Slachtoffers van Sovjet-justitie niet zonder meer rehabiliteren; Litouwen was altijd sterk anti-joods

Na de Tweede Wereldoorlog veroordeelden Sovjet-rechtbanken een groot aantal Litouwers. Welke maatstaven bij deze stalinistische politieke justitie werden aangelegd is onduidelijk. Het ongedaan maken van deze vonnissen waarover in NRC Handelsblad van 6 september werd bericht, geldt nu vanzelfsprekend als een daad van rechtvaardigheid. De oorlogs- en bezettingsgeschiedenis van Litouwen geeft echter geen aanleiding om zonder voorafgaand onderzoek tot rehabilitaties over te gaan.

Eén van de steden waar vijftig jaar geleden na het begin van Operatie Barbarossa (de Duitse inval van de Sovjet-Unie) voor het eerst op grote schaal geweld tegen joden werd gepleegd was de Litouwse plaats Kaunas (Kovno). In deze stad vermoordden lokale, Litouwse "partizanen' van 25 tot 29 juni 1941 ongeveer 3.800 joodse mannen. Om verder bloedvergieten te vermijden berustte de plaatselijke Joodse Raad vervolgens in de opsluiting van de resterende gemeenschap in een getto.

Enkele maanden later, op 28 oktober 1941, werd in Kaunas een eerste groep van tienduizend tot veertienduizend joden uit de bevolking van het getto geselecteerd. Onder hen waren nu ook vrouwen en kinderen. Deze werden niet in de Poolse vernietigingskampen vermoord, maar onder zware bewaking naar het zogenaamde IXe Fort gebracht, een onderdeel van de tsaristische verdedigingslinie die om de stad lag. Wat binnen de muren van het fort gebeurde werd door SS-Standartenführer Karl Jäger, de commandant van Einsatzkommando 3, omschreven als "Paradeschiessen'. Aan deze executies namen Litouwse vrijwilligers deel die op grond van hun pogrom-ervaring waren uitgezocht. Deze bereidheid tot medewerking was één van de oorzaken van deportaties van joden uit Duitsland, Frankrijk en België naar Kaunas. Ook zij behoorden tot de tienduizenden joden die verdwenen in het IXe Fort.

Ondanks het tijdrovende karakter van de massamoord was in 1945 het aantal overlevenden in Litouwen gering. Het getto in de hoofdstad van Litouwen, Vilnius, telde ooit zeventigduizend tot tachtigduizend joden. Van hen zijn er vermoedelijk 67.000 omgebracht: een overlevingspercentage van niet meer dan zeventien procent. Van de vierendertigduizend oorspronkelijke bewoners van het getto in Kaunas hebben circa zesenhalfduizend de bevrijding door het Rode Leger beleefd; een overlevingspercentage van negentien procent.

Zulke lage overlevingspercentages van joden zijn in Midden- en Oost-Europa geen uitzondering geweest. In Polen overleefde tien procent, in Slowakije zeventien procent, in Hongarije vijfentwintig procent en in Letland minder dan dertig procent. Ook in Letland, in Oost-Galicië en in de westelijke Oekraïne werden in de zomer van 1941 in het kielzog van de Duitse troepen door lokale bendes en speciale Einsatzgruppen tijdens pogroms en schietpartijen duizenden joden vermoord. In Roemenië gebeurde hetzelfde zonder Duitse assistentie. Deze pogroms maakten - zoals de Amerikaanse historicus A.J. Mayer overtuigend heeft aangetoond - geen onderdeel uit van een vooropgezet Berlijns plan. Evenals hun tegenhangers in Riga (Letland) en in Lvov (Oost-Galicië), waar leden van de Oekraiense minderheid tekeer gingen, hadden de Litouwse "partizanen' het waarschijnlijk in de eerste plaats gemunt op joodse mannen. Zij selecteerden niet op grond van ras, maar op grond van vermeende politieke overtuiging. Zij waren ervan overtuigd, dat alle joden bolsjewieken waren en vice versa.

Ook de moordenaars in de Oekraïne versleten alle joden voor collaborateurs met de Sovjet-Unie. Van deze gedachte ging een buitengewone overtuigingskracht uit. In Iasi bijvoorbeeld, de hoofdstad van Moldavië, "ontdekte' het Roemeense leger al spoedig dat de joden een vijfde colonne van de Russische vijand vormden. Evenmin als de lokale moordpartijen tijdens de eerste weken van Operatie Barbarossa zich tot Litouwen beperkten, was de schaalvergroting van de jodenmoord waarbij het vanaf eind september 1941 in de regel ook om vrouwen en kinderen ging, een exclusief Litouws fenomeen. De slachting van tienduizenden mannen, vrouwen en kinderen in Babi Jar bij Kiev - om één bijzonder berucht voorbeeld te noemen - ging ruimschoots vooraf aan die in Kaunas, welke vermoedelijk samenhing met de aankomst van gedeporteerden uit Duitsland.

