Biologische wapens; Controle op het onmogelijke

De ontspanning tussen Oost en West heeft de afgelopen tijd geleid tot een hele reeks van wapenbeheersingsakkoorden, de laatste jaren zelfs akkoorden die een re ele beperking van de omvang van de bewapening inhielden.

Begin deze week is in Genève een toetsingsconferentie begonnen over een al in het begin van de jaren zeventig bereikt ontwapeningsakkoord: de Conventie over Biologische Wapens. Op 10 april 1972 kwam deze conventie tot stand, waarin het wordt verboden om levende organismen of giftige biologische produkten te gebruiken als strijdmiddel, deze te bezitten of te produceren. Verder werd in de conventie de vernietiging van de bestaande biologische wapens geregeld.

De conventie geeft geen sluitende definitie van wat biologische wapens nu precies zijn, maar het gaat hierbij vooral om ziekteverwekkende micro-organismen, zoals virussen en bacteriën die gebruikt zouden kunnen worden om tegenstanders uit te schakelen. De conventie werd in 1975 van kracht, toen ook de Verenigde Staten ze hadden geratificeerd.

Het relatieve gemak waarmee deze conventie kon worden afgesloten had alles te maken met de geringe bruikbaarheid van biologische wapens. Wil een wapen effectief zijn, moet het snel werken en moet de werking bovendien beheersbaar zijn. Anders gezegd: je moet er zelf niet het slachtoffer van worden. En dat is tot dusver een onoverkomelijk probleem gebleven. Biologische wapens hebben daarom in de oorlogen van deze eeuw dan ook geen rol van betekenis gespeeld.

Tot dusver zijn er twee conferenties gehouden waarop de werking van de conventie werd getoetst. De eerste in 1980 stond in de schaduw van het plotseling uitbreken van miltvuur in de Siberische stad Sverdlovsk in 1979. Volgens sommige deskundigen wees deze epidemie er op dat de Sovjet-Unie gewoon doorging met het aanmaken van biologische wapens. Bovendien werd het Sovjetleger er van verdacht mycotoxinen te hebben gebruikt (gele regen) in Laos en Cambodja. Die gebeurtenissen maakten echter wel duidelijk dat het van belang was om ook maatregelen te nemen ter controle op de naleving van de gemaakte afspraken. Een begin daarmee werd gemaakt tijdens de tweede toetsingsconferentie in 1986, toen afspraken werden geformuleerd over de uitwisseling van informatie over onderzoek dat mogelijk in verband zou kunnen worden gebracht met de aanmaak van biologische wapens.

De behoefte aan controle en inspectie is sinds die tijd alleen maar toegenomen. Van verschillende kanten wordt aangedrongen op een verscherping van de regels, zodat het moeilijker wordt om zich aan de afspraken van de conventie te onttrekken. Zo is van Britse zijde voorgesteld om een groep deskundigen te benoemen die een "effectief systeem van verificatie' zou moeten opzetten. Ook Sovjet-afgevaardigde Batsanov heeft zich daarvan deze week voorstander betoond. De Amerikanen zien daar niet zo veel in, omdat zij van oordeel zijn dat er geen waterdicht systeem op te zetten is dat onderzoek voor de produktie van biologische wpens onmogelijk maakt. Zij wijzen er in dat verband op dat er eigenlijk weinig verschil is in onderzoek naar de verspreiding van besmettelijke ziekten en naar de produktie van biologische wapens. De voorzitter van de conferentie, de Argentijn Roberto Garcia Moritan, sprak begin deze week desondanks de hoop uit dat de conferentie zou leiden tot "het instellen in de nabije toekomst van een zeer compleet en indringend verificatiesysteem'.

Of zoiets tijdens deze toetsingsconferentie al mogelijk is lijkt vooralsnog de vraag. Toch zijn er twee redenen die voor een strengere controle pleiten. In de eerste plaats is er een tiental landen dat er van wordt verdacht te werken aan een biologisch-wapenprogramma. Het bekendste voorbeeld is Irak. Een commissie van de Verenigde Naties onder leiding van de Britse expert David Kelly, kwam na onderzoek tot de conclusie dat Irak in Salman Pak gewerkt had aan onderzoek naar micro-organismen die botulisme, koudvuur (gangreen) en miltvuur kunnen veroorzaken. Hoewel geen echte biologische wapens werden gevonden, constateerde doctor Kelly toch: “Het is heel duidelijk geworden dat ze bezig waren met onderzoek voor offensieve doeleinden.” Binnenkort zal een nieuwe inspectie worden uitgevoerd, zo meldde de Financial Times eind vorige week.

Irak is niet het enige land dat verdacht wordt bezig te zijn (geweest) met biologische wapens. Westerse functionarissen zeggen dat het in totaal om elf landen gaat, waaronder Libië en Noord-Korea.

De tweede reden om de controle te verscherpen is gelegen in de ontwikkeling van het recombinant DNA-onderzoek, dat rechtstreeks kan ingrijpen in de fundamentele levensprocessen. Dat biedt in principe de mogelijkheid om micro-organismen van eigenschappen te voorzien die militair aangewend kunnen worden. De weg naar een op die manier bruikbaar gemaakt biologisch wapen is tot dusver niet gevonden. Daarvoor zijn de levensprocessen kennelijk nog te grillig, maar gevaar kan dit onderzoek wel opleveren.

Alle betrokkenen zijn het er over eens dat het een heksentoer zal zijn om maatregelen uit te werken die effectieve controle op de aanmaak van biologische wapens mogelijk maakt. Toch zal een poging in die richting moeten worden gedaan omdat het wetenschappelijk onderzoek de grens die de natuur stelt aan het gebruik van deze wapens anders ongecontroleerd kan opschuiven.