Vredesconferentie Midden-Oosten stemt optimistisch

Na het einde van de Golfoorlog werd gesproken over een "window of opportunity' voor de oplossing van het Israelisch-Arabisch-Palestijnse conflict.

Israel was versterkt uit die oorlog gekomen; Irak verzwakt, terwijl een nieuwe coalitie was ontstaan van vrijwel alle belangrijke Arabische landen met de Verenigde Staten en, meer indirect, de Sovjet-Unie. Een Sovjet-Unie die steeds minder een wereldmacht was. Ten slotte had de PLO zichzelf in de Golfoorlog in een zeer verzwakte positie gebracht. Dit alles gaf de Verenigde Staten mogelijkheden het vredesproces in het Midden-Oosten nieuwe impulsen te geven. Minister Baker heeft dat de afgelopen periode op knappe wijze gedaan. Het is dan ook vrijwel zeker dat de regionale vredesconferentie voor het Midden-Oosten in oktober, wellicht in Den Haag, bijeen zal komen, waarna spoedig bilaterale onderhandelingen tussen Israel enerzijds en respectievelijk Syrië, Libanon en een Jordaans-Palestijnse delegatie anderzijds zullen beginnen. Dat is van historisch belang. Landen die drieënveertig jaar lang geen woord met elkaar wensten te wisselen gaan nu met elkaar onderhandelen. Dat betekent een vorm van feitelijke erkenning van Israel door de Arabische landen en dat alleen al is een enorme doorbraak.

Hoewel enthousiasme dus gerechtvaardigd is, neemt dat niet weg dat de onderhandelingen ongetwijfeld lang zullen duren en uiterst moeilijk en ingewikkeld zullen zijn. De uitgangsposities van Israel en van de Arabische landen staan haaks op elkaar en er is nog groot wederzijds wantrouwen. De regering van Israel denkt er niet aan om maar één vierkante centimeter van de sinds 1967 bezette gebieden op te geven, terwijl de Arabische regeringen en ook gematigde Palestijnen uitvoering van de Franse versie van VN-resolutie 242 als uitgangspunt hebben, dat wil zeggen het opgeven door Israel van al die gebieden.

Toch geloof ik in uiteindelijk succes. Dit optimisme is ingegeven door een mate van compromisbereidheid die een Kamerdelegatie vorige week aantrof bij de meeste van hun gesprekspartners in Syrië, Jordanië en Israel en ook bij de Palestijnen die wij ontmoetten. Die compromisbereidheid zou, na lange onderhandelingen, kunnen resulteren in een Jordaans-Palestijnse confederatie of zelfs Unie bestaande uit Jordanië, het grootste deel van de Westelijke Jordaanoever en wellicht ook Gaza en in een ten dele door Israel ontruimde Golanhoogte.

Essentieel daarbij is dat een wederzijds gevoel van veiligheid ontstaat en dat betekent in ieder geval een gedemilitariseerde Westelijke Jordaanoever en Golan en veilige, erkende en gegarandeerde grenzen voor alle staten in de regio. Ik geloof vooral ook in een uiteindelijk succes van de onderhandelingen na een analyse van de positie van premier Shamir. Die stelt zich nu keihard op en lijkt tot geen compromis bereid. Dat zal hem bij de komende verkiezingen, in 1992, geen windeieren opleveren. Daarna zal hij politiek nog sterker staan dan nu en tevens minder afhankelijk zijn van ultra-rechtse politiek-religieuze groeperingen. De verleiding om als een tweede Begin de geschiedenis in te gaan door het afsluiten van vredesakkoorden met Syrië en Jordanië zal dan voor Shamir heel groot worden. Al was het mar omdat omdat blijvend Israelisch bestuur van de bezette gebieden zou betekenen dat ongeveer twee miljoen Palestijnen permanent Israelisch staatsburger zouden worden, wat de voor Israel zo wezenlijke Joodse identiteit van de staat zou aantasten. Grootste knelpunt tot het eind van de onderhandelingen zal Jeruzalem zijn, dat Israel nooit zal willen opgeven als ongedeelde hoofdstad. Toch zijn ook daar afspraken voor onder andere vrije toegang voor iedereen, denkbaar.

