hartstochtelijke liefde voor oude weefsels opvatte. Burgers:“Helaas kun je dit einde alleen maar uitstellen. In de loop der jaren raak je vergroeid met dat idee. En de collectie wordt er alleen maar dierbaarder door. Dat maakt het afscheid niet makkelijk.”

Foto: C.A. Burgers voor een Chinese sprei met dubbelkoppige pauwen uit de tweede helft van de achttiende eeuw. (foto NRC Handelsblad-Maurice Boyer)