Van de rand van Europa naar Europolis

Portugal is een klein land met een grote geschiedenis. Het heeft geen cultuur met een mondiale uitstraling. Het bezit het vermogen allerlei rages en revoluties uit het buitenland snel te absorberen. Onontkoombaar dringt zich de vergelijking met Nederland op. Enkele gedachtes over de Portugese cultuur aan de vooravond van het grote Belgische kunstfestival Europalia dat dit keer geheel aan Portugal gewijd is.

In Brussel begint op 19 september de elfde biënnale van kunst en cultuur Europalia 91, ditmaal - drie maanden lang - gewijd aan Portugal.

Een vriendelijke maar wee-je-gebeente-stem verzocht me, namens het supplement of ik naar aanleiding van die mammoet-manifestatie iets over Portugese cultuur wilde schrijven.

Of althans iets over de verhouding tussen mij en de Portugese cultuur.

Of althans iets over de verhouding tussen een gedeelte van mij en een gedeelte van de Portugese cultuur. Ik wist eerlijk gezegd alleen maar redenen te bedenken om niet op dat verzoek, hoe minimaal ook geformuleerd, in te gaan.

Mijn kennis van de Portugese cultuur vertoont te veel lacunes. Ik werd er pas na mijn veertigste mee geconfronteerd. Het is een zegen om, nel mezzo del cammin, de contouren van een geheel nieuwe taal, een geheel nieuwe literatuur te zien opdoemen, maar men heeft ook een leeftijd bereikt waarop zegen en zorg strijden om aandacht.

Het blijft bij contouren. Het wordt nooit de paplepel. Bij elke terreinwinst groeit het achterland. U kent het verschijnsel. Hoe meer we ons verdiepen in een onderwerp, des te uitgestrekter en ingewikkelder blijkt het. We worden niet knapper door onze kennis, we voelen ons dommer.

Gelukkig de literatuurliefhebber voor wie de moderne Portugese letterkunde bij Pessoa begint en ophoudt!

Hij is als de beate ezel die denkt de wiskunde onder de knie te hebben omdat hij weet dat tien knollen meer zijn dan één.

(Geen onbelangrijk weetje, overigens.)

Tastend zoekt men zijn weg in een nieuwe literatuur. Wat leven er op de planeet een massa schrijvers! En vooral, wat zijn er ook hier een massa schrijvers dood! Te hooi en te gras duikt men in vroeger eeuwen. De zeventiende, de achttiende, de negentiende. Men stoot op de erkende grootheden. En ook wel eens - de eeuwen zijn lang en smaak is een wispelturig iets - op een onderschatte en ten onrechte vergeten dichter. Dan jeuken mijn handen, het is de aard van het beestje - om van zo iemand werk te vertalen.

Maar ik heb nog zoveel te doen. Vooral het nadenken en tobben over het vele dat ik nog te doen heb.

Een tweede reden dat ik schroom over de Portugese cultuur te schrijven is dat ik te gast ben in een doorgaans redelijk gastvrij land. Een andere aard van uw dienaar is immers dat hij voor nogal zuurtjes en kritisch doorgaat. Mijn volk (sprak hij) heeft mij de straf opgelegd mijn zure reputatie niet ontrouw te worden.

En uiteraard heb ik hier kritiek op van alles en nog wat. Is het gepast in het huis van zijn gastheer zijn tong uit te steken en vieze boeren en winden te laten? Nee.

Op de te verwachten tegenwerping dat dit een lafhartig argument is en dat ik me anders ook niet zo akelig braaf en moralistisch gedraag, kan ik alleen maar antwoorden: het zij zo.

Een derde reden. Waarom, zodra het woord Portugal valt, bij mij aangeklopt? Ik heb er, met de gebrekkige reputatie die ik er al op nahoud, geen trek in ook nog eens versleten te worden voor de vaste Nederlandse idioot in Portugal. Omdat ik het vertik, domweg, de vaste idioot van wie of wat ook te zijn. Uit onverminderde onwil om vastgenageld te worden.

