Steeds dezelfde zorgelijke sukkel; Biografie van de echte Woody Allen

In al zijn films zien we Woody Allen als een onhandige, licht mislukte intellectueel. Ook tijdens interviews en op foto's houdt hij zich aan dat beeld. Iedereen is bereid te geloven dat hij degene is die hij uitbeeldt, hoewel hij niet mislukt is maar wereldberoemd en uiterst succesvol. Wie is de man die Woody Allen speelt? De biografie van Eric Lax geeft antwoord op die vraag.

Eric Lax: Woody Allen - A Biography. Uitg. Knopf, New York, 387 blz. Prijs ƒ 57,35.

Woody Allen is wereldberoemd. Ook wie nog nooit een film van Woody Allen zag, wie de warmte en de schoonheid niet kent waar de woorden Annie Hall voor staan, of Hannah and her Sisters, of Manhattan, weet dat er in de Verenigde Staten een man bestaat die Woody Allen heet. Woody Allen is wereldberoemd. De films van Woody Allen niet.

Woody Allen geeft zelden interviews. Doet hij dat toch, dan begint zo'n vraaggesprek vaak met de mededeling dat Woody Allen zelden toestemt in een interview, maar dat hij dit keer gelukkig een uitzondering maakte. En steevast ontmoeten we bij zo'n gelegenheid een melancholieke, nerveuze man die zijn best doet om de journalist ter wille te zijn, maar zo te zien liever onder zijn stoel zou kruipen. Woody Allen verdiende zijn sporen als komiek, maar in zulke interviews is hij door en door serieus en laat zich niet verleiden tot frivoliteiten. Zegt hij iets geestigs dan doet hij dat ondanks zichzelf en kan er een lachje af dan is dat kort - een trekking bij ogen en mondhoeken, meer niet.

De strekking van het interview is onveranderlijk dat Woody Allen een erkend kunstenaar is, misschien wel de meest algemeen erkende kunstenaar op zijn gebied. Hij vindt het natuurlijk aangenaam wanneer het publiek toestroomt om een film van hem te bekijken, maar trekt een film weinig bezoekers dan verbindt hij daar geen consequenties aan. Van hem zijn geen concessies te verwachten, hij kan zijn films niet anders maken dan hij ze maakt. Hij boekte het meeste succes met zijn satirische films, maar een komiek wil hij allang niet meer zijn. Hij zal geen acteur casten die hem niet zint en als hem dat het beste lijkt, werkt hij op zwart-witmateriaal. Hij neemt altijd gedeelten van een film opnieuw op, ook al is zoiets ingewikkeld en duur: acteurs en technici moeten voor een tweede maal worden gecontracteerd, locaties weer gehuurd en opgebouwd.

Interviewers doen er alles aan om de bescheidenheid van Allen te accentueren. Nooit wordt aandacht besteed aan het feit dat Woody Allen een Ster is van gigantisch formaat. Immers, binnen de Amerikaanse filmindustrie werkt er niemand die zich de vrijheden kan permitteren die voor Woody Allen zo vanzelf spreken dat hij er bescheiden over kan zijn. Ook Nicholas Roeg of David Lynch, gerenommeerde cult-regisseurs met wisselend succes en als zodanig te vergelijken met Allen, moeten buigen voor de macht van de studio's en hun geld en zelfs onaantastbare acteurs als Robert DeNiro of Meryl Streep spelen wel eens een rol die hun niet zint. Allens bescheidenheid legt een sluier over alles, maar hij heeft nooit iemand verboden die sluier op te lichten. Hij geeft vriendelijk, weifelend, stotterend, antwoord op iedere vraag, en laat alles afglijden langs het schild van zijn geschutter.

Candid camera

"Onthullend!', schreeuwt vaak de kaft van een biografie. Het omslag van Woody Allen - a biography doet dat niet. Uitgevoerd in sober zwart en wit vermeldt het slechts de namen van auteur en titel, de letters smaakvol gerangschikt rond een ingetogen portret van Woody Allen. Het is geen glamour-foto, integendeel: een smal gezicht, bleek, vlekkerig, vermoeid, met een frons tussen de wenkbrauwen en een ingekeerde blik onder neerwaarts gerichte oogleden.

