Vluchten kan niet meer, vechten zinloos voor de Papoea's

JAYAPURA, 13 SEPT. Vechten is zinloos, vluchten kan niet meer. Dat is de boodschap die Indonesië en buurland Papua New Guinea proberen over te brengen aan de bevolking van Irian Jaya en aan de strijders van de Beweging Vrij Papua (OPM). Zij kunnen daarbij verwijzen naar het lot van Melkianus ("Melky') Salosa, een ex-guerrillaleider van de OPM, die eind augustus, na een vlucht uit een Indonesische militaire gevangenis, dood in het bos werd gevonden. Vorig jaar werd hij door de autoriteiten van Papua New Guinea naar Irian Jaya gedeporteerd.

In Port Moresby wil men niet alleen af van de “onruststokers” van de OPM, die zich na acties tegen het Indonesische leger terugtrekken op het grondgebied van Papua New Guinea, maar ook van de vele duizenden vluchtelingen uit Irian Jaya, die de laatste jaren de grens zijn overgetrokken. Uit angst voor de Indonesische soldaten, maar ook voor de OPM.

Melky Salosa werd op 8 mei 1990 gearresteerd door het leger van Papua New Guinea. Hij was op dat moment in het bezit van twee Mauser-geweren, wat ammunitie, een kapmes en een Engelstalige bijbel. Hoewel Papua New Guinea (PNG) geen uitleveringsverdrag heeft met Indonesië, werd Salosa op 22 juli 1990 overgedragen aan het Indonesische leger. Op 18 maart dit jaar werd hij door het kantongerecht van Jayapura veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf wegens “subversieve activiteiten”: opruiing, ondermijning van de Indonesische staat en een overval op een transmigrantenkolonie, waarbij 14 Javanen omkwamen.

Die straf wenste Melky niet uit te zitten. Begin augustus wist hij te ontsnappen uit de militaire gevangenis van Wamena, midden in de Baliem-vallei. Op 21 augustus werd hij dood aangetroffen in het bos. Volgens majoor-generaal Abinowo, de commandant van het Achtste Militaire District (de Molukken en Irian Jaya), stierf Salosa een natuurlijke dood: “Terwijl hij zich schuilhield in de bossen werd hij steeds zieker, bij gebrek aan voedsel, en omdat de natuur nu eenmaal wreed is”.

Salosa ontsnapte samen met een medegevangene, Socrates Yerisitouw, een ex-politiekorporaal uit Jayapura die in september vorig jaar dertien jaar kreeg wegens het verspreiden van Melanesische liederen onder middelbare scholieren. Toen Socrates zich na de dood van Salosa overgaf, beweerde hij dat Melky “bloed spuwde” op het moment dat hij over de gevangenismuur klom. In Jayapura gaat het gerucht dat Salosa zou zijn bezweken aan schotwonden. Commandant Abinowo: “Iedereen mag denken wat hij wil, maar wij hebben hem niet neergeschoten”.

De deportatie van Salosa was een zware slag voor de Beweging Vrij Papoea (OPM). Sinds 1969, toen Indonesië de Act of Free Choice over de toekomst van West-Irian beperkte tot een wel heel selectieve steekproef van de Papoea-bevolking, voert de OPM een uitzichtloze gewapende strijd voor een onafhankelijk West-Papoea. Uitzichtloos, omdat de OPM-ers met pijl en boog en een enkel geweer staan tegenover een goed uitgeruste Indonesische legermacht.

Uitzichtloos ook omdat de internationale gemeenschap groter belang heeft bij goede betrekkingen met Jakarta dan aan het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea's. De OPM-strijders konden het zo lang uithouden door hun uitmuntende kennis van het ontoegankelijke bos- en bergland van Irian Jaya en omdat ze zich tot voor kort straffeloos konden terugtrekken op het grondgebied van buurland Papua New Guinea.

Op 27 oktober 1986 sloten Indonesië en PNG een overeenkomst van wederzijds respect, vriendschap en samenwerking en op 11 april 1990 tekenden beide partijen een basisakkoord over grensregelingen. Sindsdien krijgen nomaden die aan weerszijden van de grens leven een pas om hen te kunnen onderscheiden van OPM'ers. Minister van buitenlandse zaken van PNG Michael Somare liet in juli vorig jaar een ondubbelzinnige waarschuwing horen richting OPM: “Ik heb steeds tegen deze mensen gezegd: als jullie onrust willen stoken, doe dat dan in je eigen land, niet bij ons. Als zij hier moeilijkheden veroorzaken, worden ze teruggestuurd”. Enkele weken later werd Salosa gedeporteerd.

Over de kracht van de OPM lopen de meningen uiteen. Vlakbij de grens met PNG ontmoet ik een voormalige OPM-soldaat, afkomstig uit een desa in het Sterregebergte, waar hij nu weer werkt als onderwijzer. Volgens hem heeft de OPM nog zo'n 1.600 man onder de wapenen, van wie de meesten zich schuilhouden in het buurland. Zij krijgen daar trainingen, bij gebrek aan voldoende vuurwapens met pijl en boog. In het grensgebied zouden vijf bataljons opereren, elk enkele honderden soldaten sterk. In PNG zijn op de zwarte markt geweren te koop voor 200 kina (zo'n 300 gulden).

