De lotgevallen van Poncke Princen, deel 1; Deserteur in Indië

In september 1948 liep de Nederlandse soldaat Poncke Princen over naar het TNI. Een deel van de Nederlandse pers beschuldigde hem - en beschuldigt hem nog steeds - van landsverraderlijk optreden. Nog deze zomer herhaalde De Telegraaf de aantijging dat Princen ""in Nederlands uniform volgens ooggetuigen minstens dertig dienstplichtigen in dodelijke hinderlagen lokte''. Wat was de rol van Princen, wat heeft hij wel, wat heeft hij niet gedaan? De volgende driedelige reconstructie berust op tientallen gesprekken met Princen en met diverse direct betrokkenen in Indonesië en Nederland. Bovendien is, in het tweede en derde deel, gebruik gemaakt van - officieel nog geheime - documenten uit Haagse archieven, waaronder die van de Centrale Militaire Inlichtingen Dienst (CMID) en de Sectie Inlichtingen van het Hoofdkwartier KNIL-KL in Bandung. Deel één: tijdens de Lange Mars werd het Princen duidelijk aan welke kant hij stond.

Op 6 oktober 1948 schreef de commandant van het 1ste bataljon 3de compagnie van het Korps Militaire Politie KNIL-KL te Purwakarta een brief bestemd voor alle krijgsmachtonderdelen.

""Verzoeke opsporing, aanhouding en voorgeleiding van: PRINSEN, J., soldaat, legernummer 251121085, ingedeeld bij Staf-Compagnie 2de Inf. Brig. Groep te Poerwakarta. PRINSEN is op Zaterdag 25 September 1948 met verlof vertrokken naar Soekaboemi; op Maandag 27 September 1948 zou hij naar Tjimahi gaan, teneinde vandaar naar zijn onderdeel te worden vervoerd; hij werd daar evenwel niet aangetroffen en is tot op heden niet bij zijn onderdeel teruggekeerd.''

Hij heeft dat nooit meer gedaan. Wel is zijn naam nadien nog vele malen in - vaak geheime - militaire stukken opgedoken, inmiddels correct gespeld als Princen.

Johannes Cornelis Princen, geboren op 21 november 1925 boven de sigarenwinkel op de hoek van de Van Dijckstraat en de Hobbemastraat in Den Haag, was overgelopen naar het Tentara Nasional Indonesia (TNI). Hij was verreweg de bekendste van de 26 Nederlandse soldaten die dat deden. Aan de "andere kant' nam hij deel aan diverse gewapende acties. Het kwam hem op de haat van vele voormalige landgenoten te staan. Er werd een prijs van ƒ 50.000 op zijn hoofd gezet en generaal-majoor A. Engles, territoriaal troepencommandant voor West-Java, gaf opdracht tot de "Actie Finale' met als doel Princen dood of levend in handen te krijgen. De actie, vlak voor het staakt-het-vuren van 10-11 augustus 1949, mislukte, maar Princen verloor er twaalf manschappen en zijn jonge Soendanese vrouw.

Direct na de soevereiniteitsoverdracht werd Princen Indonesisch staatsburger, maar een meeloper is hij nooit geworden. Hij bleef zich verzetten tegen wat hij als onrecht zag en werd daarom zowel onder Soekarno als Soeharto herhaaldelijk voor lange duur in de gevangenis geworpen. Tegenwoordig is hij directeur van het Instituut voor de Verdediging van de Mensenrechten in Jakarta.

"Pastoor Poncke'

Jan Princen wilde aanvankelijk priester worden. In de eerste oorlogsjaren bezocht hij het klein seminarie in Weert, maar in 1943 kreeg hij daar genoeg van. Na een korte periode op een kantoor in Den Haag besloot hij via België naar Engeland te vluchten om tegen de Duitsers te vechten. Vlak over de grens werd hij gepakt. Hij werd tot anderhalf jaar veroordeeld, die hij in diverse Duitse gevangenissen doorbracht. Zijn celgenoten las hij voor uit het boek "Pastoor Poncke' van J.H. Eekhout, wat hem de bijnaam Poncke opleverde.