Tenslotte zijn daar de Nederlandse lusitanisten. Ze vliegen elkáár al in de haren over wie het alleenrecht op Portugal heeft en zijn geneigd iedere niet-lusitanist die zijn mond over Lusitanië opendoet te behandelen als een indringer en hem als leugenaar te kijk te zetten.

Ook als hij gelijk heeft.

Zo ongeveer, zal ik maar zeggen, als de onophoudelijk met elkaar bakkeleiende theologen en musicologen die plotseling met kippevel van ontzetting, unaniem met hun duim neerwaarts wezen en al hun huiselijke vetes vergaten toen Vestdijk zonder hen vooraf te hebben geraadpleegd over theologie en muziek begon te schrijven.

Zonder eerst hun advies te hebben ingewonnen!

Kortom, het deskundigen-probleem. Men is een officiële, gediplomeerde deskundige of men heeft zijn mond te houden.

En in het geval van de Nederlandse lusitanisten heeft men er iets voor over om te zwijgen.

Niet omdat ik bevreesd ben voor hun collectieve gram, maar omdat ik zo geniet van hun onderlinge tweedracht.

Ik heb wel eens over Portugal geschreven. Een heel boek zelfs, lijkt het wel.

Maar dat boek was een roman. En alleen tot de grootste sukkels onder de sukkels is het nog niet doorgedrongen dat romans zich afspelen in fictieve landen, waar fictieve personen fictieve handelingen verrichten.

Buiten de fictie om heb ik me - voor iemand die er acht jaar woont (langer dan menige lusitanist) - welbeschouwd maar mondjesmaat over Portugese toestanden uitgelaten.

Om bovenstaande redenen dus.

En omdat het tot ongewenste intimiteiten dreigt te leiden, want alles wat ik op verzoek en onder het mom van objectieve verslaggeving over Portugal zou schrijven staat er per slot van rekening alleen maar vanwege mijn adres.

En omdat een schrijver niet in Friesland of Zeeland, Portugal of Walachije woont, maar tussen haakjes, aan de klinkerstraat in lettergrependorp, waar het vergulde vraagteken uithangt.

Subjectief dan.

En mondjesmaat, comme toujours.

Te hooi en te gras.

Om, in elk geval voorlopig, het wee-je-gebeente in die verder uiterst vriendelijke stem te bezweren.

Zo gewichtig als Waarom ik Amerika afwijs wil dit Waarom ik niet over Portugal schrijf ook weer niet klinken.

Ik bekijk het programmaboekje van Europalia 91. Wat een veelzijdigheid! Het lijkt of er in Portugal een intens zinderende cultuurbedrijvigheid heerst. Zulke biënnales, immers, willen het topje van een ijsberg laten zien - achter elk uitgenodigd theatergezelschap staan tien theatergezelschappen die zijn thuisgebleven, een letterkundig tijdschrift representeert een hele broeikas vol letterkundige tijdschriften. De biënnale als spiegel van een cultuur.

In dit geval kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat zowat de hele Portugese cultuur naar Brussel is verhuisd.

Het kan zijn dat Portugal te klein is. Het kan ook zijn dat zulke manifestaties te groot zijn.

Of dat Nederlanders, wat cultuuruitingen betreft, kwantitatief nogal in de watten worden gelegd.

Ik noem een paar takken van kunst uit het programmaboekje. En daarbij iets wat me, in Portugal verblijvend, het meest frappeerde of iets marginaals wat me juist is bijgebleven (vaak komt dat op hetzelfde neer), geheel volgens de regels van het simpele spel: ik zeg een woord, jij antwoordt in drie seconden wat je er bij denkt.

Theater. In series van eigen kweek op de televisie wordt hier net zo beroerd geacteerd als in Nederland. Een domoor laat zien dat hij dom is door houtenklazerig te lopen. Wie verdriet heeft snuit pathetisch in zijn zakdoek, met windkracht tien.