De journalist Eric Lax schreef de Allen-biografie na jarenlang aantekeningen te hebben bijgehouden van hun gesprekken. Ze kwamen overeen dat Allen de biografie niet officieel zou autoriseren, want "dat zou dit zijn boek hebben gemaakt, niet het mijne' legt Lax uit in zijn voorwoord. Hij vertelt ook dat hij al jaren bevriend is met Allen en goed bekend met de kring vrienden en vaste medewerkers om Allen heen. Toen hij met zijn boek begon, werd afgesproken dat hij toegang zou krijgen tot elk aspect van Allens werk en verleden en dat Allen iedere vraag zou beantwoorden en zijn naaste omgeving toestond hetzelfde te doen. Deze werkwijze, die zich over de afgelopen vier jaar en de laatste vijf films uitstrekte, maakte Eric Lax tot een schrijvende candid camera, het boek zit vol met verbale snap shots - van vrienden, vrouwen en medewerkers, en vooral van Allen zelf. Toch legde hij zich niet toe op schandalen of roddel. Zijn boek is stijlvol, nooit indiscreet, inspirerend voor geïnteresseerden, aantrekkelijk voor fans. Het schetst meeslepend (en met hilarische voorbeelden van sketches, gags en conférences) de ontwikkeling van het komisch entertainment in de VS sinds de jaren vijftig. En passant is Lax' biografie echter zo onthullend dat de kreet "sensationeel' in vlammend rood over de cover had mogen branden. Maar zoiets had de verkeerde indruk gewekt. Want de sensatie van dit boek zit niet in seks of drugs, maar in Allens identiteit.

Woody Allen heeft in veel van zijn films geacteerd. Ondanks de telkens andere namen gaf hij gestalte aan een consistent personage, een figuur die van de ene film de andere binnenstapte, die samen met Allen zelf ouder werd, rijper en wijzer. Eerst, tot aan Annie Hall (1977), zette Allen het typetje neer dat hij in zijn jaren op de Bühne en het televisiescherm ontwikkelde. Hij ontwierp, als spiegel voor zijn voornamelijk studentikoze publiek, de intellectueel die tegelijk schlemiel was: "Mijn vrouw is bij me weggelopen. Ik plaatste haar teveel onder een voetstuk'. Met Annie Hall leerde deze verliezer de liefde kennen en werd hij een volwaardig mens, zij het een mens die nog veel in punchlines sprak. In Manhattan (1979) kwam hij tot wasdom. Punch-lines blijven uit, de grappen zijn terloops, opgenomen in de dialogen. De "ik-figuur' gaf geen cabaret-nummers meer weg, en hij tartte minder luidruchtig de eigen doodsangst. Zo krijgt Annie Hall van het Allen-personage onveranderlijk boeken kado met het woord "dood' in de titel. In Manhattan zoekt hij naar een antwoord op zijn angst, en dat vindt hij in "Tracy's face', het onaards lieve gezichtje van het 17-jarige vriendinnetje (Mariel Hemingway) dat hij zo boosaardig had afgewezen. Soms schreef Allen voor zichzelf "echte' rollen: in Broadway Danny Rose (1984), in Zelig (1983) speelt hij mannen die zich verwijderden van het "oer-personage', in hun beroep, in hun neurosen, in de tijd.

Maar niet in hun wezen. De verschillen berusten op details, op buitenkant. Onderling zijn ze moeiteloos met elkaar te vergelijken. Tot en met Cliff Stern in de meesterlijke film Crimes and Misdemeanors (1989) zijn de Allen-figuren steeds afsplitsingen van dezelfde zorgelijke man, die zich niet kan verenigen met de boosaardigheid van zijn medemensen. Hij wordt vooral ziek van de achteloosheid waarmee ze het kwaad voltrekken: “I don't believe this... How can you say such a thing?” - alleen een door Woody Allen gespeelde figuur kan dit simpele, in hoge tonen aangeslagen, zinnetje laten klinken als een weeklacht van klassieke allure. De andere personages worden er soms gek van: “Je gaat dit toch weer niet herleiden tot een van je grote morele kwesties, hè?” bijt zijn beste vriend hem toe (in Manhattan). Hij is betrapt op een vuige streek - natuurlijk in de liefde. Want het Allen-personage houdt van de liefde, of liever van de eerste verliefdheid en het zoete, naar wij weten valse, vermoeden dat de liefde met deze vrouw altijd precies zo zal blijven voortduren, zijn hele leven lang.