In mei 1946 werd hij ingelijfd bij de geneeskundige troepen in Ede. Hij vreesde echter te worden uitgezonden naar Indonesië en droste al na twee maanden. In Zuid-Frankrijk leidde hij een onbezorgd leven als druivenplukker, liedjeszanger en aankomend dichter. Maar toen zijn moeder ernstig ziek werd en hij in het geheim naar Nederland probeerde terug te keren, werd hij aan de grens gearresteerd. Hij werd overgebracht naar het "Depot Nazending Indië' in Schoonhoven.

In die dagen werden verscheidene deserteurs tot zware straffen veroordeeld. Toen de chefstaf, luitenant-generaal H.J. Kruls, in een radiotoespraak straffeloosheid aanbood aan hen, die alsnog bereid waren naar Indië te gaan, ging Poncke Princen daarop in. Op 28 december 1946 vertrok hij met de Sloterdijk uit Rotterdam; op 24 januari 1947 kwam hij aan in de haven van Tandjong Priok. Hij werd ingedeeld bij de Eerste Hulpverbandplaats Afdeling van de Zeven December Divisie en nam in juli 1947 deel aan de eerste politionele actie tegen de Republiek (in Indonesië "eerste agressie' genaamd), die zijn onderdeel in Sukabumi bracht. Maar hij toonde zich een ongezeglijk soldaat, die wegens ondisciplinair gedrag meermalen streng arrest kreeg. Daarom liet de legerleiding hem alsnog voor zijn desertie berechten. Op 22 oktober 1947 veroordeelde de krijgsraad te velde in Sukabumi hem tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan acht voorwaardelijk, wegens ""desertie, waarbij de schuldige zich naar het buitenland verwijdert, gepleegd in tijd van oorlog''.

Op 19 februari 1948 was hij weer vrij. Hij werd overgeplaatst naar de fourage-afdeling van de tweede infanterie-brigade in Purwakarta. Daar begon een nieuw leven. Voor het eerst kwam hij intensief in contact met jonge Indonesische intellectuelen en nationalisten. Het zou zijn kijk op het koloniale conflict met de Republiek drastisch beïnvloeden.

Ogen geopend

Poncke Princen nu: ""Via mensen in Purwakarta kreeg ik het blad Gema Suasana (Echo der Tijden) in handen. Daarin las ik dat daar een zekere meneer Dolf Spoor bij zat. Hij had als eerste de gedichten van Chairil Anwar heel mooi in het Nederlands vertaald. Ik ben toen naar Djakarta gegaan en heb hem opgezocht. Via hem heb ik allerlei dichters en schrijvers ontmoet: Chairil Anwar, Bachrum Rankuti, Mohammed Balfas, Mochtar Lubis, H.B. Yasin. Ik las erg veel in die tijd, Sartre en Camus en zo, en daar heb ik met hen over gesproken: dat je je leven uiteindelijk zelf moet maken, want je hebt de omstandigheden zelf in de hand, dat soort dingen. Geleidelijk hebben zij mij de ogen geopend voor hun zaak. Zo ben ik tot de opvatting gekomen dat, als de andere kant gelijk had, ik ook aan de andere kant moest zitten.

""Op het tijdstip dat mijn besluit al min of meer vaststond, gingen we met een paar mensen voor enkele dagen naar Sukabumi. Daar was een zwembadje waar we wat zwommen en in de zon lagen. We maakten er de afspraak dat ik op eigen houtje terug zou gaan. Tijdens dat weekend heb ik mijn keus bepaald: of naar Djakarta en dan zet ik het door, of naar mijn onderdeel terug en dan stel ik het nog even uit. Dat ging heel eigenaardig eigenlijk. Ik gooide een lucifersdoosje op: als geel bovenkomt, ga ik naar Djakarta en als het blauw is naar mijn onderdeel. Het werd geel.