In de schouwburg kom ik zelden.

Er is in het hele land trouwens maar één theater dat die naam verdient.

In Lissabon, driehonderd kilometer verderop.

Een theater dat niet meer dan twee mensen in vaste dienst lijkt te hebben, een directeur die geen verstand heeft van toneel maar geacht werd een sinecure te verdienen en een oude portier die het deksels druk heeft men het ophangen van het bord: hedenavond geen voorstelling.

Gelukkig zijn er in allerlei gebouwtjes de ad hoc-produkties van de door niets te stuiten toneelspelers. Voor het grootste deel betalen ze die produkties uit eigen zak. Eens om de zoveel jaar kunnen ze van een prijs in de loterij de provincie in.

Kunstspreiding is, net als rolmops, een uniek Nederlands woord. Het woord kunstsubsidie verneemt men hier wel, zij het dat de politici - die moeten betalen - juist bij dit lexicale lemma een eigenaardig spraakgebrek hebben ontwikkeld.

Er heerst trouwens algemeen de overtuiging dat kunst honger lijden betekent. Men eert hier zijn kunstenaars, zeker. Men adoreert ze, men vertoont er zich graag mee in het openbaar. Maar zijn ze met hun talent al niet genoeg gezegend?

Zoals men er van overtuigd is dat de heilige geest de maagd bevruchtte, zo weet men ook zeker dat inspiratie voedzaam is.

Film. God mag weten waarom, maar kleine landen schijnen een speciaal fanatisme en een niet altijd gerechtvaardigde trots aan de dag te leggen bij het ontwikkelen en beoordelen van een eigen filmcultuur. Een doorzettingsvermogen dat na iedere flop weer verbluffender is.

Men denke aan Nederland.

In Portugal zou dit verschijnsel nog voor een deel te verklaren zijn door het lage onderwijsniveau en het grote analfabetisme - weer een woord waarbij het spraakgebrek, anders nooit zo opvallend, van de politici intreedt - waardoor het publiek naar herkenbare produkties in de eigen taal wordt gedreven.

Maar ook hier verdwijnen de bioscopen en zijn er pornovideo's genoeg voor de taalkundig minder bedeelden: de overtuiging is gebleven dat Portugal niet alleen moet meezingen, maar inderdaad ook al behoorlijk meezingt in het wereldfilmkoor.

De Portugese intellectueel en wat daarvoor doorgaat is in de eerste plaats een cinefiel. Hij draait er, aan de cafétafel, zijn hand niet voor om de semiotische aspecten en de psychoanalytische betekenislagen bloot te leggen van een film waarin ik alleen maar een hyperventilerende komiek aan het werk zie.

Het is de ware film-spirit.

Ik moet zeggen, ik heb dan ook meer interessante Portugese films gezien dan Nederlandse.

Ik mag daarbij niet vergeten aan te tekenen dat ik nooit één interessante Nederlandse film heb gezien.

Popmuziek. Ook naar Brussel verhuisd. Madre Deus en het Zevende Legioen. Wat een mooie namen hebben, waar ook ter wereld, die groepen allemaal, hoe vindingrijk.

Eén beroemde, inmiddels al weer stokoude groep - in de popmuziek is alles razendsnel stokoud - is er in Brussel niet bij.

Wellicht door het ontbreken van culturele violen in de bezetting. Het is de groep die Peste e Sida (Pest en de Aids) heet. Spreek uit: Pesticide.

Die mag er ook wezen.

Boek- en uitgeverswereld. De toerist die met enthousiaste verhalen thuiskomt over hoeveel oude mannetjes op een bankje en hoeveel jongeren in de bus hij in krant of boek verdiept zag moet ik teleurstellen: er wordt in Portugal weinig gelezen.

En dus minder uitgegeven.

