Slachtoffers (3)

In een krijgsgevangenkamp in Tjilatjap zat een Nederlandse sergeant, die stiekem Japans is gaan leren.

Als er een patrouille langs kwam wist hij niet hoe vlug hij z'n spullen moest wegdoen. Later in een kamp in Bandoeng, toen hij het tot hulptolk had gebracht, presteerde hij het om de Japanse kampleiding over te halen de bagage van alle krijgsgevangenen in mijn barak te laten doorzoeken. Hij was namelijk iets kwijt en zei dat het gestolen was. Ik had in mijn bagage een radiolamp - anderen de rest van de onderdelen van een simpele clandestiene radio. Weer later zat hij in hetzelfde krijgsgevangenkamp als ik in Pakan Baroe, nu als tolk. Toen de oorlog al was afgelopen heeft hij met de Japanse officieren een afscheidsetentje gehad in één van de betere Japanse onderkomens op een heuvel. Ze keken daarvandaan uit op de begraafplaats van het kamp, een open stuk bij het oerwoud. Als je begrafeniscorvee had moest je 's avonds na het werken aan de spoorlijn de lijken van die dag begraven. Daar meneer Kousbroek lagen "slachtoffers'. Slachtoffers van de Japanners, die ons langzaam maar héél zeker uiteindelijk allemaal kapot hadden gekregen, hoe dan ook. Wij hadden vóór het einde van de oorlog zelf al ons massagraf moeten graven. Als de atoombommen niet waren gegooid was dit stukje nooit geschreven.

Hoe zou het komen, denkt u meneer Kousbroek, dat ik na lezing van uw twee pennevruchten, juist moest terugdenken aan die (hulp)tolk - een man, die ik, na de oorlog, niet meer heb willen kennen, hoewel we bij dezelfde Nederlandse Handelsonderneming werkzaam waren.