Slachtoffers

Kousbroek weigert al twintig jaar in zijn artikelen expliciet te stellen dat het er hem om te doen is een correct geschiedbeeld van de Japanse kampen na te streven en dat die doelstelling niet harmonieert met de doelstelling van de ex-geïnterneerden.

Hij weigert daarvoor op een beleefde manier begrip te vragen aan de ex-geïnterneerden. Hun gaat het er in eerste instantie immers minder om dat algemene geschiedverhaal te reconstrueren; voor hen is het belangrijker hun persoonlijke verhaal op rij te krijgen. Dat inpassen in het algemene geschiedverhaal komt daarna wel, als het goed is. Als Kousbroek dat twintig jaar geleden erkend zou hebben en het expliciet vermeld zou hebben bij zijn jacht op de waarheid, dan zou niet alleen die hele discussie over de kampen minder een ordinaire scheldpartij zijn geworden, waarschijnlijk zou Kousbroek dan ook zelf meer opgeschoten zijn met zijn geschiedenisverhaal; er zou dan ook al veel meer aandacht zijn besteed aan wat er in Indonesië in de Bersiaptijd, dus na de Japanse kampen, allemaal gebeurd is aan gruwelijkheden.

Kousbroek kreeg twintig jaar geleden van de NRC de Don Quichoterol toegedicht om dwars tegen de stroom van bloedstollende verhalen over de Japanse kampen in een meer werkelijkheidsgetrouw beeld van die kampen neer te zetten. Een heel edele doelstelling van zowel de NRC als van Kousbroek zelf, temeer daar men aanvaardde dat men er niet populairder mee zou worden bij een deel van de lezers van de krant. Het hoogtepunt dan wel het dieptepunt in die lange trits van verwijten over en weer tussen Kousbroek en ex-kampbewoners was ongetwijfeld de discussie rond het boek van Jeroen Brouwers Bezonken rood. Brouwers heeft er allang het zwijgen toe gedaan, maar Kousbroek lijkt er geen genoeg van te krijgen tegen Brouwers' boek tekeer te gaan. Je vraagt je af: waarom verdoet een intelligente man als Kousbroek zo zijn tijd met zichzelf te herhalen en als tegenargumenten steeds de vooroorlogse wanpraktijken van de Nederlanders tegen de Indonesiërs aan te halen. (Soms krijg je de indruk dat het Kousbroeks manier is het Nederlands koloniaal verleden en zijn eigen kampverleden te verwerken, over de ruggen van krantelezers.)

Kousbroek verwijt de Nederlandse media in zijn "cultuurkritiek' van 30-8 dat er geen tegenspraak geboden wordt tegen de intimidatiepraktijken van ex-kampbewoners. De (commerciële) media brengen natuurlijk het liefst wat mensen graag willen horen en vrijwel de enigen die na zoveel herhalingen nog geïnteresseerd zijn in die hele discussie over de Japanse kampen zijn de ex-geïnterneerden zelf. Dat het alleen nog maar die mensen zijn die interesse hebben voor de langslepende discussie, daaraan is Kousbroek mede debet. Zijn verwijt aan het adres van de media geldt naar onze mening overigens ook de brievenredactie van de NRC. Uit ingezonden brieven - reacties op Kousbroek - worden juist die passages bekort (of geschrapt) waarin ingestemd wordt met een deel van Kousbroeks opvattingen. Uitsluitend de kritiek op Kousbroek wordt in de brievenrubriek geplaatst, hetgeen lijkt op een manoeuvre om te polariseren. Is Kousbroeks invloed bij de NRC dan niet groot genoeg om dit, zo hij dit al zou willen, eigenhandig te veranderen? Het lijkt erop dat de Don Quichote van de Nederlandse cultuur geen helpers naast zich duldt. Want roepen in de woestijn voelt blijkbaar net zo lekker als slachtoffer zijn.

