Medusssa...

De heer P. Ruik deed de deur van zijn winkel open en begon met de dagelijkse klusjes.

Mijnheer Ruik was een allereigenaardigst heerschap. Een ongelofelijk vervelende vent, die het liefst iedereen oplichtte. Hij zat tot de nok toe vol met gemene plannetjes, en voerde er elke dag minstens tien uit. Als hij de twintig haalde (wat nogal vaak gebeurde), kocht hij kruisbessentaart met een komijnekaaskorstje, want daar hield hij ontzettend verschrikkelijk veel van.

Mijnheer P. Ruik had een onnatuurlijk glad gezicht, en onder zijn lelijke haviksneus zat een keiharde, stijve snor. Hij was al aardig kalend, maar dat zag je niet door de enorme pruik die hij droeg. Daar kon hij makkelijk aan komen, want hij had een eigen pruikenwinkel, waar hij ook zaken zoals borsthaar en valse snorren verkocht. De zaak liep goed, maar hij had geen vaste klanten. Op de deur hing een bordje: "Er wordt niet geruild of terugbetaald. De artikelen die ik verkoop hebben geen vaste prijs'. Dat had hij van de gemeente op de deur moeten hangen, maar het was zo klein geschreven dat niemand het kon lezen. Zoals ik al zei, was hij net bezig met de eerste klusjes, toen er iemand binnen kwam.

Het was een lange, oerlelijke vrouw met een enorme paarse pruik op. Ze had een pruimemond, en een gigantische haakneus vol wratten. Op die neus droeg ze de grootste zonnebril die hij ooit gezien had. Ze liep op hem af. Mijnheer Ruik schrok zo, dat hij al z'n gemene plannetjes vergat.

“Dddagg mmmevrrouwww”, stamelde hij. “Kkkannn ikkk u errggennns mmmmee vvannn dddiennnsstttt zzzijnn?”

De vrouw keek hem strak aan. Tenminste, dat leek zo, maar je kon het niet weten omdat haar zonnebril niet alleen enorm was, maar ook nog eens pikzwart. “Ik ssie dat uw collectssie incompleet iss”, zei ze met een vals lachje om haar lippen. Ze sliste nogal opvallend, en als ze sprak kwamen er gifgroene spettertjes uit haar mond.

“Hoezo dat?” Mijnheer Ruiks stem bibberde niet meer. Hier schond iemand zijn trots! “Als u maar weet dat ik de meest complete collectie heb!”, riep hij uit.

“Tssuurlijk weet ik dat”, zei de vrouw. “Dsaarom kwam ik naar u tssoe! Dan kunts u van het voordeel profiteren! Luissster. Lang geleden leefde er in Griekenland eens een machtssige heks, die Medusssa heette... Sij had geen haar, maar echte levende ssslangen op haar hoofd. Sij kon mensen met haar blik in sssteen veranderen. Sij was machtssig, tot die sstomme Persseusss kwam, en alles verpessstte. Hij hield haar een sspiegel voor, ssodat se door haar eigen krachten werd versslagen!”

Haar gezicht werd steeds roder tot het paars werd. Geleidelijk begon ze af te koelen.

“Hij heeft haar hoofd afgesslagen, duss haar sslangehaar moet nog ergens sijn! Iss uw collectie dan incompleet of niet?”

De heer Ruik, die aldoor verbijsterd had staan luisteren, zei: “Nou en? Ik hoef die stomme pruik van u toch niet. Wie koopt er nou zoiets?”

“Ssla mijn goede raad niet in de wind!” riep de vrouw. “Je ssult er sspijt van hebben!”

“Sorry hoor”, zei de heer P. Ruik. “Maar ik verzoek u dringend mijn winkel te verlaten. Ik krijg er echt genoeg van.”

Het enige wat de vrouw nog wilde zeggen was: “Ik heb je gewaarschuwd! Je hebt er sself om gevraagd! Want ik ben de dochter van Medusssa! En ook al kan ik niet in ssteen veranderen, mijn specialiteit isss: wratten!”

Ze trok haar pruik af, en er klonk een hevig gesis. Er kwam een hoofd vol levende slangen tevoorschijn, die door elkaar kronkelden. Mijnheer P. Ruik stond aan de grond genageld. Voordat hij wist wat ze deed, trok ze haar zonnebril af, en keek hem strak aan het haar afschuwelijke ogen. Hij verschrompelde in een razend tempo. Daar lag hij, een vettig wratje op het kleed.

“Sso”, zei Medusa's dochter, “die sseurpiet hebben we ook gehad.” Ze pakte de wrat op en plakte hem op haar neus bij de andere wratten. Ze zette de zonnebril en pruik weer op, en nam een paar pruiken mee voordat ze wegging. “Morgen ssal ik de rest ophalen”, zei ze, en trok de deur achter zich dicht.