Ophelia moet slaag hebben; De Hamlet van Dirk Tanghe

De Vlaamse regisseur Dirk Tanghe doet niet aan repetities. Dat is meer iets voor houten klazen en die hoeft hij niet. “Mijn repetities zijn gebeurtenissen.” Voor een voorstelling, zoals de Hamlet die morgenavond in Utrecht in première gaat, laat hij zijn acteurs elkaar en zichzelf verrassen met bij voorbeeld een enscenering van hun eigen dood. “Hoe zijn Hamlet worden gaat - ik heb geen idee. Wat ik weet is dat ik nooit eerder zulke boeiende repetities zag.”

“Monologen bestaan niet.” Dirk Tanghe laat een korte stilte vallen, als om het effect van zijn stelling en stelligheid te wegen. “Schrijf maar op!” vervolgt hij dwingend. “Ieder woord, iedere zin staat op zichzelf en is een kleine of grote gebeurtenis. Op dit moment praat ik, maar tegelijkertijd denk ik aan honderd andere dingen, die niets te maken hebben met wat ik zeg. Dat is normaal en op toneel is het niet anders. Toneelteksten moeten verknipt zijn, doorregen met spel, van degene die spreekt, maar ook van de anderen. Daarom bestaan monologen niet.”

Een onderhoud met Tanghe (1956), een van de spraakmakendste vertegenwoordigers van het Vlaamse toneel, vormt niet het beste bewijs van zijn opvatting over de alleenspraak. Vragen of andersoortige reacties van zijn gesprekspartner acht hij volstrekt overbodig. Tanghe praat niet, hij associeert. Hij jongleert met gedachten, houdt de ene wat langer vast dan de andere en laat ze soms ook genadeloos uit handen vallen, omdat plotseling een heel ander idee zijn aandacht opeist. “Schrijf maar op!” zegt hij dan.

Na even succesvolle als omstreden voorstellingen van De getemde feeks (1986), De vrek (1987) en Romeo en Julia (1988), uitgevoerd door drie verschillende Belgische gezelschappen, waren in Nederland geen ensceneringen meer te zien van Tanghe. Hij was huisregisseur geworden van het NTG in Gent, “een echt maar geen hecht gezelschap” zoals hij nu misprijzend zegt. Speciale Internationale Producties is met Tanghe een samenwerkingsverband aangegaan voor minstens drie regies in de komende drie seizoenen. Van Hamlet, de produktie die nu in première gaat, wordt een aparte televisieversie gemaakt, waarvoor regisseur en spelers zich de hele maand december op lokaties zullen terugtrekken.

“Ik probeer een voorstelling te maken die mij ontroert” schrijft Tanghe in de programmatoelichting bij zijn Hamlet. Tien weken lang probeert hij dat al, en “de stukjes van de puzzle beginnen zo langzamerhand op hun plek te vallen”. Op organische wijze, een betere term kan de regisseur niet bedenken voor zijn werkmethode. “De tekst is een bijna overbodig element, we gaan daar in elk geval niet van uit. De woorden komen veel later pas, als ze vanzelf in het spel vallen. Ik wil niet, dat mijn spelers hun hoofd gebruiken, dat is me te kil, te cerebraal, te on-produktief. Als acteurs nadenken, gaan ze ronken. Ronkronk: "Zág lieve, is er nog gebeld voor mij?' Die ene wenkbrauw gaat dan omhoog, academische reactie, vaste prik. Wie heeft toch bedacht dat sterven op toneel alleen maar met groot misbaar en gerochel gaat? Bij mij wordt niet op die manier gestorven. Ik gruw ervan, het is allemaal ijdelheid en egoïsme. Ik wil dergelijke maniërismen niet. Hier is iedereen verantwoordelijk voor alles, ook voor de tekst van zijn medespelers.”

L O L, lol, met haar vinger schrijft actrice Marie-Louise Stheins, Ophelia in de voorstelling, het woord op tafel. Daar gaat het om, zegt ze en niet alleen zij. De lol hangt zinderend boven ieder gesprek, beweren ook de anderen, boven iedere repetitie. En repetitie is trouwens een verkeerd woord. Terwijl hij de bewegingen van een tinnen soldaat imiteert, zegt Tanghe: “Repeteren doen we hier niet, houten Klazen zijn hier aan het verkeerde adres. Mijn repetities zijn gebeurtenissen, er hebben verrassingen plaats, er is verbazing. Iedere speler is iedere keer opnieuw verwonderd, ontroerd, of uit het veld geslagen door het spel en door de tekst van de andere. Zo, en zo alleen, kan ik theater maken.”