Kreeften

Met de acteur Woody Allen kennen we het enige personage dat hij kan spelen. Maar Allan Stewart Konigsberg, in 1935 geboren in de Newyorkse wijk Brooklyn, kennen we niet, ook al is hij de man die zich als 17-jarige Woody Allen begon te noemen en die dat pseudoniem dertig jaar terug ook officiëel op zijn paspoort heeft laten schrijven. Hem ontmoeten we in het boek van Eric Lax.

Het begint ermee dat Lax verschillende malen schrijft dat Woody Allen "bulderde van het lachen', ook om de grappen die hij zelf bedacht. Woody Allen? Bulderen? De enige keer dat hij, een beetje, op lachen betrapt kon worden is in Annie Hall, wanneer hij als Alvy Singer samen met Annie (Diane Keaton) in de slag gaat met de over de keukenvloer krioelende kreeften, die ze moeten vangen en in de pan gooien. Toen hadden ze echt de slappe lach, meldt Lax. Verder heeft Allen die bulderende lach geheim gehouden. Zelfs op de foto waarop hij zijn baby-zoontje toont, oogt hij gekweld. Maar dat is een staatsieportret waar hij officieel voor poseerde. Nee, dan het kiekje waarop we hem zien voorlezen, lekker languit tussen zoontje en stiefdochtertje, beiden in de peuterleeftijd. Zijn gezicht is ontspannen, op geen enkele manier bewolkt.

Uit de biografie komen gaandeweg meer kenmerken naar voren die alles behalve stroken met het Allen-personage. Neem zijn uiterlijk. Waarom denken we toch dat hij sullig is om te zien? Hij is atletisch van gestalte, lezen we, een actief liefhebber van honkbal en andere balsporten. Evenmin is hij een wanhopig gemankeerd minnaar. Hij deelde zijn leven met mooie, interessante vrouwen die dankzij hem konden bewijzen ook nog begenadigde actrices te zijn: met Louise (Mary Hartman) Lasser, met Diane Keaton en met Mia Farrow.

Het moet gezegd worden dat Allen de schijn handig ophoudt. Die "schaarse' interviews zijn niet zo zeldzaam dat ik me er niet al vier op de televisie kan herinneren en er afgelopen maand drie in druk las. Het heeft er alles van dat Woody Allen de clou in praktijk bracht van zijn eigen The Purple Rose of Cairo (1985). In die film stapt een filmheld van het witte doek af de bioscoopzaal in. Tot verbazing van zijn grootste fan, doet hij dat voor haar. Hij is verliefd geworden, zegt hij, op de vrouw die hij daar avond aan avond in het donker heeft zien zitten staren. Ze is dolblij maar ze krijgt het moeilijk, want ook de acteur die deze held speelt dingt naar haar gunsten. Tenslotte wijst ze de filmheld af ten gunste van de acteur. Die laat haar natuurlijk zitten - vol wroeging, maar toch. Hij moet aan zichzelf denken, zijn carrière, zijn manager, zijn filmmaatschappij. Woody Allen stapte ook van het doek. Ook wie zijn films niet zag, kent hem, want zijn optreden in het openbaar is overduidelijk afgeleid van zijn filmtype. Zijn status en zijn image kunnen niet met elkaar kloppen, maar daar ziet iedereen graag overheen. We kiezen voor de illusie en we geloven in die zo sympathiek-onhandige filmheld. Die is consistent, die zal ons niet teleurstellen, Allan Stewart Konigsberg waarschijnlijk wel.

