Slachtoffers (4 en 5)

1. De heer Kousbroek vindt dat de slachtoffers van de Japanse kampen te veel schadevergoeding vragen aan een schatrijk volk.

Vergeet niet dat de Japanners, die tijdens de oorlog in Amerika geïnterneerd werden, 20.000 dollar schadevergoeding gekregen hebben, ook al waren ze niets kwijtgeraakt.

Mij stuit het gebedel ook tegen de borst, maar ik heb gemakkelijk praten, want ik heb die ellende in de kracht van mijn leven meegemaakt en ben valide uit de oorlog gekomen, zodat ik na van alles beroofd te zijn, gelukkig weer een baan vond en een nieuw leven op kon bouwen.

Van onze regering hebben we ook nooit veel steun gehad. Lubbers vertelde niets nieuws toen hij zei dat voor hem de kous af was.

Vlak na de oorlog zei minister Lieftinck al dat deze mensen naar een vreemd land zijn gegaan en dat ze daar zelf de consequentie van moeten dragen.

2. De heer Kousbroek ziet niet in dat er grote verschillen waren tussen de Japanse kampen, afhankelijk van de commandanten, dat er dus ook grote verschillen zijn tussen de lotgevallen van de kampslachtoffers. Hij moet toch wel gehoord hebben van de Birmaspoorweg of de Molukken. Daar en ook elders gebeurden dingen van zo meedogenloze wreedheid dat je je niet voor kunt stellen dat Nederlanders dat zouden doen.

Laat de oude generatie maar uitsterven. De nieuwe kan dan misschien beter over het Japanse volk gaan denken.

Slachtoffers (5)

Zoals ook het vorige artikel van de heer Kousbroek, zal ook zijn bijdrage "Het recht op woede' veel reacties uitlokken, van mensen die het niet met hem eens zijn.

Men zou er beter aan doen zijn verhaal eens rustig over te lezen. Immers in zijn rustig en weloverwogen betoog probeert de schrijver niets anders te doen dan een analyse te geven van de thans nog manifeste onlustgevoelens van een aantal van hen die op de een of andere manier geleden hebben onder Japans oorlogsgeweld.

Hij meent de oorzaak gevonden te hebben in de menselijke neiging er behagen in te scheppen zich als "slachtoffer' te presenteren. Dit zou op zich zelf niet zo erg zijn, maar dat men vanuit deze geestestoestand rechten claimt op anderen in de samenleving, zoals het recht om aangehoord te worden, het recht op medegevoel, het recht op een geldelijke compensatie en het recht op een openlijke schuldbekentenis, is bedenkelijker.

Ook wij, toen wij in 1946 terugkwamen, waren teleurgesteld dat wij het in gedachten zo grondig voorbereide verslag van onze belevenissen niet kwijt konden. Tot wij beseften dat zij, die tijdens de oorlog in Holland waren, net zo goed als wij een emotievolle tijd hadden doorgemaakt. Ook zij voelden zich slachtoffer, waarin het leed en onrecht dat zij hadden doorgemaakt naar de lippen welden om verhaald te worden. Er is immers geen discussie mogelijk over de kwalificatie of kwantificatie van ondervonden leed. Elk leed drijft de mens in zijn rol van slachtoffer.

Het zou verstandig zijn als wij, de groep die de oorlog in het voormalig Nederlands-Indië meemaakte, ons losmaakten van het idee dat wij iets unieks beleefd hebben. Laten wij trachten deze ervaring in ons leven te aanvaarden en af te sluiten zodanig dat wij er beschouwend en zonder emoties op kunnen terugzien in de wetenschap dat vele miljoenen anderen ook "een' ernstig leed hebben moeten doorstaan.

Dit laat onverlet dat als men het in Japan legitiem acht dat hun (ex-) landgenoten in de V.S. en Canada een smartegeld in ontvangst nemen, men zich verplicht moet voelen ook om soortgelijke gedupeerden door hun toedoen, een vergoeding te geven. Overigens geloof ik niet dat dit ooit zal gebeuren, want daarmee wordt de deur opengezet voor de miljoenen gedupeerden uit de destijds bezette landen, inclusief de honderdduizenden romusha's uit Indonesië, en dat kan zelfs het nu rijke Japan niet betalen.

Naschrift Rudy Kousbroek op brief 4 en 5

Natuurlijk weet ik hoe men aan dat bedrag van $20.000 is gekomen. Maar er is een principieel verschil dat niemand ooit noemt: het gaat bij de Amerikanen om een betaling aan eigen staatsburgers, die onterecht van hun vrijheid beroofd werden, meer een civiele vordering op de eigen staat dus. Dat is iets anders dan schade verhalen op de tegenpartij in een oorlog; niet dat daar geen aanleiding voor is, maar om de hoogte van de claim te baseren op dat Amerikaanse voorbeeld is onzinnig, en schept bovendien een beschamende wanverhouding (ook met inbegrip van de geldontwaarding) ten opzichte van de 2000 gulden ontvangen door de joodse overlevenden; dat waren namelijk slachtoffers van een systematische uitroeiing en dat geldt voor ons pertinent niet, hoe er ook telkens weer geprobeerd wordt om dat onderscheid onder de tafel te werken.

Het bovenstaande dus nog geheel los van het feit dat wij die oorlog zelf verklaard hebben, dat wij er niet de voornaamste slachtoffers van waren, en dat wij ons zelf nog recentelijk (minder dan dertig jaar geleden toen de oorlog uitbrak) aan soortgelijke wandaden hadden schuldig gemaakt (Atjeh oorlog, Deli plantages, Midden-Sumatraweg, Ombilin-mijnen...).