De nagels van een volleyballer blijven altijd zwak

BERLIJN, 14 SEPT. Wie naar volleybal kijkt ziet vooral handen. Handen boven het net in gevecht om de bal, handen van blije teamgenoten die elkaar aantikken en seinende handen achter de rug van de spelverdeler. Maar als Ron Zwerver, Nederlands bekendste speler, wordt gevraagd wat hij als volleyballer de belangrijkste lichaamsdelen vindt noemt hij niet zijn handen. Hij wijst naar zijn benen en voeten. “Want die moeten de echte klappen opvangen.”

De handen krijgen zeker niet die aandacht van de volleyballers die ze misschien wel verdienen. Er komen geen manicures aan te pas, ook geen speciale zalfjes of poeders. “Ik knijp voor een training of wedstrijd soms wel een beetje in mijn handen, dat is alles”, zegt Zwerver. “Die dingen zijn al zo goed ontwikkeld. Je gebruikt ze de hele dag, je doet 's ochtends de deur ermee open, stuurt de auto ermee en zo gaat het de hele dag door. Maar het is juist niet normaal dat je in een paar uur 150 keer op je voeten landt.” De Nederlandse internationals zijn zelfs verbaasd als er naar hun handen wordt geïnformeerd. “Handen? Wat moet je dáár nou over weten?” Toch kunnen de volleyballers alleen maar punten met hun handen scoren.

Ze hebben in hun carrière allemaal weleens wat aan hun handen gehad. Maar daar doen de volleyballers van Oranje laconiek over. Het stelt, zo zeggen ze, niets voor. “Kijk”, roept Marko Klok lachend en laat een pink zien met een flinke verdikking, “een cadeautje van Ron Zwerver, een jaar of acht geleden bij de districtskampioenschappen. Ik speelde toen nog bij VVM, hij bij Martinus.” Teamarts Ron du Bois stelt vast dat met een blessure aan de hand snel verder te spelen valt. “Het vingergewricht valt goed te tapen, desnoods aan een andere vinger vast. Alleen met de duim ligt dat problematischer. Ik heb weleens een speler meegemaakt die tijdens een wedstrijd een ontwrichte vinger opliep. Die werd even teruggezet, tape er omheen en hup verder spelen.”

Alleen met een breuk aan de hand is een speler volgens Du Bois zo'n drie weken uitgeschakeld. Maar een dergelijke blessure heeft hij in zijn drieëneenhalf jaar bij de nationale ploeg nog niet meegemaakt. “Dat komt omdat ze op dit niveau een bijna perfecte handentechniek hebben. Ze weten precies hoe ze hun handen moeten houden.” Toch werd een speler van Nederlands opponent in de halve finale van vanmiddag, Sovjet-Unie, Yuri Cherednik, vlak voor het Europees kampioenschap getroffen door een zware blessure aan zijn hand nadat hij in een oefenwedstrijd door een keiharde smash was getroffen. Zijn duim brak aan de onderkant en het vel sprong finaal open. “Daar is hij wel even zoet mee”, constateert dokter Du Bois. Klok had ooit een soortgelijk kwetsuur. “Je zag zo de pezen en botjes liggen.” Maar een dergelijke blessure wordt door de deskundigen “een vervelende samenloop van omstandigheden” genoemd.

Sommige volleyballers tapen hun handen voor de wedstrijd in. De één doet alleen het bovenste deel van de vingers, de ander de hele vinger. Het is meestal als bescherming tegen kloven bedoeld, de meest voorkomende blessure bij huisvrouwen. De spelers die tapen zijn veruit in de minderheid. Bij het Nederlandse team gebruikt alleen Ron Boudrie, de record-international, veelvuldig de bandage, voor zes vingers, drie aan elke hand. De middelvinger van zijn linkerhand werd eens getroffen door een figuurzaag en de rechter door een cirkelzaag. “Die nagels blijven altijd zwak.” Vandaar die bescherming. Bij twee andere vingers springt vaak het vlees onder de nagel los. “En die laatste twee tape ik gewoon voor de gein mee.” Hij doet dat zelf. “Kost me misschien vijf minuten, drie zelfs.”

Pijn, stelt Boudrie, heeft hij nooit bij het blokkeren van die met volle kracht geslagen ballen door de vijandelijke reuzen van aanvallers. “Daar verbazen mensen zich inderdaad vaak over.” Hij vergelijkt het met de situatie van een bouwvakker. “Die krijgt door al dat werk keiharde handen. Dat is bij ons ook zo. Iemand die niet of bijna niet volleybalt heeft na een wedstrijdje rode polsen en pijn aan z'n handen. Die is het niet gewend.”