Legercommandant Abinowo schat de verhoudingen wat anders in: “De OPM wordt zwakker, ook al krijgen ze wapens uit het buitenland”. Hij houdt het aantal OPM-soldaten op slechts 200, verspreid in de jungle. Abinowo: “Er is weinig onderlinge samenhang meer, en de legereenheden in het grensgebied zijn sterk”.

Niet ver over de grens, op het grondgebied van PNG, bevinden zich duizenden ontheemde Papoea's, die hun woongebied in Irian Jaya zijn ontvlucht, niet alleen uit angst voor de Indonesische autoriteiten, maar ook voor intimidaties van de OPM. Zij zijn de slachtoffers van deze jungle-oorlog en als ze niet zo bang waren, zouden ze het liefst teruggaan naar hun geboortedorp.

In november gijzelde een gewapende OPM-groep een aantal buitenlandse zendelingen en een grensbeambte van PNG in de buurt van het vluchtelingendorp Amanab. Het incident was voor Port Moresby aanleiding vaart te zetten achter de repatriëring van Papoea's uit Irian Jaya.

Sindsdien zijn vluchtelingendorpen in het grensgebied ontruimd en worden de bewoners geconcentreerd in het kamp East Awin, in PNG's Western Province. Het kamp is te klein, de vele vluchtelingen hebben geen papieren en de plaatselijke bevolking mort over het verlies van grond. Indonesië zegt de komende tijd 600 vluchtelingen te kunnen opvangen. Sinds het Internationale Rode Kruis potentiële repatrianten in PNG opzoekt, hun namen registreert, hun wensen en behoeften peilt en die doorgeeft aan de autoriteiten, bestaat er bij de vluchtelingen meer vertrouwen in het regeerprogramma.

Eind augustus kwam de repatriëring op gang van enkele tientallen familiies die afkomstig zijn uit Timika, in het zuidwestelijke regentschap Fak Fak. Zij behoren tot het Amungme-volk, dat oorspronkelijk het gebied rondom de Carstensz Piek bewoonde, maar aan het eind van de jaren vijftig in het kader van een Nederlands hervestigingsprogramma verhuisde naar de kustvlakte bij Timika.

Terwijl de Amungme daar wegkwijnden van de malaria begon de Amerikaanse mijnonderneming Freeport in 1967 met de winning van koper en goud in het ontruimde berggebied. In 1977 kwam het tot een uitbarsting van onvrede onder de Amungme. De OPM bezette het vliegveld van Timika, waardoor de Freeport-mijn onbereikbaar werd. Het Indonesische leger sloeg keihard terug en zette de plaatselijke bevolking onder zware druk. Daarop begon een trieste exodus. Amungme-mannen en hun gezinnen liepen jarenlang door de jungle, richting Papua New Guinea.

Nu, vijftien jaar later zijn de eerste groepen Amungme-repatrianten uit PNG in Timika teruggekeerd. Tien kilometer buiten het plaatsje, aan de rand van een transmigrantennederzetting wonen zestien families, 65 man sterk. Zodra het bericht doordringt dat er een journalist uit Jakarta is gekomen, duiken ze op uit het groen. Een van de gezinshoofden vertelt: “De politie van PNG stak mijn huis in brand; ik had geen keus. Maar de meesten van ons wilden graag terug, want de Indonesische regering beloofde ons land en nieuwe huizen. Wat vinden we hier? Gammele houten krotten, zonder ramen, met lekkende daken”. Hij neemt me mee naar zijn nieuwe onderkomen: een ruwhouten hut, zonder enig meubilair.

Dan verschijnt John, het plaatsvervangend adat-hoofd, en neemt het woord: “Dit is geen slechte plek, maar de huisvesting is miserabel. We zijn vrijwillig teruggekomen, wij zijn allen Amungme, dit is ons land. Maar de grond die we bezaten, is nu van Javanen”. Hij herinnert zich nog hoe de Amungme-families in de Nederlandse tijd uit de bergen naar Timika zijn gehaald. “De vrouwen en kinderen woonden hier; de mannen bleven jagen in de bergen”, vertelt hij.

Die berg is nu van Freeport, zeg ik. Hij lacht veelbetekenend: “Die berg, vader, is van mij. We hebben hem in beheer gegeven aan de Indonesische regering. We willen best samenwerken met de overheid om ons land te ontwikkelen, maar die ontwikkeling moet ten goede komen aan het volk der Amungme”. Hij heeft een lijstje gemaakt: planken, ramen, spijkers, hamers. In afwachting van de beloofde nieuwe woningen willen de mannen hun voorlopige onderkomens wat leefbaarder maken.

's Avonds maak ik een wandeling langs de bosrand. Plotseling duiken twee mannen op uit het duister. Politie. “Wat doet u hier zo laat? Het is hier niet veilig. Er is net een stel OPM'ers teruggekomen uit het buurland.”