In het verleden heeft Tanghe al wel eens gezegd, dat zijn repetities soms ontroerender, harder, geslaagder zijn dan de voorstelling. Kijkend naar zijn verrichtingen in de grote zaal van de Utrechtse schouwburg, begrijp ik wat hij bedoelt. Hoe zijn Hamlet worden gaat - ik heb geen idee. Wat ik weet is dat ik nooit eerder zulke boeiende repetities zag, scèneflarden waarvan de schoonheid nota bene niet eens garandeert dat zij uiteindelijk ook in de voorstelling belanden. Want Tanghe en zijn spelers kunnen kiezen uit een mer à boire van mogelijkheden, bijeen gegaard tijdens weken van voorbereiding. “Mijn spelers staan om zes uur niet te trappelen om naar huis te gaan”, had de regisseur me eerder al blakend van overmoed toegevoegd. “Ze trappelen om hier te komen.” Zijn overmoed is geen overmoed.

Koffie

Tanghes werkwijze hangt tegen het therapeutische aan. Zo heeft iedere speler, ter voorbereiding van zijn rol, "een eigen dag' gehad. Lange uren van gedachtenwisseling met de regisseur, zijn assistent Jan-Eric Hulsman en vertaler-bewerker Johan Boonen, waren gevolgd door uiterst persoonlijk getinte improvisaties. Niemand van de anderen mocht commentaar leveren, op uitlachen stond ontslag. Omdat, bij voorbeeld, alle hoofdpersonages dood gaan, mocht iedere speler zijn eigen dood ensceneren. Sien Eggers, die Gertrude, de koningin, vertolkt, was mooi opgebaard in een met zijde beklede kist gaan liggen, maar Stheins hadden de anderen op "haar dag' tot hun grote schrik in een container in de garage van de schouwburg aangetroffen. En even daarvoor was ze naakt de foyer binnen komen lopen, had koffie besteld en had het kopje vervolgens op de grond laten kletteren. Ze had er een onschuld mee afgeschud, die Ophelia naar haar idee ten onrechte wordt toegedicht.

Ben je verliefd op Hamlet of niet, had Tanghe van haar willen weten. En wat is dan verliefd? Wim Danckaert, Hamlet, en Stheins hebben liefdesbrieven uitgewisseld om daar achter te komen, geile brieven zelfs volgens Stheins. Ze hebben gevreeën, getorteld en ruzie gemaakt: alles was geoorloofd, ter exploratie van de ziel van hun karakter. “Acteurs zijn voor mij kinderen op een zolder”, zegt Tanghe. “Die denken ook niet na, die geven zich direct en zonder voorbehoud over aan het fysieke spel. Het ene moment zijn ze de koning, het andere de bedelaar, met dezelfde lappen. Zo is mijn theater ook. Het gaat over de lol van het spelen, zelfs als het verhaal in mineur eindigt.

“Ik wil de homo ludens ontdekken in mijn acteurs. Ernst is dodelijk voor de kunst, juist het zwaarste moet het lichtst wegen. Mijn acteurs vallen dood zoals het spelende kind dat doet, zonder gerochel. En het andere kind zegt dan: "Nou goed, en toen ging ik dood en was jij weer levend.' Het perfecte samenspel, simpel. Zo wordt de mededeling, Shakespeares tekst in dit geval, voel- en zichtbaar. Zó tastbaar als het ware, dat er toevallig ook nog gepraat wordt. De tekst is in mijn voorstellingen slechts één van de elementen.”