Verlegenheid

Het meest ingrijpende verschil tussen Allen en het personage dat hij voor zichzelf creëerde is een kwestie van karakter. Personage en schepper delen een enorme verlegenheid, maar Allen heeft zich er niet door laten bepalen. Zo was hij als jongen niet te bleu om zijn idool Milton "Mr. Television' Berle aan te spreken toen hij die toevallig in een winkel zag. En ten aanzien van zijn werk heeft Woody Allen nooit hoeven lijden onder gebrek aan zelfvertrouwen. Als zestienjarige schreef hij rond de 50 gags per dag die hij zonder veel problemen sleet aan gevestigde columnisten. Kranten bleven hem vragen om meer, gevolgd door tijdschriften en televisie-stations. Weinigen van zijn collega's zullen zo vroeg en zo trouw verwend zijn met aandacht en erkenning. Toen hij 25 was, werd hij door zijn managers (Jack Rollins en Charles H. Joffe, die tot op vandaag zijn films produceren) overgehaald het podium op te gaan als stand up comedian omdat ze Allen amusanter vonden dan de komieken die zijn grappen kochten. Het duurde enige jaren voor Allen dat vak onder de knie had, maar zij koesterden een grenzeloos vertrouwen in hun protégé. En zij waren de enigen niet. Toen hij weer eens was afgegaan, zei een klant tegen de betreffende club-eigenaar: “Herbert, hij is vreselijk. Je publiek verafschuwt hem.” Waarop de club-eigenaar antwoordde: “Ach weet je, het publiek heeft ongelijk”.

Schutteren

Eric Lax omschrijft het Woody Allen-personage als een "hilarische creatie, op persoonlijke basis, maar krankzinnig overdreven'. Het vertoont veel obsessies en trekken die de zijne zijn en hij gebruikt herkenbaar autobiografisch materiaal, gebeurtenissen, herinneringen, tegenspelers. Allen heeft het bewust ontworpen als lachwekkend maar niet bespottelijk, want het publiek moest zich ermee kunnen identificeren. Toen het eenmaal bestond, hoefde Allen het alleen nog aan te vullen en te verfijnen. Hij verscheen op het podium, schrijft Lax, "precies zoals het publiek hem was gaan verwachten: nerveus, een beetje vergeetachtig, een kleine man in de weg gezeten door gigantische struikelblokken. Niets lag verder van de waarheid. Het moment van nervositeit voor hij het toneel op stapte verdween nog voor de eerste lach opklonk. Het ijsberen, het schutteren met de draad van de microfoon, het schijnbaar vergeten van een zin, het ogenschijnlijk spontaan afnemen van de bril en in de ogen wrijven tijdens een clou, alles was part of the act.” Allens grappen gedijden bij deze aanpak en hij handhaafde zijn routine in zijn films. "Hij had meer succes dan goed voor hem was', veronderstelt Lax. Vermoedelijk terecht, want van Allen wordt nog altijd verwacht dat hij leuk doet, ook al deed hij al in Annie Hall afstand van zijn komieke personage. Allen zelf formuleerde het aldus: “Ik slaagde in mijn tweede keuze. Ik was gelukkig dat ik daarin slaagde, maar het was niet wat ik uiteindelijk wilde doen.”

Inmiddels zoekt Allen de oplossing in een combinatie. In recenter werk, in Hannah and her Sisters, Another Woman, en Crimes and Misdemeanors ruimt hij temidden van oprechte, steeds kommervolle ernst, plaats in voor satire. Deze films zijn zwaarmoedig en filosofisch van inhoud als Interiors, maar ze kennen hun lichte ogenblikken, ook al is Allens humor bijtender geworden, zwarter, kritischer en minder menslievend.

Omdat Lax ons deelgenoot maakt van zijn eigen meningen, wekt hij soms weerstand. In zijn, meeslepende, filmbeschrijvingen en -analyses spreekt hij zich vooral uit ten gunste van de films waarin Woody Allen zich overgeeft aan zijn hang naar magie: The Purple Rose of Caïro; Zelig, over een menselijke kameleon; Alice, met een vrouw die zich onzichtbaar kan maken. Al lezend merkte ik dat ik al die toverkunst onnodig gepriegel vind. Mijn voorkeur gaat uit naar de films waarin Woody Allen bewijzen aanvoert voor de magie van het dagelijkse leven. Ik houd van Interiors, de film die van een stiefmoeder een echte moeder maakt, doordat ze een bijna verdronken stiefdochter nieuw leven inblaast. Ik houd van het onverbloemd nostalgische Radio Days, die ondubbelzinnig de macht aantoont van de populaire muziek uit de jaren veertig. Ik houd van Another Woman waarin een getourmenteerde vrouw wordt gered door een stem uit de verwarmingsbuis. Ik houd van Manhattan waarin Tracy en haar onwillige geliefde elkaar aan het slot net niet mislopen, ook al hing zij veel te lang aan de telefoon en kon hij geen taxi krijgen.