Tegen deze achtergrond is het weliswaar te begrijpen dat Shamir op dit moment niet bereid is het bouwen van nieuwe nederzettingen op met name de Westelijke Jordaanoever te stoppen, maar tegelijkertijd is dit zeer te betreuren. Het staken van deze bouwactiviteiten zou de sfeer aan het begin van de onderhandelingen bevorderen en zou vooral ook de zo cruciale verstandhouding tussen Israel en de Verenigde Staten positief beïnvloeden. Dat premier Shamir begin deze week, in strijd met eerdere uitspraken, heeft gezegd dat uitbreiding van de nederzettingen noodzakelijk is om de joden uit de Sovjet-Unie te huisvesten, is verontrustend. Temeer omdat dit de Amerikaanse kredietgarantie aan Israel van tien miljard dollar echt in gevaar zal brengen, terwijl deze garantie juist noodzakelijk is voor de humanitaire opvang van de Sovjet-joden in Israel, maar buiten de bewuste gebieden.

Het is dan ook goed dat de EG bij monde van voorzitter Van den Broek, direct kritisch heeft gereageerd op deze uitspraken van Shamir. Het zou echter ook goed zijn als de EG ook op de Arabische landen een matigende invloed zou trachten uit te oefenen, onder meer door eensgezind op deze landen een beroep te doen af te zien van de boycot van ondernemingen die zaken doen met Israel. De rol die de EG kan spelen bij de vredesconferentie staat of valt overigens met de interne eensgezindheid van de twaalf EG-landen.

Herhaling van het verbrokkelde EG-optreden van tijdens de Golfoorlog zou funest zijn, terwijl de EG in minister Van den Broek juist nu een voorzitter heeft die op vertrouwen kan rekenen in zowel Israel als in de Arabische landen.

Ook de Verenigde Naties zou een constructieve rol tijdens, maar vooral na de conferentie kunnen spelen, door bij te dragen aan de uitvoering van de noodzakelijke veiligheidsgaranties. Daartoe is echter eerst nodig dat het vertrouwen van Israel in de Verenigde Naties wordt hersteld. Dat vertrouwen is zeer beschaamd toen de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in 1975 de infame resolutie aannam, waarin zionisme wordt gelijkgesteld met racisme. Het zou zeer belangrijk zijn als deze resolutie in de komende Algemene Vergadering van de VN, liefst nog voor de Midden-Oosten vredesconferentie, formeel zou worden ingetrokken. De VS en de EG zouden hiertoe gezamenlijk initiatieven kunnen ontplooien en Nederland zou dit als voorzitter binnen de EG moeten voorstellen.

Ten slotte zou het van groot belang zijn als de regionale vredesconferentie zich niet zou beperken tot onderhandelingen over de politieke conflicten tussen Israel en de Arabische wereld, maar ook, in een vroeg stadium, een aanzet zou geven voor toekomstige economische samenwerking in de gehele regio. De Israelische oppositieleider Shimon Peres en ook de Jordaanse kroonprins Hassan toonden zich hier groot voorstander van. Het tot wederzijds belang doen bij elkaar brengen van onder meer Israelische expertise, Arabische olie, Arabische afzetmarkten en, niet het minst, Turkse watervoorraden, zou de gehele regio ten goede komen. Zoals dit na de Tweede Wereldoorlog het geval was met de Europese Kolen en Staalgemeenschap en later de EG, zou een dergelijk regionaal economische samenwerkingsverband in het Midden-Oosten ook de decennia oude vijandschap en strijd tussen landen in de regio kunnen overbruggen. Waarom ook hier geen rol voor de EG met een "Van den Broek-Delorsplan voor regionale samenwerking in het Midden-Oosten'?

Ten slotte dienen, onder auspiciën van de Verenigde Staten, de Verenigde Naties en wellicht ook de EG, goed te controleren afspraken te worden gemaakt over wapenbeheersing in de regio. Want het is verontrustend hoe aan de vooravond van de Midden-Oostenconferentie, landen als Syrië, Iran, Saoedi-Arabië en ook Irak hun wapenarsenalen weer snel aan het opbouwen en moderniseren zijn.