Voor de boekverzamelaar, die zich in Amsterdam dikwijls wanhopig voelt en daar bijna sterft van overdaad, is het gebrek aan kwantiteit nu eens een keer prettig. Hij kan in Portugal, zelfs met brede smaak en smalle beurs, van uitgeefseizoen tot uitgeefseizoen alles aankopen wat hem interesseert.

Met oude boeken is het wat moeilijker.

In de universiteitsstad Coimbra, zevenhonderd jaar oud, is niet één antiquariaat.

Als ik daar af en toe een Portugees opmerkzaam op maak, kijkt hij me aan met een gezicht waarop, in alle openheid, te lezen staat dat hem dat nog nooit is opgevallen.

Opvallend blijft het, en zeker niet alleen voor een verwend kind.

Bewonderenswaardig, bij dit alles, is het bestaan van twee zelfstandige literaire periodieken à la de Boekenbijlage van Vrij Nederland in voormalige vorm. Helaas heeft men nogal wat moeite met het aantrekken van recensenten en columnisten die niet slaapverwekkend schrijven en die bereid zijn de semiotiek en het structuralisme eens te laten rusten.

Literatuur. Schrijvers, het zou onmogelijk zijn ze allen naar Brussel te sturen. De meesten zijn bovendien arts, of advocaat, of adviseur van de minister, of hoofd van een instituut.

Of iets in dier voege.

In mijn omgeving heerst de stilzwijgende consensus dat ik een cocaïne-handelaar in ruste ben, zó groot is het ongeloof dat een schrijver van zijn pen zou kunnen leven.

De meeste auteurs die aan de Europalia deelnemen zijn auteurs die op alle festivals zijn. Doorspikkeld met een lokale mandarijn, vast in het zadel zittend dankzij de lof die hem wordt toegezwaaid door hen die binnenkort in zijn zadel hopen te zitten.

Het komt ons bekend voor.

Oeff, ik moet ophouden. Mijn kans op het Erekruis van Dom Emanuel de Katholieke is verkeken.

De architectuur, de beeldende kunst, een andere keer maar.

Het lijkt of ik alleen iets te vitten heb, ik weet het.

Maar bij zoiets grootschaligs als de Europalia, waar de kunst ondergeschikt is gemaakt aan het prestige, welt het als vanzelf in je op.

De gril, de spontane observatie, het liefdevol vermaak in andermans zwakheden, het ontbreekt bij zulke festivals zo.

Geloof me, ik zou u een diepere analyse kunnen bieden van Portugals eigen aard, waarop alle uithalen naar wat louter eigenaardigheden of menselijke trekjes zijn worden ingebed in een grondige en verinnerlijkte verwerking van de Lusitaanse grandeur en misère.

Ook een andere keer dus maar.

Bovendien zijn sommige Portugezen, van het meer nationalistische slag, daar al helden in.

Er wordt in Portugal heel wat over de eigen identiteit en over de hogere lusitaansheid afgetobd. De nationalistische variant daarvan stinkt nogal, ik kan het niet vriendelijker zeggen.

Het enige voordeel van een zeker nationalistisch gevoel acht ik het ten gehore brengen van het volkslied na afloop van het tv-programma. Men zou het ook in Nederland weer op alle zenders en bij alle omroepen dienen in te voeren. Geen toestel zou nog een seconde te lang, of zelfs een hele nacht, blijven doorsudderen. Stroomvretend met niets dan sneeuw en ruis. Stel je voor hoeveel kilowatturen er nationaal uitgespaard worden door het plotseling overeind schrikken van al die in slaap gesukkelde mensen!

De reiziger in Portugal zal niet veel merken van een zinderende culturele bedrijvigheid. Hij zal op zijn best een paar herinneringen bewaren aan wat soms zó van de straat te plukken viel.

De azulejos en de fado, bedoel ik.

Ook dat tweetal komt in Brussel aan bod.