""In Djakarta ben ik naar Sri Murtioso Tasan gegaan. Zij was de secretaresse geweest van Sutan Sjahrir (premier van de Republiek van november 1945 tot juni 1947 - WH), en werkte bij de American Information Service. Ik had helemaal geen geld en zij heeft me toen geholpen, ik meen met 25 gulden. Daarmee ben ik naar Semarang gegaan, gewoon met de trein. Daar heb ik een week gezeten bij vriendinnen van Sri, zij gaven me de route die ik moest volgen om aan de andere kant te komen.

""Ik moest zonder kaart en zonder kennis van het Javaans naar een kampung in de buurt van Demak, vlakbij de demarcatielijn (tussen door Nederland bezet en Republikeins gebied - WH). Ze hadden me verteld, dat de lurah (het dorpshoofd) er aan de kant van de Republiek stond. Met een deleman (paardenkoetsje) ben ik daarheen gegaan. Maar de lurah was er niet. Zijn zoon, een jongen van een jaar of vijftien, heeft me toen over de demarcatielijn gebracht.

""Zo kwamen we bij een post van het TNI, allemaal jongens in halve uniformen met rode halsdoeken. Ik heb het geval uitgelegd aan een officier die Nederlands sprak. Hij zei: ga maar mee. Samen zijn we toen in een uur of drie naar Kudus gelopen. Daar was het een hele drukte, met veel militairen. Ik kreeg zoete thee, dat was verkwikkend. De hele nacht ben ik verhoord, want ze vertrouwden me natuurlijk niet. De volgende dag werd ik naar het residentshuis in Pati gebracht. Het was net Hari Angkatan Perang (Legerdag), 4 oktober, en ik kwam terecht bij een groepje officieren die daar zaten te eten. Het waren mensen van de Polisi Militer. We raakten in gesprek. Ze bleken daar ook gevangen te zitten, ze waren opgepakt tijdens de opstand in Madiun tegen Soekarno- Hatta. Ik zat dus gevangen bij communistische troepen!

""Ik heb er een week gezeten, voortdurend reden er treinen voorbij waar schreeuwende communisten op zaten met rode halsdoeken om. Ze keken verschrikkelijk vuil naar mij. Op een dag hebben ze me opgesloten in een karbouwenkooi, ze stonden er met een hele troep jouwend en schreeuwend omheen. Net toen ik dacht dat ze me zouden vermoorden, namen een paar militairen mij mee naar het huis van overste Sudiarto, de commandant van die rode troepen. Die bood me zijn verontschuldigingen aan. Ik heb mijn troepen niet onder controle, zei hij. Hij bleek nog sergeant geweest te zijn bij het KNIL.

""Daar hoorde ik dat de Siliwangi-divisie, uit West-Java, al dicht in de buurt zat. Op 12 oktober midden in de nacht is Pati toen bevrijd door het bataljon Kala Hitam (Zwarte Schorpioen) van de Siliwangi. Die lui van de Polisi Militer deden mee, ze hebben bij verrassing die rode officieren, die sliepen in het hotel Merdeka, ontwapend. De volgende ochtend in alle vroegte werd ik daar ook naar toe gebracht, naar de commandant van de Kala Hitam. Hij begon een heel genoeglijk gesprek. In het Nederlands, hij had nog op de HBS in Utrecht gezeten.''

Renville

Die commandant was majoor Kemal Idris, tegenwoordig luitenant-generaal buiten dienst en zakenman in Djakarta. De Westjavaanse Siliwangi-divisie was in het kader van het troepenscheidingsakkoord van de Renville-overeenkomst overgebracht naar Midden-Java. Zij nam daar in september en oktober 1948 deel aan het oprollen van de troepen die zich hadden aangesloten bij de pro-communistische opstand van Madiun tegen de regering-Soekarno-Hatta.