Boudrie, zoon van een horlogemaker, is een handige doe-het-zelver. Hij timmerde en knutselde heel wat af in zijn leven. Boudrie bouwde zelfs een huis en zaagde in zijn eigen bedrijfje in Amsterdam vele meters plexiglas op maat. “Dat materiaal is niet makkelijk te zagen, is best gevaarlijk, ja.” Achteraf stelt hij dat het als volleyballer misschien niet erg bevorderlijk was om dergelijke klussen op te knappen. Tegenwoordig doet hij het ook niet meer. Maar dat heeft, aldus Boudrie, er niets mee te maken dat hij nu misschien voorzichtiger met zijn handen wil zijn. “Als iemand mij vraagt of ik iets voor hem wil cirkelzagen doe ik dat zo, geen probleem”, zegt de volleyballer. “Maar ik denk dat je een pianist bijvoorbeeld niet zo gek zou krijgen.”

Van een aparte verzekering voor hun handen hebben de volleyballers van het Nederlands team nog nooit gehoord. Ze zouden dat eigenlijk ook wel een beetje onzin vinden. Piet Steenaard, zaakwaarnemer van de meeste internationals, is inmiddels wel druk doende met deze materie. Hij heeft Ron Zwerver inmiddels al speciaal bij Lloyd's in Londen laten verzekeren. De andere spelers moeten binnenkort volgen. “De volleyballers zijn in dienst van de bond en vallen onder de gewone ziektewet”, vertelt Steenaard. “Als een speler door een ongeval een kootje van één zijn vingers moet missen krijgt hij volgens de geldende regels misschien duizend gulden. Maar als volleyballer is hij voorgoed uitgeschakeld. Daarom is zo'n aparte sportverzekering een uitkomst. Je verzekert het hele lichaam, maar de handen behoren natuurlijk tot de belangrijkste delen van een volleyballer.”

Handen in het volleybal zijn niet alleen om ballen te slaan en te blokkeren. Ze worden door de spelers ook heel intensief gebruikt om elkaar te feliciteren of op te peppen. Na elk punt zoeken de handen van de zes teamgenoten in het veld elkaar op. Niet-volleyballers vinden dat weleens raar of overdreven. Marko Klok werd weleens voor “een mietje” uitgemaakt. “Maar voetballers kruipen na een doelpunt op elkaar.” Ron Boudrie stelt dat mensen die commentaar op het handjeklap hebben niets van volleybal begrijpen. “Het teamaspect in deze sport is zo groot. Dat is de zevende man. En we móeten elkaar gewoon voelen. Dat geeft een band.” “Je creëert een bepaald sfeertje”, zegt Ron Zwerver. “We gaan het maken en we doen het voor elkaar. Paf, die handen tegen elkaar, begrijp je.”

En dan zijn er natuurlijk nog die hele speciale handjes van de spelverdelers. Die zijn te vergelijken met die van de brandkastkraker, de chirurg en de pianist. Elk bal gaat via de fluwelen handen van de spelverdeler. Hij zorgt ervoor dat de ballen op de millimeter nauwkeurig bij de aanvallers terechtkomen. Hij is de spil van het team. Hij bepaalt de te volgen strategie. Achter zijn rug geeft de spelverdeler vlak voor elke service van de tegenpartij met één van zijn handen aan welke aanvalscombinatie hij in gedachte heeft. Hij steekt vingers naar beneden en maakt, in sommige gevallen, nog andere bewegingen met de hand. Dat zijn allemaal bekende seinen voor zijn vijf ploeggenoten.

Elk team heeft zijn eigen tekens. “Je moet”, zegt de Nederlandse bondscoach Brokking, “het de tegenstander niet te makkelijk maken.” Zijn spelververdeler Avital Selinger kan met een hand zo'n dertig verschillende spelsystemen aangeven. Het is makkelijker om het cijfer van het gewenste patroon gewoon verbaal aan de teamgenoten door te geven. “Maar meestal is het te rumoerig in de zaal en dan moet Avi zijn handen gebruiken”, aldus Zwerver. Nieuwe spelers in de selectie krijgen een stencil met daarop de diverse patronen als huiswerk mee naar huis. Het is namelijk van groot belang het handenspel van de spelverdeler snel te begrijpen. Wéér die handen!