Behalve in Kaunas werden, voordat de bouw van de Poolse kampen gereed was, ook in Riga en Minsk Westeuropese joden ondergebracht en vermoord. Terwijl in alle andere door Hitler-Duitsland bezette landen het leeuwedeel van de slachtoffers naar de vernietigingskampen werd gedeporteerd, werden deze in de Sovjet-Unie dichtbij hun woonplaatsen doodgeschoten, op een afgelegen plek die te voet bereikbaar was. De Einsatzgruppen hebben niet uitsluitend in Litouwen moordenaars gerecruteerd uit de "partizanen' die bij pogroms actief waren geweest. Ook in Letland deden zich hierbij weinig problemen voor. Ook in de Oekraïne werd tuig uit de buurt gebruikt voor het zwaardere werk. Het Einsatzkommando 4a schoot de volwassenen dood; de Oekraïners namen de kinderen voor hun rekening. In het zuidelijk deel van de Sovjet-Unie ontdekte Einsatzgruppe D, dat etnische Duitsers zich graag als vrijwilliger aanmeldden. De bevelhebber van deze troep, de voormalige dominee Ernst Biberstein, becommentarieerde op zorgelijke toon: “Das hat uns direkt erschreckt, was die für eine Blutgier hatten”.

Historisch onderzoek van R. Hilberg heeft uitgewezen, dat iedereen die dat wilde, van welke nationaliteit dan ook heeft mogen deelnemen aan de executies van joden in Oost-Europa: SS'ers, Wehrmacht-soldaten, Litouwers, Letten, Esten, Oekraïners, etnische Duitsers. Iedereen mocht joden vermoorden, tot een vereniging Oostenrijkse vrienden van de jacht en een verdwaald onderdeel van het Franse vreemdelingenlegioen aan toe - iedereen.

Indien onder de Oosteuropese moordenaars in het bijzonder de Litouwers joden gelijkstelden met communisten, is dit misverstand deels historisch verklaarbaar. Litouwen werd - evenals Estland en Letland - tijdens het interbellum geregeerd door reactionaire of conservatieve machthebbers, die veelal van staatswege "judeofobie' (Mayer) hadden aangemoedigd. Na enkele jaren van gelijkberechtiging had de junta die in Litouwen in 1926 de macht aan zich had getrokken, de participatie van de joodse minderheid in het bestuur en de bureaucratie sterk afgeremd. In de linkse partijen, die tegen de politiek van de regering hadden geopponeerd, hadden joden een relatief belangrijke plaats ingenomen. Een minderheid van de joden had zich aangesloten bij de kleine Litouwse communistische partij.

In juni 1940 had Stalin, die zich zorgen maakte over de Duitse militaire successen in West-Europa, in Litouwen en in de twee overige Baltische staten een marionettenregering laten installeren. In de "verkiezingen' die daarop waren gevolgd, had de voormalige Litouwse communistische partij vrijwel alle stemmen op zich weten te verenigen (95,1 procent). Onder hen die hadden samengewerkt met het nieuwe regime, dat met succes had gesmeekt om de incorporatie van Litouwen in de Sovjet-Unie, waren joden oververtegenwoordigd. Volgens de Israelische historica D. Porat waren in de Sovjet-Russische bureaucratie die tot juni 1941 in Litouwen de macht uitoefende, vele joden werkzaam. De dag na de Duitse inval van de Sovjet-Unie werd in Kaunas het radiostation bezet en een voorlopige nationale regering uitgeroepen. De zich terugtrekkende Russische troepen werden aangevallen door ultra-nationalistische en fascistische "partizanen', die twee dagen later losbarstten tegen de joodse mannen in Kaunas.

Het Litouwse nationalisme dat zich momenteel uit als anti-communisme, had in de periode 1926-1941 ook een uitgesproken antisemitisch karakter. Daardoor was het onvermijdelijk, dat het "anti-nationale' jodendom in 1940-'41 met de stalinistische bezetter werd geïdentificeerd. De herwonnen onafhankelijkheid, die een herziening van de Sovjet-rechtspraak mogelijk maakt, confronteert de Litouwers (en de Esten en de Letten) niet alleen met een oorlogsverleden, maar ook met het gecompromitteerde karakter van het eigen nationalisme.

F. Frome (with an introduction by R. Abzug), Some dare to dream. Frieda Frome's Escape from Lithuania (Iowa, 1988); R. Hilberg, The Destruction of the European Jews, 3 vols., (New York-Londen, 1985); A. J. Mayer, Why did the heavens not darken? The "Final Solution' in history (New York, 1988); L. Rosh-E. Jäckel, "Der Tod ist ein Meister aus Deutschland'. Deportation und Ermordung der Juden - Kollaboration und Verweigerung in Europa (Hamburg, 1990); A. Tory (edited with an introduction by M. Gilbert; textual and historical notes by D. Porat), Surviving the Holocaust. The Kovno Ghetto Diary (Londen, 1990).