Kemal Idris: ""In september kreeg de Kala Hitam opdracht uit Solo naar het noorden op te trekken, samen met het bataljon Suria Kentjana (Gouden Zon) van majoor Kosasih. We hoorden allebei tot de eerste brigade van de Siliwangi, onder overste Koesno. Na een paar weken waren we tot de kuststreek gevorderd. Kosasih nam Kudus in en ik Pati. Ik ging direct naar de gevangenis, want ik hoorde dat daar een compagnie MP gevangen zat. Ik kende de commandant die later nog adjudant van Soekarno geweest is: Sabur. De PKI wilde ze doden, maar had geen tijd meer. Zo ontmoette ik ook Princen. Ik zei: "Wat doe jij hier?' Hij zei: "Ik was met verlof in Semarang en heb de gelegenheid gebruikt om over de grens te gaan. Ik ben het niet eens met de Nederlandse politiek. Wat zij tegen jullie doen, is hetzelfde als wat de Duitsers tegen ons deden!' That made sense. Toen heb ik hem naar Solo gestuurd om verder te worden verhoord.''

Jenever

Per auto en met de trein werd Princen naar Solo gebracht, waar hij terecht kwam bij kolonel Gatot Subroto, militair gouverneur van Midden-Java.

Princen: ""Gatot bood mij meteen een borrel aan. Ik had bij wijze van spreken nog nooit jenever gedronken, maar ik toonde dat ik een echte Hollander was en ik heb het met kleine teugjes naar binnen gewerkt. Opnieuw heb ik mijn verhaal verteld en Gatot zei: "Nou jongen, blijft voorlopig maar hier. Ga vanavond Solo maar eens bekijken.' Met een aantal officieren ben ik Solo ingegaan, eten bij de stalletjes en zo. Maar de tijd in Solo bestond vooral uit wachten. Ik ben toen in mijn eentje, zonder begeleiding, naar Djokja gegaan, de hoofdstad van de Republiek. Daar heb ik mij gemeld bij Joost Mokonginta, het hoofd van de Militaire Politie. Hij was heel vriendelijk, maar hij zei: "We moeten je toch vasthouden.' Zo werd ik naar de gevangenis gebracht. Ik kwam er in één cel met Singgih, de broer van de vrouw van Kemal Idris.

""Ik zat daar tot 19 december, het begin van de tweede politionele actie. Toen hoorden we midden in de nacht bommenwerpers, schieten en lawaai: de Nederlanders hadden Djokja aangevallen. Singgih en ik zijn toen dwars door de stad naar het huis van Kemal Idris gebracht. Daar ontmoette ik zijn moeder, zijn vrouw, zijn broers en de broers van Singgih. Kemal zei: "De Hollanders zijn al op Malioboro (de hoofdstraat van Djokja), dus als je terug wilt, dan ga je maar.' Dus ik dacht: ik ben veroordeeld met een proeftijd, en ik antwoordde: "Ik heb A gezegd, dus moet ik ook B zeggen en misschien wel het hele alfabet vol.' "Nou', zei Kemal, "we gaan naar West-Java terug, als je denkt dat je mee kan gaan, ga je gang.' En zo heb ik de beroemde Lange Mars meegemaakt.''

Wehrkreise

Tijdens de Lange Mars trokken 35.000 militairen van de Siliwangi-divisie te voet van Djokjakarta terug naar West-Java, een afstand die per bataljon varieerde van zo'n 400 tot 800 kilometer. Het was een onderdeel van de strategie ontworpen door kolonel Abdul Haris Nasution, TNI-bevelhebber van Java. Tijdens de eerste politionele actie had hij een plan ontworpen waarbij Java werd verdeeld in zogenaamde Wehrkreise (een term van Clausewitz). In die Wehrkreise zouden mobiele guerrilla-eenheden hit-and-run-aanvallen doen op Nederlandse troepen en doelen; ze zouden worden gesteund door territoriale eenheden, uit de plaatselijke bevolking gerekruteerd, die voor inlichtingen en bevoorrading moesten zorgen.