De kunst van het decoreren van azulejos is, een aantal indrukwekkende uitzonderingen daargelaten, in handen gevallen van de mond- en voetschildersbeweging. De fado is met reuzenschreden aan het uitsterven.

Maar het tweetal zal nooit geheel verdwijnen omdat het beantwoordt aan de drang van de toerist naar het exotische. Hier en daar wordt het zelfs kunstmatig opgepoetst.

Wat is er voor de Nederlandse toerist exotischer dan een kerk of paleismuur van buiten bekleed te zien met de Delftsblauwe tegels die bij hem thuis om de kachel hangen?

En gooit ook de fado-zanger niet alles binnenstebuiten? De toerist verneemt uit zijn reisfolder dat de fado-zanger over zijn roots zingt, als ik het eens zo mag uitdrukken. Over 's mensen wedervaren, vreugden en droefenissen. Over wat er in zijn gemeenschap plaatsvindt. Maar wat zegt een Nederlander dat - roots? Wat zeggen hem de diep insnijdende afhankelijkheden van stam en clan?

Niettemin cultuur genoeg voor een oppervlakkige kick van veertien dagen.

Portugal is een klein land met een grote geschiedenis. Het heeft geen cultuur met een mondiale uitstraling. Het bezit het vermogen allerlei rages en revoluties uit het buitenland snel te absorberen. Onontkoombaar dringt zich de vergelijking met Nederland op.

Maar het verschil tussen Portugal en Nederland is dat Portugal gelooft in zijn mondiale uitstraling.

Wat er aan Portugese literatuur in het buitenland wordt vertaald, hoe bepaalde schrijvers tot in Oezbekistan worden ontvangen - we worden er in de supplementen minutieus van op de hoogte gehouden.

Het verschil is dat Portugal zich niet neerlegt bij zijn kleinheid. Het kan en wil er niet aan wennen.

Het ontbreken van de weg-met-ons-gedachte, het is een van de grote aantrekkelijkheden van de Portugese cultuur. Maar het brengt ook veel gewichtigdoenerij met zich mee. Zelfspot staat hier al gauw gelijk met landverraad.

De Portugees vindt het zo vanzelfsprekend gebrek aan inschikkelijkheid trots te noemen en regelrechte lamlendigheid lust tot flaneren, dat men soms - als Nederlander - voor de opbrengst van de humor de tol van de zelfkleinering voor lief zou nemen.

Hoe beter ik Portugal leer kennen, hoe meer ik van Nederland begrijp.

Onder de democratische oppervlakte is Portugal nog een starre standenmaatschappij. De verschillende bevolkingslagen koesteren een diepe achterdocht voor elkaar, gemasseerd door formeel respect.

Er is kinderarbeid. Er is een laag milieu-bewustzijn. Er is een stupide bureaucratie waarover men zich, of men wil of niet, blijft ergeren.

Ik weet dat het zeuren over bureaucratie in zuidelijke landen een hatelijk tijdverdrijf is, waaraan te veel en te olijke pagina's zijn gewijd. Clichés en ouwe koek. Maar ik zou er supplementen mee kunnen vullen.

Het kan niet anders of al die zaken - het zichzelf te serieus nemen, de standsverschillen, de bureaucratie - hebben een diepe invloed op de cultuur in engere zin, omdat ze met het bestaan van iedereen en van alledag verweven zijn.

Ze zouden ook de conflictstof voor de kunst sterker kunnen maken dan in het gladgestreken en tot bedervens toe klaargestoomde Nederland het geval is. De strijd tussen wat drijft en wat verstart zou het Portugese boek, de Portugese film, het Portugese theater iets heroïsch kunnen verlenen.

Waar dát gebeurt - onderhuids - kijkt men op. En het gebeurt. Maar reken er in Brussel, met al die sponsors en zich op de voorgrond dringende notabelen, niet al te veel op.

Het is in Europolis waar al meerdere doodvonnissen over Portugal zijn uitgesproken.