Naschrift Rudy Kousbroek:

Wat wil Ophey eigenlijk? Eerst kwam hij (in een brief op de Opiniepagina, 21-8) met de zoveelste variant van het argument dat ik eigenlijk geen recht van spreken heb omdat ik in zo'n "mild' kamp zou hebben gezeten. Ik wijs hem terecht (24-8), vervolgens belt hij mij op en zegt dat hij mij wil interviewen voor een Nijmeegs studentenblaadje; als ik daar niet op in ga zegt hij dat hij mij helaas "niet kan dwingen' maar dat ik het dan maar "zelf moet weten'. En nu krijgen we dus dat ik al 20 jaar weiger expliciet te stellen etc.

Ik begrijp dat verwijt niet. Natuurlijk zijn mijn reacties passioneel en mijn fout is misschien dat ik vaak uit onlust een tijd lang mijn mond houd en dan uit mijn vel spring. Dat is van het begin af het patroon geweest: het begon doordat ik mensen die ik persoonlijk uit de internering kende er onbeschaamde leugens over hoorde vertellen en zag dat allerlei gerepatrieerden die dat evengoed wisten als ik hun mond hielden of er nog een schapje bovenop deden. De impuls dat er, voor een "correct geschiedbeeld', toch tenminste ergens een rectificatie zwart op wit moest staan is natuurlijk wel aanwezig maar toch eigenlijk secundair. Hoe dan ook, wat Ophey (c.q. Maassen) schrijft over de Don Quichoterol die mij 20 jaar geleden door de NRC zou zijn toegewezen is onzinnig (hij moest eens weten), en de veronderstelling dat instemmende passages worden geschrapt en alleen kritiek in de brievenrubriek komt eenvoudig fantastisch.

Het is inderdaad de redactie die beslist welke brieven worden opgenomen, maar het effect is in feite omgekeerd: het zijn de meest rabiate brieven die niet worden opgenomen - vaak tot mijn spijt, want de discussie ziet er daardoor veel redelijker uit dan hij is; wat er werkelijk in die kringen leeft blijft op deze manier grotendeels verborgen.

Bijvoorbeeld de met grote regelmaat uitgesproken beschuldiging dat ik door de Japanners word betaald. Ik doe maar een greep (brieven van de laatste 2 weken): "Bij het lezen van uw artikel kan ik niet aan de indruk ontkomen dat U op voorhand reeds barst van jalouzie bij de gedachte dat aan ons oorlogsslachtoffers van de Japanse bezetting deze eis gerealiseerd zal worden... Al met al wekt uw artikel de indruk dat U als journalist bent ingehuurd door de Japanse ambassade, waaraan ongetwijfeld een goed honorarium was verbonden.' Sommige briefschrijvers vragen de hoofdredactie mij het zwijgen op te leggen: "Ik zou het waarderen, wanneer uw krant geen artikelen meer opneemt van Kousbroek over deze zo uitermate gevoelige kwestie.' Een veelvoorkomende toonaard is ook: "Wat me steeds een gevoel van misselijkheid bezorgt als ik uw artikelen lees, is het continue verraad van uw eigen bangsa! Waarom bent u geen Indonesiër geworden? U staat hier aan de verkeerde kant! U heeft iets tegen Ind. Nederlanders!'

Een verdere factor is dat sommige briefschrijvers te laf zijn om hun naam onder hun brief te zetten, andere zetten er "niet voor publikatie' boven; dat laatste is helaas ook met de (zeer weinige) positieve reacties vaak het geval. Ik heb de indruk dat de mensen benauwd zijn in het publiek voor hun bijval uit te komen, alsof ze er last mee konden krijgen. Zo zijn er ook een paar specialisten van naam die mij privé feliciteren en gelijkgeven, "goed dat er iemand is die het er niet bij laat zitten' etc., maar er wel voor uitkijken om dat in het openbaar te zeggen; "je bereikt niets en maakt je alleen maar gehaat'.

Dit wat betreft de idiote beschuldiging dat ik iemand ben die "geen helpers naast zich duldt'. Omdat ik me niet wil laten interviewen door helpers als Paul Ophey?