Generaal b.d. dr. A.H. Nasution, nu ambteloos burger in Jakarta: ""In die tijd had ik altijd twee boeken in mijn ransel. Het ene was "Red Army', over de Russische partizanen, het andere was van generaal Wingate, over de strijd in Burma. Hij opereerde achter de Japanse linies, dat is min of meer hetzelfde als wat het TNI deed. Maar het verschil is dat Wingate een basis had in India, van waaruit hij uit de lucht bevoorraad kon worden. Die hadden wij niet. Onze basis was de kampung-bevolking. Wingate had nog een moeder-leger, kun je zeggen. Bij ons is het volk de moeder en het leger de zoon.

""Tijdens de eerste actie was ik commandant van de Siliwangi op West-Java. Maar ik kon geen weerstand bieden. De Hollanders kwamen uit Bandung in het westen en uit Tjirebon in het oosten, en daar zat ik tussenin. Ik heb een week met mijn adjudant door de velden gelopen. Toen zei ik tegen hem: "Kijk op de kaart. Je ziet allemaal rode pijlen voor die Hollandse troepen, en bijna geen blauwe voor ons. Maar we lopen hier al een week en we hebben nog geen Belanda gezien!' Toen ben ik op dat idee van die Wehrkreise gekomen. Ik heb toen bepaald: het volk kan met zijn rijst en het beetje geld dat het heeft, makkelijk zestig militairen onderhouden. Die moeten dan, als er een Hollandse patrouille komt, het gebied ontruimen en als de patrouille weg is, komen zij terug. En zo gaan wij geleidelijk heel West-Java opvullen met deze pockets. Ik was druk bezig met deze operatie, maar toen kwam de Renville-overeenkomst: de Siliwangi wordt naar Djokja gehaald. Het is net of je aan een lekker maal zit en dan komt iemand zeggen: stop met dat eten! Hahaha, zo'n geval. Eerst dacht ik nog: ik blijf. Maar ik ben toch gegaan.

""Direct na de Nederlandse aanval op Djokja heb ik een dagorder verspreid: voor heel Java is een militair bestuur opgezet, alle bevelhebers worden militaire gouverneurs. Elk bataljon kreeg een eigen gebied toegewezen, dat was allemaal al op kaart gezet. Dat Wingate-plan werd toen dus door de Siliwangi uitgevoerd: terug naar West-Java.''

Regentijd

Voor het Kala Hitam-bataljon betekende het Wingateplan dat het terugmoest naar het gebied Tjiandjur-Sukabumi. Kemal Idris: ""Om acht uur 's ochtends kregen we het codewoord van de Siliwangi: Selamat Jalan! (Goede Reis!) Ik vertrok toen de Hollanders het huis van (opperbevelhebber) generaal Sudirman hadden bezet, dat was om vier uur 's middags. We hebben de gevangenis opengezet en alle politieke gevangenen eruit gehaald. Ook Princen. Hij kreeg de keus: met ons mee of blijven. Hij wilde graag mee. Onze route liep ten zuiden van de Borobudur richting Bandjarnegara, daar moesten we de Seraju over. Het was regentijd en de rivier bandjirde, we konden er niet doorheen. Er was een hangbrug, maar daar waren de planken afgehaald. Het volk heeft ze er weer voor ons opgelegd, met enige afstand ertussen. Het gebeurde allemaal in de avonduren. Ik was erg bang, want ik heb hoogtevrees. Eén van ons is er afgevallen, ik heb hem nooit meer teruggezien.

""Bij Tjibingbin zijn we de grens met West-Java overgestoken. Ik wilde eigenlijk verder trekken in zuidelijke richting naar Tjikidjing, maar dat ging niet omdat de Darul Islam daar actief was. Dus moesten we naar het noorden, de Tjimanuk-rivier over. Door de hoge waterstand duurde dat twee, drie dagen. Als de Hollanders ons toen ontdekt hadden, waren we weg geweest.

""Onderweg hebben we op verscheidene plaatsen gevochten. Princen moest meevechten, want hij ging mee met een combattante eenheid. We gingen bergpaadje op en af, het regende voortdurend en het was spekglad. Om de haverklap donderde hij! Ik heb nog nooit iemand zo horen vloeken. Ik zei: "Man, je wilde priester worden en nu vloek je God uit!' Later leerde hij op glad terrein lopen. En hij leerde durian eten, die stinkvrucht, en rijst met heel weinig bijgerechten. Heel merkwaardig: het hele bataljon was verzot op zoet. Vooral die gula merah (rode palmsuiker) die je overal kon vinden in de kampungs.''