Ophelia en Hamlet zitten op de rand van het podium, onophoudelijk rokend. Zojuist heeft Wim Danckaert zijn beroemdste zin uitgesproken, door Boonen vertaald als: “De vraag is: wil ik dood of wil ik leven.” Volgens Tanghe moet hij voor zich uit mijmeren - wat hij doet. Het is slechts de grondverf, waar vervolgens laag na laag op wordt aangebracht. De scène bloeit op, woord na woord. Eerst houdt Danckaert Ophelia's hand alleen maar vast, vervolgens drukt hij er kusjes op, dan bijt hij erin, relativerend nog, en uiteindelijk slaat de agressie toe. Achter zijn regietafel springt en danst Tanghe op de opzwepende klanken van Michael Nymans muziek, uit Peter Greenaways The cook, the thief, his wife and her lover, hij schreeuwt en fluistert, beurtelings prijzend en kritisch. Plotseling beent hij met grote passen het toneel op, grijpt Stheins bij de haren, sleept haar over de vloer, omhelst haar, slaat en kust haar. Dit is, Hamlet, wat je voelt. Aangedaan zegt Tanghe behoefte te hebben aan een pauze.

Een tekst en een mer à boire aan mogelijkheden. “Als je de tekst op een niet-romantische Ophelia legt, klinkt-ie fantastisch”, had Tanghe eerder al gezegd. “Hamlet en zij worden altijd voorgesteld als melo-romantisch, maar het zijn verdomme volwassen mensen! Lariekoek, dat Hamlet dé Melancholicus zou zijn! Niemand is iets continu en alleen maar: levende mensen wisselen af.”

Toch komt de getoonde scène tussen Ophelia en Hamlet niet noodzakelijkerwijs in de voorstelling terecht. Er zijn mooiere versies, zegt een speler die ik ernaar vraag. Tijdens de repetities maakt Tanghe tien voorstellingen, waaruit hij er één monteert. Dat gebeurt tijdens de fase van het stileren. “Ik ben geen enfant terrible, zoals men wel beweert. Ik streef geen vulgariteit na, zoals Peter Zadeck. Ik wil de dood in haar schoonheid tonen, de inhoud op gespannen voet brengen met de vorm. De mooiste ruzie heeft plaats in een kerk.”

Of tijdens een begrafenis, zoals in Hamlet, als de titelheld de broer van de verdronken Ophelia, Laertes, naar de keel vliegt. Op het toneel ligt een vloer van 2500 stoeptegels, hoofdbestanddeel van het door Tanghe zelf ontworpen decor. Doodgravers delven Ophelia's graf door tegels te lichten. Na de ruzie met Hamlet neemt Laertes plaats op het laatste stapeltje tegels die niet zijn teruggelegd. Hij is verdrietig en radeloos. Wat is verdriet, wat is radeloosheid? heeft Tanghe vast en zeker gevraagd aan Henk Elich - de acteur die Laertes speelt - op diens "dag'. Laertes staat op, heft, terwijl wederom Nyman loeihard door de zaal schalt, wankelend de ene na de andere tegel boven zijn hoofd. Vierkant als ze zijn, rollen de tegels - de ene kapot, de andere intact - alle kanten uit als Elich ze uit allemacht tegen de grond kwakt.

Ja, dit is verdriet, dit is radeloosheid. En het is een beeld, dat de eenzame buitenstaander die ik tijdens de repetities ben, bij zal blijven, al komt het misschien nooit in de voorstelling terecht. Er zijn immers misschien nog betere alternatieven voorhanden. Misschien, want ik weet het niet en durf er niet naar te vragen. De concentratie is te snijden als Tanghes aanwijzingen door de luidsprekers schallen. Het zijn codes, woorden van een geheimtaal, ontstaan in een bijna jaloersmakende kongsi tussen regisseur, zijn assistent, de vertaler en de spelers. Waarom kan ik de gesprekken toch zo moeilijk volgen?

Later kijk ik alleen nog maar, nadenken heeft geen zin. In de verte, op het toneel, zit Tanghe op zijn hurken voor het voltallige gezelschap, met inbegrip van “de mannetjes”, de figuranten. De spelers zitten keurig op een rij, tegen het achterdoek: drieëntwintig geblankette koppen boven gevlekte pakken in bestorven kleuren. Tanghe gebaart, ijsbeert, kruipt over de vloer, houdt zijn hoofd tussen zijn handen. En hij praat en praat, zonder aantekeningen, zonder onderbreking. Terzake volgens actrice Sien Eggers en ook typeerde ze hem als “iemand die de verwondering in je wakker maakt.” Inderdaad. Als hij me een repetitiefoto toont vraag ik, afgaande op het plaatje, of er gedanst wordt in zijn voorstelling. “Eh...jaah”, zegt hij aarzelend. En dan, gretig: “Ja, er wordt gedanst. Op een gloeiende plaat.”