Waarom klompen alleen op het land gedragen worden

Op het boerenland woonden eens een paar klompen die dag na dag door het zand moesten lopen. Zoals je wel begrijpt, vonden die arme klompen dat vreselijk. Ze dachten er dan ook dag en nacht over na hoe ze ooit nog eens een vakantie konden krijgen (ze zouden namelijk heel graag een weekje naar Amsterdam willen). Op een nacht lagen de klompen alweer na te denken over hoe ze ooit in Amsterdam konden komen. Opeens riep Pjotr (zo heette een van de twee): “Ik heb het!”

“Wat heb je?” vroeg Beer (zo heette de andere).

“Hoe we in Amsterdam moeten komen natuurlijk. Kijk, we doen zo bla bla bla bla en dan bla bla, snap je?”

“O, ja.”

De avond daarop liepen de twee klompen heel zachtjes naar buiten en gingen naast de vuilniszakken (die daar net neergezet waren) staan. 's Morgens kwam de vuilnisman en nam de vuilniszakken EN de klompen mee. En zo kwamen de klompen op de grote vuilstortplaats in Amsterdam terecht. Ze gingen zo snel mogelijk naar de klompenmaker toe en lieten zich helemaal oppoetsen. Toen gingen ze stiekem achterop een fiets zitten en werden zo naar de Kalverstraat vervoerd.

Eenmaal in de Kalverstraat aangekomen, sprongen ze van de fiets en liepen door die vreselijk drukke straat. Nadat ze de hele verdere dag in Amsterdam rond gelopen hadden, waren ze zo moe van de drukte, dat ze aan de kant van de weg in slaap sukkelden.

De volgende dag gingen ze naar het Rijksmuseum: “Ooooooo! Wauw! Prachtig! Wat mooi! Jeetje mina!” En naar het spaarpottenmuseum: “Moet je nou kijken! Hee, een klomp! Wat lief!”, enz.

De dag daarop naar Artis: “Wat een schatje! Aah, wat een engerd! Oef wat istie groot, zeg!”, enz., enz. En naar Madame Tussaud: “Iee! Net echt! Wauw! Hee, die heeft wassen klompen aan!”

En de dag daarna bleven ze een dagje rustig langs de weg zitten, tenminste, dat dachten ze... Namelijk om een uur of twee 's middags werden ze opgetild door een man. Hij had een kapotte spijkerbroek aan en punkhaar. Die man nam de klompen mee naar een gekraakt huis, daar aangekomen werden ze op de grond gesmeten.

Na ongeveer een half uur kwam een vrouw binnen die riep: “Geen troep in mijn huis!” En gelijk werden die arme klompen het raam uitgesmeten. PLOK, PLOK, daar stonden ze weer op straat.

“Nu heb ik genoeg van Amsterdam. Ik heb prachtige musea gezien, maar die drukte staat me niet aan,” zei Beer tegen Pjotr.

“Ik ook”, zei Pjotr.

Op dat moment reed er een vrachtwagen vol zand voorbij. Beer en Pjotr sprongen er direct in. Na een half uurtje rijden sprongen ze er weer af. Na nog twintig minuten lopen kwam het huis waar de klompen woonden in zicht. De klompen renden naar huis en gingen op hun plaatsje naast de mat liggen.

Sinds de klompen in de stad zijn geweest hebben ze alle klompen die ze tegen kwamen afgeraden om ooit in een stad te komen.

Daarom zie je nooit een klomp in de stad.