Generaal Nasution: ""De Indonesiërs houden van de arènboom, dat is een palmboom waarvan het sap erg zoet is, je maakt er suiker van. Die arènboom, daarvan vang je 's ochtends met een bamboekoker die druppels op, erg lekker. Dat is altijd erg in trek bij die marcherende jongens. Als je dat ziet, wah! Soms vechten de jongens onder elkaar over wie die bamboe krijgt. Maar je hebt ook van die vervelende jongens. Die pissen in die bamboepijp en wandelen dan verder. Dan komt er weer zo'n dorstige troep voorbij: oh lekker, drinken ja! Hahaha. Zulke grappen had je ook. Dat is mij later wel gerapporteerd door mijn officieren.''

Identificatie

Tijdens de Lange Mars werd het Poncke Princen duidelijk dat hij wilde meevechten voor de zaak die hij inmiddels als de enig juiste was gaan zien. Princen: ""Eerst heb ik nog overwogen om mijn diensten als non-combattant aan te bieden, maar door die Lange Mars heb ik echt het idee gekregen dat ik behoorde tot de kant waarop geschoten werd. Daardoor ben ik me met die jongens gaan identificeren. Ik begon als vanzelf deel te nemen aan de besprekingen over wat we zouden gaan doen, over het al of niet inzetten van een aanval en dergelijke. Kemal had zo'n tweeduizend mensen bij zich, familieleden van de soldaten meegerekend. Het was een hele kunst om die allemaal over de rivier of bamboebrug te krijgen die de ene dag werd aangelegd en de volgende weer afgebroken. Op die tocht zijn wel kunststukjes vertoond, hoor.''

Poncke Princen was een Indonesische guerrillastrijder geworden. In een brief aan zijn ouders van 12 oktober 1949, de eerste die hij na zijn overlopen schreef, beschreef hij zijn ervaringen tijdens de Lange Mars:

""Dan twee en een halve maand Java door, op blote voeten 900 kilometer en dan niet over de grote weg. Aanvallen overdag, 's nachts, bommen, verbrande kampongs. (...) Ik moest meegaan. De geweldige geraffineerdheid, de overmacht aan materiaal en geoefende mensen, de eigendunk, de trots, de verbeelding, de krenterigheid, die de oorzaak van deze moordpartij waren. Het vreselijk ogenblik dat je ontdekt dat je eigen vrienden in wezen niets van die Duitsers verschillen, dat ze zich alles laten opdringen wat tijdens de Tweede Wereldoorlog onze naburen ook slikten. Dat men in Nederland ook ging zeggen: "Wir haben es nicht gewusst'.''

Bus naar Bandung

Princen ging niet meteen met het bataljon Kala Hitam mee naar Tjiandjur. In Madjalaja, ten zuiden van Bandung, nam hij voorlopig afscheid van zijn strijdmakkers. ""Ik had nogal wat last van mijn voeten, en Taswin (chefstaf van de eerste Siliwangi-brigade) kreeg medelijden met me. Bovendien zag hij mogelijkheden om via mij met Djakarta in contact te komen, waar nog een deel van de Republikeinse regering zat. Bij Leimena, die toen minister van gezondheid was, moest ik melden dat de Siliwangi terug was, en ik moest hem vragen een zending medicijnen te organiseren. Ik ben daar gewoon in de bus naar Bandung gestapt. Met bonzend hart, want ik was de enige blanke en de mensen keken wel vreemd.''

Kemal Idris: ""We hadden de bevolking gevraagd hem te helpen naar Bandung te komen. Ik vertrouwde hem geheel. Als het hem menens was, zou hij terugkomen naar het Tjiandjurse. En dat heeft hij gedaan.''

Volgende week: Ontsnapping naar Sukabumi.